zondag 30 december 2012

2012: een balans


Was 2012 net zo triest als 2011? Eens kijken...

2102 was het jaar van…
Mijn vader. En mezelf.

Grootste dilemma
2012 was het jaar waarin ik een deel verontwaardiging, die al generaties lang door dit bloed stroomt, probeerde om te zetten in dankbaarheid en zachtheid. Omdat er te veel heftige dingen gebeuren in mijn leven om lang stil te staan bij de berg miserie op de aardkloot. Omdat ik nog veel liefde te geven en ontvangen heb en dus liefst geen energie steek in protest, leugenaars, twijfelaars, schimpen, schampen. Als je je ego probeert los te laten, win je kracht. Maar er ontstaat wel een gat. Inderdaad, we kunnen dat gat vullen met licht en liefde. Vallen we dan in slaap?

Kortom: 2012 was het jaar waarin ik – laten we een spook een spook noemen – een beetje ‘spiritueel’ werd. Ik vind het zelf nog belachelijk klinken, al betekent het vooral tegelijk strenger en zachter zijn voor mezelf en mijn hollende hoofd. Iets moois dus. En onderweg vond ik wel een gespierde gids met pauwenveren, maar dé leraar voor bij het mentale kampvuur heb ik nog niet gevonden. Ik ben zelf een best goede lerares. Eenendertig jaar en wat extra generaties ervaring. Maar ook ik ben doodsbang soms. Van mezelf. Van de dood. Van de liefde.

Grootste dankbaarheid
2012 was het jaar waarin ik mezelf nog eens de lessen voorschotelde die ik blijkbaar nog niet goed geleerd had. Flink gekruid en weldadig geflambeerd deze keer. Ik heb het mezelf niet simpel gemaakt. Maar wat wel simpel was, was dankbaar zijn om iedere dag die ik met mijn vader doorbracht.

Grootste inzicht
Dat ik een vlijmscherpe intuïtie heb, behalve als het op mannen kiezen aankomt. Dat ik niet zomaar iedereen in mijn spiegel moet laten kijken. Want als je je vinger aan de randen snijdt, wil ik niet aan je vinger zuigen. Zeker niet nu. Mijn tanden zijn nog rood van mijn eigen bloed. Ik kruip dagelijks in mijn hoekje of op een kussen om mijn wonden te likken en ze met tranen te zalven. Talisvrouwen zijn er toegestaan, katten, warme thee en zachte muziek. Voor al de rest gaat het hart soms op een kier. In 2013 olie kopen. Want nu piepen de scharnieren flink.

Vreemdste ontmoeting
De pornoacteur in het vliegtuig naar China. Ik vertelde over de vlinders in mijn buik en hij over de verkrachtingen die hij naspeelde. Toen ik, uitgeput door lange liefdesnachten, tegen zijn schouder in slaap viel, streelde hij mijn onderrug. En hij sprak de vrees uit hem de volgende dag niet meer recht te krijgen. La tendresse… ze won. Ik heb na de aardbeienmilkshake op het vliegveld niets meer van hem vernomen.

Beste boek / grootste ergernis / beste voornemen
Mag het een tijdschrift zijn? Dan het erotisch-apocalyptisch nummer van Kluger Hans, dat ik coördineerde en waarvoor ik na vier jaargangen eindelijk eens een inleiding durfde schrijven. Toch een boek? Schoorvoetend: Shantaram. Mooi, maar de ongeloofwaardigheid ergerde me. (Zoals wel meer ‘sweet little lies’ in 2012). En de verslavingen van het hoofdpersonage. Ik heb het sinds 2012 helemaal gehad met verslavingen. Hoe de omgeving de verslaving mee in stand houdt. Bah. Wat zorgen we soms slecht voor onszelf en elkaar. O ja, zelf zwaar beschaamd om mijn Facebookverslaving en breder internetverslaving. Die moet eraan in 2013.

Beste muziek
Niets nieuws greep me echt, behalve de stilte dan. Die zocht ik vaker op.

Beste optreden
D’Angelo in Paradiso. O, van mezelf? Met pianist G. in de Roode Bioscoop. Twee keer repeteren, een maffe voorgeschiedenis. En toch zo gebalanceerd en fragiel. Net zoals de les die ik in mei aan mijn eerstejaars gaf. Ik gooide mijn hart zomaar op tafel en achteraf was er niets gebroken. Mooi. 

Beste pen
Ik heb dit jaar geen enkel echt memorabel stuk geschreven. Soldaat zonder naam dateert nog van vorig jaar. De lange stiltes tussendoor zeggen het meest. Ik ben ook blij met mijn brief aan de herfst, maar vond het moeilijk om deze seizoenscyclus na vier jaar af te sluiten.

Lul van het jaar
Even overboord met het grote dilemma, want een eindejaarslijstje zonder lul van het jaar is geen leuk lijstje. Mag dat nog een keertje Bart De Wever zijn? Nee? Ok, Kwepelsteeltje dan. Het nieuwe sprookjesfiguur van 2012, dat na de kortstondige terugkeer van de Grijsaard opdook. Toegegeven, het was fijn om dwars door alles even keiverliefd te zijn. Het was tof om er achteraf een verhaal over te schrijven en dat aan een handvol ademloze kinderen voor te lezen. Maar het is vooral belangrijk om de moraal van dat verhaal goed te onthouden. Neem die lul trouwens niet te letterlijk.

Vrouw van het jaar
Mijn zus. En ook de vrouw die dag in dag uit voor mijn vader zorgt. En de talisvrouwen.

Baby van het jaar
Hinkstapdame. Stevige billen, Belgisch-Tijgerbloed. Luide stem, bijna altijd vrolijk. Heerlijk kind.

Dier van het jaar
De leeuwin die niemand nodig heeft. En haar zwarte panter.

Leukste nieuwkomers
JK, de lievelingsverzorger van mijn boskat. Eerder vermelde pianist G. En mijn pauwenman.

Grappigste moment / leukste cadeau
Een moment dat heel geheim moet blijven. Mijn neus tintelt nog. Het moment verpakte zich in dit kattebelletje. En het tweede grappigste moment is ook geheim, maar daar waren een paar ingewijde vrienden bij. Een bos, een camera, bergschoenen en ... Deze trip naar een gezellig huisje op een heuvel in de Ardennen was veruit het beste cadeau van 2012.

Grootste pukkel 
Staat op dit moment op mijn linkerwang. Zucht. Gelukkig ben ik sinds 2012 dankbaar om de kleinste dingen.

Leukste trivialiteit
Dat Peter Pan op een Backstreet Boy lijkt en misschien wel groot zal worden in 2013. Dat de Grote Boze Wolf nu in God gelooft en in ruil daarvoor rijkelijk behaarde borstjes heeft gekregen. Dat zijn A. in haar brief nog veel leuker bleek dan in mijn hoofd. Dat een ego overbodig is, maar zolang het er nog is, op zichzelf aangewezen is. En dat dat soms best grappig is.

Kortom
Beetje zonde dat al de onzin niet ophield op 21 december. Maar er zat ook leuke onzin tussen. Echte vriendschap. En bovenal: veel dingen die ik niet op papier krijg. De realiteit die achter deze woorden schuilgaat, staat in contrast met alles wat ik lijk te schrijven. Dat is moeilijk. Ik ben niet goed in verzwijgen. 2012: nog best veel theater, maar ook wat (pijnlijke) intimiteit. In 2013 minder van het eerste, veel meer van het laatste. Ik heb weinig zin in de pijn die nog volgt. Maar we gaan door. Op een kussen, in de wolken, aan de grond. Met familie, talisvrouwen en al wie de moeite waard is om dichterbij te laten komen.

Papa, ik zie u graag.

woensdag 19 december 2012

Twee dagen zonder tijd


Ik heb het u gezegd. Dat het net de onzegbare dingen zijn die blijven haken. De vertakkingen die tot in de tenen tintelen, de armen die de berg omarmen, de schreeuw in het bos die we herkennen en die van binnenuit lijkt te komen. Het lichaam in het bed, dat niet het onze is, maar wel bevreemdend vertrouwd, warm en koud aanvoelt. De krop in de strot, de hand op het hart. Het is al van u en u van mij. Nooit eerder zo vrij. Er resten ons nog twee dagen zonder tijd.

zaterdag 8 december 2012

Gedempt kloppen


Bij het thuiskomen struikelde ik bijna over een dronken tong. Het bleek glad ijs te zijn waar ik al eerder voor gewaarschuwd werd. Er lag een vrouw in mijn bed. En een kat op mijn buik. Achteraf bekeken was het best een goede nacht. De echo’s in mijn dromen hadden een andere kleur.

Na de slaap heb ik dorre bladeren weggeknipt. Je keek over mijn schouder met vier ogen mee. Ik dacht aan de bom in mijn bloed, de vingers die boven mijn hoofd zweven en hoe het te vertellen. Slaan of sussen? Niet veel mensen zien het. Ze zeggen: ‘Nog een reden om er een feest van te maken.’ Of in lotushouding geloven ze in liefde die alles herprogrammeert.

Ik zweef ergens tussenin. Af en toe huil ik. In een kamer met te weinig plek voor boeken. Met muziek die beter gerangschikt is dan wat ik erbij voel. Met een hart dat niet beter weet te kruipen dan tussen deze rammelende ribben. Onder de tafel verstopt klinkt het kloppen wat gedempter. Ik hoor het toch. 

vrijdag 23 november 2012

Blauwe maandag met Apenbrood en een reis door vier seizoenen

Ik ontmoette gisteren, een bijzondere dag vol bijzondere gebeurtenissen, een bijzondere dame op café. Ze bleek al een tijdje Huiverinkt te volgen. We zijn geen Facebookvrienden. In een periode waarin ik sowieso flink worstel met mijn online gedrag en van plan ben om die worsteling om te zetten in lesmateriaal in plaats van verder verslaafd gedrag, was het een goede herinnering aan de mensen die graag mijn blog lezen maar verder geen contact met me hebben. Ze bestaan.

Vandaar deze last-minute aankondiging: op maandag 26 november kan je voor 8 euro naar een Blauwe Maandag in de Roode Bioscoop op het Haarlemmerplein. De eerste helft van de avond wordt verzorgd door Apenbrood, die een eerste muziektheatervoorstelling 'Dit huis' brengt. Daarna maak ik samen met pianist Gilian Baracs een reis door de vier seizoenen. Voor iets meer geld kan u om de hoek ook een lekkere pizza eten. Een aanrader. 

Welkom dus.

maandag 15 oktober 2012

Brief aan de Antwerpenaar


Beste Antwerpenaar,

Voor ik u vragen stel, zal ik mezelf eventjes voorstellen. Ik werd geboren in Jette maar groeide op in de stad waar Bart De Wever ter wereld kwam, Mortsel. Het enige wat ik zeker met u deel, is de tongval. Verder voelde ik me pas Antwerpenaar toen ik op mijn achttiende naar Gent verhuisde en daar om de haverklap een identiteit moest verdedigen die ik me – in tegenstelling tot zij die geen reden zien om uit ‘t stad te verhuizen – nooit bewust eigen had gemaakt. En nu ik in Amsterdam woon, laat ik me nog liefst van al Belg noemen en geen Vlaming. Ik ben recht voor de raap. Dat deel ik met de Nederlanders, maar misschien ook wel met u.

Stapte u vanmorgen trots uit bed? Dan bestaat de kans dat we niet veel meer delen dan die radde tongval en wat andere trivialiteiten. Uiteraard mag u in dit geval nog verder lezen, maar stel me niet verantwoordelijk voor die borrelende onderbuik na het lezen van mijn brief. Als u daarentegen vandaag met een flinke kater opstond zonder dat alcohol daar iets mee te maken had, delen we misschien meer dan de tongval. En dat we dan ook op zoek gaan naar de andere accenten die we met die tong leggen, dat is net iets wat ik met deze brief wil vragen.

De plannen voor een rouwmars stemmen me hoopvol. Niet omdat ik graag in het zwart gekleed ga, maar omdat ik geloof dat het nodig is om alert te blijven voor het gedachtegoed dat decennia later opnieuw Vlaanderen overspoelt, weliswaar overgoten met een sausje van valse gematigdheid en begeleid door rinkelende tv-spelletjes en vrolijke liedjes. Ik rouw, omdat met de stijgende populariteit van het Vlaams-nationalisme heel wat positieve alternatieven worden begraven, net als een aantal belangrijke lessen uit het verleden.

Sommigen brengen zaterdag het liefst een eerbetoon aan het beleid van Patrick Janssens, de tramlijnen die hij bracht, het museum dat uit de grond werd gestampt, het levendige park dat aan de spoorweg ontstond. Ik vermoed dat ik, als ik in Antwerpen zou wonen, dezelfde dankbaarheid zou voelen. Van op afstand lijkt Antwerpen meer te bruisen dan tien jaar geleden en heeft de man onmiskenbaar goede dingen gedaan. Maar zou ik daarom zaterdag een groot afscheidsfeest willen bouwen?

Waarschijnlijk niet. Want een kartel van rood en oranje samen? Dat kleurt niet mooi in ieder links hart. Ik kan me niet aan de indruk ontdoen dat Janssens zich  - met kind op de arm - bezondigd heeft aan het populisme van zijn tegenstander. Er waren heel wat linkse kiezers bereid om strategisch te stemmen, maar het deel dat meer wilde doen dan dat is schromelijk onderschat. Kan dat? Het is mijn boezem niet. Hoe het ook zij, zij die groen lachen om Doe eens normaal, man of Zet die ploat af, zij rouwen misschien om een ander, nog veel groter verlies dan de man Patrick Janssens.

Moet een rouwmars of toekomstfeest afgeblazen worden, omdat de ene er met toeters en bellen een positieve boodschap of bedankje wil zingen en de ander wil rouwen om een beangstigend verlies? Nee. Kom samen om wat jullie bindt. En als jullie samen zijn, ga dan praten over wat jullie verschillend maakt. Duik die inhoudelijkheid in, wees niet bang voor het meningsverschil. Steek kaarsen aan. Om te herinneren en een nieuw begin te maken. Om te praten.

Enkel zo kunnen er tegenstemmen ontstaan. De uniforme schreeuw? Niet nodig. Laat het polyfoon zijn. Gebruik de kleuren en geuren van een eeuwenoude havenstad. En misschien, misschien, vinden jullie samen dat echte tegenvoorstel. Dat echte vóórstel.

Succes,
Marie

zaterdag 13 oktober 2012

Brief aan Ivo Michiels


Hallo Ivo, lieve

Het is vrijdagnacht. Ik heb vandaag niet veel bijzonders gedaan. Tevergeefs geprobeerd een schots en scheef schoenenrek in elkaar te zetten. Eerst alleen. Dat frustreerde me en maakte me razend. Daarna met een vriendin. Dat was hilarisch. Uiteindelijk heb ik alle stokken maar weer in een doos gedaan. ‘Retour afzender’. Het zoveelste zinloze project. En toen ik driftig doorraasde over de foute keuzes die ik de laatste maanden heb gemaakt, belde de onderbuurvrouw aan. Of ik mijn hakken wilde uitdoen. Want ze kon niet slapen van mijn gedrentel. Dus nu zit ik hier op kousenvoeten een brief aan jou te schrijven. Probeer ik mezelf op kousenvoeten te vergeven voor alles wat ik te lang geprobeerd en in mijn haast nagelaten heb.

Het was een vreemde week. Er is best veel bijzonders gebeurd. Als je nog leven zou, zou ik al die vreemde dingen in een echte brief kunnen zetten. Maar in deze vreemde week ging jij dood en kon ik je niet mee begraven. Dus las ik in jouw naam een boodschap voor aan zij die me nooit zullen begrijpen. Ik werd eenendertig en vierde dat met vrienden, zus en moeder en de stilte van een angsthaas. Door het gat in de haag keek ik je aan. Ik huilde deze week nog vaker dan normaal.

“Wanneer ik mijn gedachten samenraap en ik zeg bij mezelf, waarom doe je dit, dit werk, ermee beginnen, altijd door, waar geef je je leven voor, dan zeg ik: Om te praten. Het is mijn vaste overtuiging dat praten belangrijk is. Praten en een gebed opzeggen zijn niet helemaal gelijk, dat is zeker waar, ik moet daar vroeg of laat nog dieper op ingaan, maar een gebed is al een zekere wijze van praten, een begin ermee, een eerste stap, een bewijs van goede wil voor iemand die nog niet (zoals ik) beseft wat praten in werkelijkheid betekent, zeg maar betekent voor de mensheid, we moeten niet bang zijn, de tong zal niet verstijven in onze mond. Voor mij is het duidelijk, met het gebed: omdat ik praten niet kan laten neem ik vaker tot het gebed mijn toevlucht als een aanloop, een soort verwittiging. Pas op, ik ben op komst, tingelingeling ga uit de weg, hier is het gebed, de rest volgt. Ze zijn erop uit om mij te doen zwijgen. Wie ze is of zijn is niet belangrijk, belangrijk is dat ze niet willen dat ik praat.” (Het boek der nauwe relaties)

Misschien was dat één van de dingen die onze twee namiddagen samen zo bijzonder maakten. We praten allebei graag, misschien nog liever dan dat we schrijven. En ook houden we van stilte. Maar die stilte, waar we allebei zo naar verlangen, vinden we ook beangstigend. Is het gek dat ik de tegenwoordige tijd gebruik? Ik denk het niet, los van de dood van de auteur heb ik je dicht bij me zitten. Ik ruik de geur van oude mannen en verwonder me over de gouden ketting, die je om je hals draagt. Het bovenste knoopje van je hemd is open. Ik kijk naar je handen. Ik kijk altijd naar handen.

Het was twee keer hartje zomer. De eerste keer was in 2002. De zomer die volgde op een briefwisseling met postzegels. Je had een typemachine gebruikt, ik mijn eerste eigen computer, waarop ik ook een essay over je Journal Brut-cyclus had geschreven. Die eerste keer zaten we buiten, op je terras aan de weg naar het kasteel. Met je vrouw, mijn vader, vriendin M. en een kat die zich normaal gezien niet liet aaien, maar die dag wel door mij. Je toonde me je schrijftafel, kunstcollectie, boekenkast. We dronken rosé, best veel, en ik schaamde me achteraf over hoe snel mijn dronken tong gerold had. Ik dacht dat ik allerlei domme dingen gezegd had, die een echt intelligente schrijfster voor zich moet houden en door het keurslijf van de inkt moet dwingen.

Jaren verstreken. Ik stuurde je heel af en toe een mailtje. Verder gebeurde er zoveel, dat contact met je houden compleet onbelangrijk leek. Tot de zomer van 2011. Ik hoorde dat mijn vader dood zou gaan en kon daar niet over schrijven. Toen ik die zomer met hem in de Provence belandde, besloot ik je op te zoeken. Mijn vader kon de heuvel niet meer op, dus wachtte hij beneden. En jij kon de trappen van je huis nog maar spaarzaam beklimmen. Dus ik kreeg een uurtje, waarin we koffie en water dronken. Je luisterde. Ik vertelde, deze keer over al die dingen die me droevig maakten en nog wat leuke verhalen tussendoor. Je antwoordde met schilderijen van Corneille, met anekdotes uit de wereldliteratuur, met je blijdschap om Kluger Hans, wat je een fantastisch tijdschrift vond.

Toen ik buiten kwam, besefte ik dat het weer was gebeurd. Als een verliefde kip had ik bijzonder weinig geregistreerd van wat je me gezegd had. Ik schaamde me om mijn hart dat ik bij je op tafel had gegooid. Over de rust die ik niet bij je kon vinden, omdat de tijd zo kort was en er negen jaren waren om bij te praten. Omdat we niet langer dan een uurtje samen konden zijn en ik daar zo veel tijd van ingenomen had.

De dag daarop kreeg ik een mailtje. “Ik was echt blij met je bezoek. Heel Le Barroux glimlacht nog.” En toen besefte ik het. Dat we het allebei begrijpen. Hoe door al dat gepraat de stilte door kan klinken. Hoe een echte schrijver tussen de regels leest. Hoe een echte vrouw dat wil benoemen en een echte man via omwegen probeert te troosten. Maar hoe het steeds de beste bedoelingen heeft. Toch bij jou, toch bij mij. Hoe klassiek of modern we ook schrijven. Hoe verward onze woorden zijn. Toch bij ons.

"In Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Nu moet iemand, de gemeente bij voorbeeld, indien er meerdere gelovigen bij elkaar zouden zijn, antwoorden met Amen. Ik ben alleen, dit ogenblik toch, er zijn voor zover ik kan zien geen broeders en zusters van dezelfde gezindte bij elkaar, ik zal noodgedwongen zelf het Amen moeten zeggen. Amen dus."

Vaarwel Ivo, lieve,

Marie

P.S. "Inderdaad een beetje 'flou', maar dat geeft niet. Je moet ze eens zien, uitvergroot op je hele scherm!"




woensdag 3 oktober 2012

Brief aan de herfst (of aan mezelf)


Liefste herfst,

Hoe vaak heb ik de voorbij vier jaar naar u geluisterd? Mijn oren gespitst, in de hoop in de verte de vleugelslag van deze brief te ontdekken. Maar de vogels vertrokken naar het zuiden en lieten in hun vlucht geen woorden los. Ik bleef al die jaren ademloos achter.

Logisch, denk ik nu. Maar het is makkelijk om achteraf te weten waarom iets loopt zoals het loopt. Op uw brief moest ik bijna vier jaar wachten omdat een brief aan u ook een brief aan mezelf is. En wat vind ik dat moeilijk. Sprookjesfiguren terechtwijzen? Een makkie. Anderen een spiegel voorhouden? Zit in mijn natuur. Maar aan mezelf schrijven? Dat is een ander paar mouwen.

Nochtans ben ik u. Ik werd in uw schoot gebaard en geniet elk jaar opnieuw volop van de noten, zwammen en wandelingen die u met u meebrengt. Ik hou van uw onbestemdheid. Deze onbestemdheid deelt u met de lente, maar ze is van een andere, meer gewortelde aard. Dat heb ik dit jaar meer dan ooit mogen ontdekken. Want in één jaar kreeg ik uw twee broers en uw ene zuster in hun meest karakteristieke gedaantes over de vloer. Ze plaatsten zich tegenover me aan tafel en keken me diep in de ogen. Ik hoop dat ik deze keer echt hun lessen heb geleerd.

Om te beginnen de winter. Wat was het koud en gebruikte ik de foute zinnen. Ik verloor al het vet rond mijn botten, lag in de sneeuw te schreeuwen en dacht dat niemand me hoorde. Toen ik weer opkeek, voelde ik zachte handen op mijn schouders. Talisvrouwen, telkens weer. Ze troostten me, wakkerden het vuur aan, gaven me warmte en kracht.

Toen ik in de lente wat aangesterkt was, kwam er een wervelwind voorbij. Daar was de zon! Daar was een huis dat de hoop heette en dat me even liet vergeten dat hij die ik het liefst zie sterven zal. “Gemaskerd in vederlichte dromen blijft u even genadeloos als andere seizoenen. Ga nooit intens houden van wat nog aan zichzelf twijfelt.” Ik hoorde de echo in mijn achterhoofd. Maar het was toch leuker om de muziek wat luider te zetten en nog een keer het glas te heffen. Op grote woorden die loos bleken te zijn. Op vlinders, op hij die vrienden probeerde te worden met mijn intuïtie maar daar roemloos in faalde.

De zomer die volgde was kort. Ik besefte dat ik geen wind in mijn zeilen nodig had, maar een stevig anker. Dat bood de zomer niet. “U was als een onhandige minnaar die met de ogen naar binnen gekeerd mijn lijf ontkent en daarbij zichzelf. Hij die nadien nog stamelt ‘ik wil je hart niet breken’ en weer wegloopt. U bent als de harde regen op mijn dak. Hoeft het echt zo theatraal? Dit lawaai staat u als keizerskleren. Het staat u niet.”

Toen kwam u. Ik keek in de spiegel en sprak af om met u wat vaker te huilen. Want deze verkramptheid, deze obsessieve herhaling, zij staan mij niet. Dus herfst, draag mij. Waai mijn bladeren weg tot fijne twijgen overblijven die zijn zoals ze zijn. Schenk me eenvoud, een pruttelende schaal in de oven en het gespin van de kat op mijn schoot. Zing mijn vrienden toe, mijn talisvrouwen. Schrijf hun dat er weer een koude winter komt. Gebruik mijn stem om ze te vertellen dat ik ze nodig heb.

Herfst, ik hou van u.

Marie

P.S. Uw portret werd geschilderd door A., die eerder dit jaar ook een brief van me kreeg.

vrijdag 14 september 2012

Het droeve verhaal van Kwepelsteeltje


In een land hier heel dichtbij woonde er een bloedmooie prins die Kwepelsteeltje heette. Kwepelsteeltje had op heel veel plekken gewoond en kon dus ook talloze bijzondere verhalen vertellen. Hij had met de antilopen geslapen, was voor de eerste vrouw in zijn leven een ijskoude zee overgestoken en aan de voet van de Akropolis had hij zachte liedjes voor de krekels gezongen. In de loop der tijd was zijn stem wat schor geworden. Zijn ogen waren steeds vaker bloeddoorlopen en zijn bruine krullen verloren hun volume.

Maar hij bleef betoverend. Zijn haren waren nog zo zacht dat het moeilijk was om ze niet aan te willen raken. En zijn irissen waren van het bijzonderste blauw dat je ooit gezien had. Werkelijk iedereen wilde in Kwepelsteeltjes buurt zijn. Dus werd hij overladen met fijne cadeautjes en aandacht. De champagneglazen klonken constant. Proost! Dat zo’n bijzondere prins uitgerekend hier wilde wonen, in een land dat grijs en grauw was en niet meer te bieden had dan een uitgekiende handelsmentaliteit en stevige melkkoeien in de wei. Dat moest gevierd worden, elke dag opnieuw.

Kwepelsteeltje had van zijn vader, die zonder kleren maar met stevige hand het land regeerde, niet enkel een huis maar ook een mooie, denkbeeldige kleerkast gekregen. Elke dag opnieuw stapte Kwepelsteeltje uit bed voor het donker werd en liep hij naar de kleerkast. Hij trok een wit pak aan of gespte een armband rond zijn prachtige polsen. Vaak tooide hij zijn haardos met een zelfverzonnen strooien hoed. Hij testte een grassprietje tussen zijn tanden uit of tuitte zijn lippen even voor de bedompte spiegel in zijn badkamer. Steeds voor hij de stad in trok, stak hij zijn tong uit naar de spiegel. Daarbij sperde hij zijn ogen open als een razende gek. Die stevige, dikke tong was zijn handelsmerk. Net als de initialen die hij onder elke liefdesbrief pende: 'Kw’. Het stond stoerder dan zijn echte naam, vond hij. Zo dacht hij ook over zijn tong. Je kan ermee liefhebben, je kan er de hele dag door duizenden koosnaampjes mee uitspreken, maar uiteindelijk ben je toch het stoerst als je ze uitsteekt.

Als hij het plein vlakbij zijn huis overstak, waren er altijd wel mensen die zijn naam riepen. “Daar loopt Kwepelsteeltje, de mooiste jongen van het land!” Ze vroegen of ze aan zijn ranke hals mochten ruiken en in zijn schouders mochten knijpen. Kwepelsteeltje liet het allemaal begaan. Hij werd graag aangeraakt, raakte in de war van al die mensen en verhalen en voelde zich het best als hij in de massa kon verdwijnen. Of dat dacht hij en als hij even anders vermoedde, duwde hij die gedachte snel weg. Zo lang hij die strooien hoed had, de armbanden en de vedertooien, kon niemand hem wat maken. Wat hij niet wist, was dat de mensen hem allemaal naakt zagen. Van zodra hij de hoek om was, gniffelden ze: “Die Kwepelsteeltje toch. Hij denkt dat we niet zien dat hij naakt is. Heb je dat gezien, dat zelfs zo’n mooie prins wat pukkels op zijn poep heeft?” De schaterlach van de massa weergalmde over het plein. Maar Kwepelsteeltje hoorde het niet. Hij stak zijn tong uit naar de winkelramen die zijn schoonheid weerspiegelden en liep vrolijk verder. 

Op een dag kwam Kwepelsteeltje dronken, dol en dwaas in een grote zaal aan. Hij kende deze plek als zijn binnenzak. Maar vandaag was er iets anders, wat meteen zijn aandacht trok. In het midden van de zaal stond een kleine spiegel. Het statief bestond uit een ivoren ruggengraat. “Dag spiegel,” fluisterde Kwepelsteeltje, “wat bent u uitzonderlijk mooi.” “Niet waar,” zei de spiegel, “ik ben wel mooi, maar niet zo bijzonder mooi als jij. Wel ben ik uitermate mooi bijzonder.”

Kwepelsteeltje stak zijn vinger uit en gleed er zachtjes mee over het kille oppervlak. De spiegel rilde. “Niet doen,” zei ze. “Waarom niet?” vroeg Kwepelsteeltje. “Ik vind je mooi en ik wil je aanraken.” De spiegel schraapte haar keel en vroeg hem zachtjes om nogmaals te kijken. “Wauw,” riep Kwepelsteeltje uit, “heb ik echt zo veel gedronken? Ik zie mezelf wel twee keer staan!”

De spiegel maande hem tot stilte aan en vertelde rustig waarom ze zo bijzonder was. Wie in haar keek, zag wie hij was en wie hij kon worden. Wat wel een beetje vervelend voor de spiegel was, was dat ze zelf even duidelijk beide spiegelbeelden zag. Ze wisselden elkaar af als een flikkerlicht en ze wist nooit zeker wie de persoon zou worden als hij even niet meer in de spiegel keek. Toch waren al veel mensen, vooral mannen, betoverd geraakt door de spiegel. Een Grijsaard, een Grote Boze Wolf. En elke keer was het flink misgelopen. Vandaar de blutsen aan haar rand en de barsten in het glas. Jarenlang had Peter Pan voor de spiegel zijn glimmende, witte tanden gepoetst. Dat was een heerlijke tijd geweest. Maar toen hij in de spiegel had gezien dat hij de oorlog in moest, had hij haar verlaten.

Kwepelsteeltje kreeg een brok in zijn keel van al die droevige verhalen. Zo’n bijzondere spiegel, die wou je toch niet stukslaan? “Je steekt je tong niet naar me uit!” zei de spiegel. “Nee, dat klopt, daar heb ik helemaal geen zin in. Ik wil eeuwig naar je kijken. Maar… ik heb een geheim.” “Dat weet ik, dat je een geheim hebt”, antwoordde de spiegel. Zij wist alles in een oogopslag en had meteen gezien dat Kwepelsteeltje niet zo flink zijn tanden poetste. Ook zijn prachtige ogen zagen er moe uit. “Wil je me over je geheim vertellen?”

Plots werd Kwepelsteeltje boos. “Welk geheim, ik heb geen geheim!” “Maar je zei net zelf…” “Niet waar,” riep Kwepelsteeltje, “ik zei dat ik me bij jou krachtig voel en bij mezelf ook, ik heb helemaal geen geheim! Iedereen kent mijn naam en ik woon niet bij een spinnenwiel!” En hij drukte zijn prachtige lippen op de spiegel, streelde haar oppervlak tot ze huiverde. “Wauw,” zei hij verwonderd… “een spiegel die kippenvel krijgt. Ik heb al veel gezien in dit leven, maar dat nog nooit. Wat ben je prachtig. Zullen we samen kinderen maken?”

“Dat is een beetje moeilijk,” zei de spiegel. “Als een prins en een spiegel kinderen willen krijgen, moeten ze flink hun best doen. “Kijk me eerst nog maar een paar maanden goed aan. En dan niet naar mijn omlijsting, maar naar het midden, daar waar je je eigen blauwe ogen ziet.”

Kwepelsteeltje vroeg aan de spiegel of ze mee naar zijn huis wilde komen. Ze twijfelde even, want ze zag de bloeddoorlopen ogen en vermoedde sigarettenpeuken onder zijn bed. Maar toen zag ze ook een berglandschap en een vinger die tergend traag over haar ruggengraat ging. Ze besloot met de duistere prins mee te gaan en luisterde nachtenlang betoverd naar het gegrom dat uit zijn leeuwenkeel opsteeg. “Wat een gevaarlijke, maar prachtige prins,” dacht ze. “Ik heb al veel gezien in dit leven, maar met hem kan ik wel heel bijzondere verhalen vertellen.”

Toch bleef ze erg op haar hoede. Zijn geheim bleef als een mistbank tussen hen in staan die alsmaar voller werd. En hoewel ze hem verschillende keren op het hart drukte dat hij haar alles kon zeggen, omdat ze toch alles zag, perste hij steeds vaker zijn zachte lippen op elkaar. Verschillende keren probeerde ze het hem uit te leggen. Dat de gevaarlijkste geheimen die geheimen zijn, waar heel de stad over fluistert. De geheimen die iedereen kent, maar niemand uit durft te spreken tegen de persoon die het geheim bewaart. Ze besefte ook dat Kwepelsteeltje zijn eigen geheim zo vreselijk vond, dat hij het op geheimzinnige wijze steeds probeerde te vergeten. Dus werd het steeds mistig toen hij in zijn bijzondere spiegel keek. Het beeld van wie hij kon zijn, werd vager en vager. Terwijl in het begin het hele universum zong als hij zijn bijzondere spiegel streelde, werd hij nu bozer en bozer. Want de spiegel bleef maar over dat geheim zeuren. En zelfs als ze doodstil was, zag hij in zijn gespiegelde ogen wie hij wel wilde, maar niet durfde zijn.

Hij keek steeds vaker weg. Dat merkte de spiegel natuurlijk. Op een dag zei de spiegel: “Het geheim of ik.” Kwepelsteeltje huilde zoals hij nog nooit gehuild had. Hij zei dat hij er thuis over zou nadenken en liet de spiegel onbedekt staan. Thuis liep hij vliegensvlug langs zijn bed naar de badkamer. Daar liep hij naar de badkamerspiegel, de doodnormale spiegel die hij jarenlang gebruikt had. “Hé, spiegel,” riep hij. “Ik heb een andere spiegel leren kennen, die zegt dat ik een geheim heb. Wat denk jij?” De spiegel zweeg. Hij vroeg het nog eens. De spiegel spiegelde. Eén beeld. Een strooien hoed, getuite lippen. Kwepelsteeltje keek tevreden naar zichzelf. “Zie je wel, dat ik geen geheim heb.” Hij besloot zijn tanden nog eens te poetsen. Dat was tenslotte al lang geleden. En witte tanden komen van pas, als je een heerlijk frisse vrouw bij haar nekvel wil grijpen. Dat hij er ooit aan had gedacht kinderen te maken met een spiegel. Hij stak zijn tong uit.

dinsdag 11 september 2012

Drie dromen voor het slapengaan


In mijn wildste dromen wurg ik je in een handomdraai. Sis ik je toe met een tong waar jij een puntje aan kan zuigen, bijt ik tot ik bloed proef. En dan ben jij al wat onbegrepen bleef, wat als de wol van Ariadne mijn adem afsnijdt. Hopsakee, korte metten. Dat werd tijd, dat kreeg plek, vooruit met de geit. Dit labyrint ken ik als mijn binnenzak.

In mijn zachtste dromen schrijf ik als het windstil is. Als jij met een vingertop mijn ribben telt. Als je niet met je tanden knarst en het gespin van de kat de kamer vult. Daar volgt een oog een veer, volgt een veer een stroom. Hebben we dit alles niet nodig. En dan mag jij jij zijn, maar even goed ikzelf.

Tussen beide dromen ben ik elke dag moe. Elke dag droever, elke dag gevoeliger voor het kraken van de ruggengraat. Elke dag meer op zoek naar de spiegel waarin ik enkel mezelf kan zien.

zondag 9 september 2012

Op sterk water


Daar staat je naam op een bokaal.
Tussen de terrordontidae en andere wezens
met opgezette buiken. Naast die ene spier
die niet te controleren valt.

Zelfs op sterk water zie je er best goed uit.
Maar verder klopt er niets. Ik heb vandaag
op het glas mijn vingerafdrukken laten staan.
Dat was niet de bedoeling.

Ik wilde onaangeraakt blijven. Wederzijds.

Gaan zonder een traan. Schrijven ‘het was een droom’
en dan verder doen met alles, spiegels wassen
en andere aloude gewoontes
die zo moeilijk af te leren zijn.

Houden van bijvoorbeeld.


zaterdag 18 augustus 2012

Voorzichtig


En dat het er zo mooi uitziet, zeggen ze. En dat ik het – misschien - nog mooier wil laten lijken. Inderdaad, dat is klaar als helder water. Maar naast mooi mag het vooral niets anders dan eerlijk zijn. Want daarin schuilt alles van waarde. Zoals de berglucht die in mijn longen schuurt en naar nieuwe adem zoekt. Zoals het verlangen dat langs de heuvels glijdt, dat zich nooit zomaar naast de ander neer laat leggen. Zoals de wolken die in hun schuiven ruimte bieden.

De puzzel wordt nog niet gelegd. Daar is de tafel te vol voor. Als je ons legt, begin dan met de hoekjes. Na de scherpe randjes wordt het makkelijker. Vraag aan kindervingers om je te helpen. Kijk naar de lijnen in je handpalm. Vraag me wanneer ik eerder van mijn pad afweek. Strooi de kiezels onderweg. Speel luchtgitaar. Laat verbeelding zegevieren over wat we kennen. Over waarmee we elkaar opvullen en verdwijnen.

Dat ik het mooier wil laten zijn. Misschien is dat klaar als water. Maar misschien is dat wat liefde is. En zijn er geen beelden voor hoe jij het vlees zorgvuldig in kleine stukjes sneed. Wat die aanblik met me deed. Van jou die sneed voor hem die nooit moest zoeken naar manieren om me te verteren.  

donderdag 26 juli 2012

Brief aan Didi De Paris


Dag Didi De Paris,

Jij hebt geen vormen nodig, zeg je. Behalve hele ronde dan. Zonder vorm wordt het plezanter in die ruimte, want dan glijdt het allemaal langs elkaar heen. Af en toe een botsing, een knetterende slag op de cimbalen. Dat het maar goed vonkt, daar waar geen vorm bestaat.

Ik roep dat ook. Dat ik geen kader nodig heb. Maar niets benauwt me zo als het luchtledige. Dus schrijf ik ‘dag Didi’ bovenaan (en kras die aanspreking als het nodig is weer weg) en stort me met ogen toe in mijn gevoel. ‘De diepte in’, dat is dan de bedoeling. Maar toegegeven, mijn nagels slijten door het wanhopige gekras aan het oppervlak.

Toen ik vertelde dat ik naar Zwitserland ga, kwam jij met Julie Andrews. Ik weet niet wat het is, maar ik heb haar altijd doodeng gevonden. Omdat ze zo vormelijk is? Omdat ze elke letter vastklonk aan een woord? Omdat ik als kind al voelde dat we in deze heerlijke chaos geen trutjes als haar nodig hebben? Of omdat ik voelde dat ik haar net als Tiny broodnodig had? Hun volle kuiten om tegenaan te schoppen? Hun warme schenen om tegenaan te wenen?

Geen idee. ‘Lees Bataille’ – zeg jij. Dat deed ik al, in mijn eerste relatie. Ik herinner me er weinig van. Behalve dat het heerlijk was. Te houden van wat bij de ander net buiten de vormen valt. Ik heb er nog steeds geen lessen uit getrokken. Door steeds op zoek te gaan naar wie de grenzen overtreedt, wie wild wordt in een pashokje, vermijd ik de diepte waar ik zo van beweer te houden. Hoe ver ik ook ga, ik blijf zo vreselijk braaf cirkelen rond de ja/nee-vraag. Brrr.

Hoe volgens mij de apocalyps eruit ziet? De wereld op zijn kop. Vrouwen met dichtgeknepen ogen op een terras die tussentands fluiten naar het vleeswaar dat op zomerdagen voorbij paradeert. ‘Een heerlijkheid’, hoor ik je al roepen. Niet waar. Je zou je klein gaan voelen. Klein en teleurgesteld. Want je wil zelf jagen, zelf keuren. Zelf op zoek gaan naar wat je toch geen voldoening schenkt.

Ja, ik ga naar de Alpenwei. Ik zal er recht in de ogen kijken en elke vermomming de berg af gooien. Dat doen ze maar op tv. Met mijn muze glashelder voor me zal ik me afvragen wat in mezelf me steeds weer de mond snoert. En als ik dat weet, zal ik schrijven. Jou misschien. Of al die anderen die er zijn voor de vorm.

Liefs,
Marie

vrijdag 13 juli 2012

Brief aan D'Angelo


Beste D’Angelo,

Ik heb even weerstand geboden, maar kan toch niet anders dan je deze brief schrijven. Schrijf ik niet, dan slaap ik niet en zweet ik uit. Neem hem niet te persoonlijk, deze brief. Of juist wel. Begrijp hem zonder mijn taal te spreken. Zoek de tolk in je hart.

Het zit zo. Ik heb een behoorlijk nieuw, auw-auw-stout en onnavolgbaar allerliefst lief. En gisteren hadden we een discussie die meer dan op ruzie op een brief leek. Alleen de duif ontbrak. (De wonderen zijn de wereld nog niet uit, als de liefde je tegen wil en dank, tegen elk beter weten in, bij de lurven grijpt.) Onze discussie ging over jouw demonen. Over hoe ik in de virtuele ruimte het donkerbruin vermoeden dat in me woekert had geuit. Dat jij zaterdag op het podium van Gent Jazz weer te veel rommel tot dat ooit zo mooie lijf van je zal hebben genomen, waardoor de show maar half zo funky zal zijn als hij kan zijn. En dat na een decennium van stilte, worstelingen en veroordelingen, dat na de verbluffende comebackconcerten van afgelopen winter… dat na al die tijd de verslaving opnieuw heeft gewonnen van je talent en goesting om muziek te maken.

Het ging in de discussie niet eens zozeer over het eventuele vooroordeel. Want misschien zat het je op North Sea Jazz echt niet mee. Was je kanarie net gestorven, of had de backstagekat in je gitaarkoffer gekakt, waardoor je een uur te laat op het podium verscheen. Misschien had het publiek wel stof in de oren en was het wel een goed concert. Ik was er tenslotte niet zelf bij. Dat kan allemaal, maar daar ging het zelfs niet om.

Waar het wel over ging? Onszelf uiteraard en met ons de hele wereld die we tegelijkertijd liefhebben, verachten en willen veranderen. Dat je dan het beste bij jezelf begint, is klaar als een klontje. Maar hoe dan? Door niet te oordelen? Door niets te verwachten? Door duidelijke grenzen te trekken? Door te vergeven of te leren uit het verleden? Of is er geen ‘of’? Is er enkel: steeds opnieuw… ja dat.  

Ik zit ermee, met die vragen. Ik zit er flink mee. Ik voel de stekels op mijn rug maar wil geen cactus zijn. Ik hoor de bittere woorden die terloops uit me vloeien maar wil geen pompelmoes zijn. En toch – denk ik vaak boos – heb ik genoeg reden om een heel trotse pompelmoes of cactus te zijn. Maar ook al zijn dingen verklaarbaar, ze zijn niet zomaar goed te praten.

D’Angelo, duivelse engel van me. Ik kom hier niet uit en kan me wel een betere gids in dit doolhof bedenken. Ik beloof je één ding. Ik zal zaterdag vooraan komen staan en je bemoedigend toelachen. Ik zal mijn uiterste best doen om je niet af te schrijven als een mislukt product waarvoor ik te veel geld betaalde. Ik zal je zien voor de mens die je bent, met dezelfde vragen en angsten als een vrouw die na vijfentwintig jaar schrijven nog steeds de moed niet vond om een boek te maken. Ik zal je zien als de vrouw die zichzelf meisje blijft noemen, een vrouw die ondanks de zure nasmaak in haar mond en de stekels op haar rug met gulzige handen wil beminnen.

Kijk naar je gitaar. Kijk naar je handen. Luister naar je stem. Kijk in de spiegel. Begrijp dat je het daarmee zal moeten doen.

Liefs,
Marie


woensdag 11 juli 2012

Overzicht optredens Gentse Feesten 2012

Ik ga dit jaar zes dagen naar de Gentse Feesten en ik ga er meer doen thee drinken in het Baudelopark of met een Irish coffee in de hand 'onder den bol' afspreken als de zon opkomt. Ziehier het overzicht van optredens/namiddagen waarop u van harte uitgenodigd bent:

- 16 juli, vanaf 21u.: Marie & Muze in Los Perros Calientes, bij het tiendaagse programma 'En het grootste deel schreven we samen in bed' dat dit jaar voor de vijfde keer door de Wolven van la Mancha georganiseerd wordt.
- 17 juli, van 15u. tot 20u. (vrije inloop): 'Met huid en haar: poëtisch-muzikaal thee- en kapsalon'. Met verse thee van gastvrouw Eef, bijzondere knipbeurten van kapper/muzikant Q, optredens van Harold K, mezelf en een aantal special guests. De exacte locatie wordt op Facebook bekend gemaakt, dus meld je even aan als je langs wil komen. Als je je haar wil laten knippen, wordt een mailtje naar de kapper gewaardeerd.
- 18 juli, van 18u. tot 21u.: Marie & Misschien Muze bij 'Dichters in 't Raam!', Lottes Leescafé, Ottogracht 50
- 19 juli, 13u.-17u.: 'Hinnikende Goden', een rijkgevulde literaire namiddag die samengesteld werd door literaire tijdschriften Kluger Hans en Deus Ex Machina. En dat in de adembenemende Lakenhalle van Gent.

En verder vindt u mij waarschijnlijk in het publiek bij de optredens van D'Angelo, Helder, La Femme Belge en Het Zesde Metaal. Laat dat meteen mijn tips zijn.

Tot dan?

vrijdag 6 juli 2012

Voor de jongen die klein wil blijven


Als we een zeepbel waren die de scherpe hoeken van de gang overleeft. Als we helemaal onszelf konden zijn. Even if that somebody was me. Of een kikker met een pluizige poot die fluks van tafels springt. De honderd kusjes op de stoute kat. We could go to the movies and cry together. We zouden van onszelf houden en van elkaar en van ieder ander, maar dan niet zo raar. Het missen zou als vogels zijn waarnaar je lang kan staren. Zonder dat men vragen stelt over waar je blik heen moet en waarom je droevig kijkt als je blij bent. Als we samen konden zijn als de zoete kruimel die op de grond overblijft. Het detail waar jouw blik op valt. En de mijne. 

Een jaar later


Sommige nachten herhalen zich. Ze vervellen weliswaar en tonen andere huid. Die steeds minder strak gespannen staat. De weerhaken vinden hun weg door elke laag.  Verder verandert er niets en kwaakt er een kikker, zweet een lijf beloftes uit. Dichtbij koester ik steeds wie langs mij kijkt. Een jaar later heb ik nog steeds een vader. Een stem die zwakker klinkt. Een hart dat op een maag lijkt. Een maag op een steen. Een steen op een man. Een droom op een leven.

zaterdag 30 juni 2012

Bezittingen op een zomerdag


Er zijn frambozen op de taart. Er is het zweet op mijn wang. Het vlees dat ik voor mijn vader vermaal en in gember en knoflook wentel. Dit alles is zeker: de kat die met het vet tevreden is en tussen deuren en verwarring glipt. De zon op een boek. Een boek in mijn schoot. Er is het maatje dat licht rottend nergens bij past. De twee gordijnen die in de onrust zijn vergeten. De meubels die haastig zijn aangedragen en nog naar beesten ruiken. Dit is mijn huis niet, slechts een deel ervan. Dit is wat traag verandert en zich razendsnel aandient. Dit is wat af en toe verlichting brengt en boven alles verteerd moet worden.

En dan rest er wat ik niet af kan leren. Dat ik een hart heb. Waarvan de grootste kamer misschien te klein zal blijken. De wanden nog te nat, het bloed nog te bang, de adem nog te broos. Ik heb een weegschaal die zwaar doorweegt als ik ze vederlicht betreed en een lijf dat hijgend in treinen uitblaast. Ik heb een boze stem die met geen stokken buiten te krijgen valt. Ik fluister en sluit mijn oren voor wat verder in mij breekt. Dit is wat ik niet kan verteren of verleren. 

vrijdag 22 juni 2012

Een kampvuur, stortregen en slaapzakken die je aan elkaar kan ritsen

Drie weken geleden doken mijn muze en ik op in twee Belgische kranten. En nu trek ik voor het eerst in mijn leven naar de provincie Drenthe, alvast aangekondigd in een artikel in het Dagblad van het Noorden. In het artikel vertelde organisatrice Maija van Midsummer Festifarm over de filosofie van het festival in Drenthe. De foto zorgde voor enige oproer toen de krant het - ondanks mijn en zijn uitdrukkelijke vraag - toch niet nodig vond om de wensen van de fotograaf te respecteren. Gelukkig volgde er een rectificatie en krijgt Kasper Vogelzang nu wel waar hij met zijn integere foto's recht op heeft.

Ik vermoed dat minder dan 1% van mijn lezerspubliek in de provincie Drenthe woont en amper 2% bereid zou zijn om morgen om 16u.15 naar mijn voordracht te komen luisteren. Zonde, want het lijkt me er heerlijk. Kampvuren, kunstinstallaties, mooie muziek, eerlijk eten, een bos... Ik pak naast een stapel gedichten & Kluger Hansen alvast twee slaapzakken in die je aan elkaar kan ritsen. Straks naast de 'pillamp' ook de muze en bijhorende gitaar niet vergeten en dit weekend wordt heerlijk. Zelfs als het regent.

Vergis u trouwens niet: in alle meligheid maak ik me ontzettend druk over dingen. Over een paar weken is deze waanzinnige werkmarathon voorbij. Verwacht u aan meer woorden. En noteer alvast 16 juli - 'Marie en muze' - in uw agenda. Op de Gentse feesten. Wie weet wordt u dan ook gekortwiekt.  Waarover later meer.

donderdag 31 mei 2012

Zaradi Tebe 2012

Het is hier weer wat stiller. Maar stil zal het in Gent dit weekend niet zijn. Want op Zaradi Tebe verschuil ik me tussen mooie vrouwen in lingerie. Ik zal, zelf uiteraard uiterst kuis gekleed, mijn minst kuise en liefste teksten in uw oren fluisteren. Doorlopend op zaterdag van 14u. tot 16u.  en van 17u. tot 20u. En op zondag opnieuw van 13u. tot 16u. En ja, de geruchten zijn waar. Mijn muze zal in hoogsteigen persoon een tipje van zijn betoverende sluier optillen... Want muzes steek je niet in kooien, maar deel je met stamvaders en talisvrouwen. Tot dan?

woensdag 16 mei 2012

Voornemen en verzoek


Wakker worden na weer een dag als een berglandschap. Met een hand op een hart, met een snurkende muze. Glimlachen omdat de nieuwe dag weer doldwaas draaft. Plots wordt de pas afgesneden. Omdat het onweer boven mijn hoofd uitbarst. Omdat paniek me overvalt, verdriet met onmacht danst, grijnzend door mijn aders walst.

Een voornemen maken. Je ne suis pas prudente aujourd’hui. Misschien ben ik vandaag wel veel vrouwen tegelijk. Op het scherp van de snede. De geliefde. De dochter. De geliefde dochter. De lerares die van haar lesprogramma afwijkt. De schrijfster die met tranen in de ogen vooraan in het lokaal staat. En niets anders kan dan huilen. En daar vrede mee neemt. Daarmee elke oorlog aandurft. Elk stormweer trotseert.

Verzoeknummers kunnen tot half twee aangevraagd worden. 

maandag 14 mei 2012

Brief aan mijn muze


Liefste muze,

Ga rustig zitten. Zoek geen troon in deze kamer. Deze simpele stoel naast mij is voor u bedoeld. Het spijt me van de kattenharen die na afloop aan uw begeerlijke kont zullen kleven. Of nee, dat spijt me niet. Want de kat maakt deel uit van een harem die we delen maar nooit bezitten. Groet meteen de talisvrouwen aan uw zijde. Kijk. Met de ene deelt u de zachte krullen, met de andere de vederlichte streling die door mijn haren waait.

Toegegeven, ik had me u anders voorgesteld. Zelfs mijn vlijmscherpe intuïtie kon zich vooraf geen beeld vormen van uw contouren. In mijn wildste dromen dacht ik dat u een vrouw zou zijn, met deinende borsten en zoetgeurend vel. Maar nu u er bent, herken ik u glashelder. U heeft een hart dat op het mijne lijkt. Wat zijn we mooi samen. Open uw hand. Kijk hoe een vogel opstijgt. Kijk ook hoe de vlinder landt. Hoe zijn vleugels zich openvouwen en weer sluiten. Als ademhaling. Ritmisch. Geven, nemen. Of beter: schenken, aanvaarden. Liefhebben en bemind worden.

Ja, u begrijpt het goed. Ik ben niet lui, wat dacht u wel? Ik zal me niet zomaar laveloos drinken aan uw gezangen. Ik schrijf niet voor niets mijn eigen wetten bij elkaar. Af en toe zal ik u streng toespreken. Maar vaker zal ik zingen, op zoek naar de toonhoogtes om elke dag meer van u te houden. Echo: meer van u te houden. Meer van u te houden. Ik leg de eerste letter van uw naam steeds weer op tafel. Glans. Mensen zullen versteld staan hoeveel woorden er gevormd kunnen worden met die weerbarstige letter. Mysterieus en rond, met een krul onderaan. Of een stokstaartje dat stijf staat van verwachting.

Beste muze, we spreken elkaar later vanavond. Om middernacht bijvoorbeeld. Ook al twijfel ik niet aan ons verhaal, ik moet mijn woorden even sparen. Om meer van u te houden.

Adem in, adem uit,
Je Marie

P.S. Het is geen kont trouwens, maar een poep.
P.P.S. Ik mag mijn tongval niet verloochenen. Wen er maar vast aan.
P.P.P.S De soundtrack van dit bericht? De stilte.

dinsdag 8 mei 2012

Introductie

Het is al een tijdje stil. Omdat ik in een ver land bij mijn vader was en omdat dat heel bijzondere dagen waren. Maar ook daarvoor was het stil. Oorverdovend stil, overdonderd muisstil. Ik vroeg om een muze en ik kreeg jou. Ik las voor het eerst het ‘bericht aan mijn toekomstige’ aan een publiek voor. Je ademde op een meter afstand en kwam me daarna in het donker kussen. Drie weken later lig je hier. Ik schrijf, jij slaapt, alsof niet ik maar jij net de halve wereld over bent gevlogen. Je ligt hier, alsof het logisch is dat ik je na die weken van stilte zo introduceer. De man die er altijd al was, de man die op zijn rug slaapt alsof de hele wereld met hem slaapt. De ene hand heb je op je hart gevouwen, de andere raakt me zachtjes aan terwijl ik letters tik. Je slaapt met een glimlach op je lippen. Je lach, het broertje van de mijne, waarmee ik die eerste avond naar huis fietste en die sindsdien door al het verdriet opwelt en om vertrouwen vraagt. Een lach als een kus. Een kus als een huis. Een huis als een liefde. Een liefde als een leven.

Sinds we zo lachen, ben ik meer dan ooit een magneet voor verhalen. Mijn hart is open en wat een maand geleden nog een open wonde leek, mag nu alweer een spiegel zijn. Ik kijk. Ik zie je. Je bent mooi. Zorro ben je niet. Don Quichotes zwaard komt nog niet aan jouw hielen. Je komt uit het land van de windmolens, maar in jouw bloed zingen klinkers uit de verste uithoeken van de wereld. Toen je voor het eerst zo bij me sliep, ongedwongen op je rug, alsof er geen pen was die jou hongerig wou beschrijven, vroeg ik waaraan je dacht. ‘Aan Lullaby van Brahms’, zei je, ‘en aan alle vliegtuigen die elkaar op dit moment kruisen in het luchtruim.’ Twee seconden later sliep je weer en ontsnapte uit je keel een geluid, dat vrees ik echt van jou is. Het was meteen de eerste zonde die ik je met heel veel liefde heb vergeven.

woensdag 18 april 2012

Uitslag poll 16: "Dagen zonder vlees"

Het wordt tijd om de bezinningsperiode af te sluiten, voor ik naar China vertrek om me bij mijn vader en zus te vervoegen en de stamelende lente haar nieuwe geluid laat klinken. In de laatste poll vroeg ik wie meedoet aan de actie ‘Dagen zonder vlees’. Een actie die in Vlaanderen best succesvol is en waar tijdens de vastenperiode voor Pasen vleeseters uitgedaagd worden om veertig dagen lang zo min mogelijk vlees en vis te eten. Ik deed met eigen recepten mee en at minstens vijf keer per week vegetarisch. Het viel mee en ik viel verder af. En jullie?

Vierentwintig mensen brachten een stem uit. Acht daarvan zijn vegetarisch. De tweede plaats gaat naar de zeven mensen die het een ‘stomme geitenwollensok-actie’ vonden. Van een contrast gesproken. Zijn de GeenStijlers weer ongemerkt binnengevallen? Twee mensen aten veertig dagen geen vlees en zes mensen pasten de spelregels aan en deden zo goed mogelijk mee. Éen verloren zieltje kwam uit de lucht vallen.

Oh ja, ik treed morgen op in het Amsterdamse Pakhuis Wilhelmina. Op Pageturner, een verrassende en fijne avond met verschillende korte (muziek)optredens. Welkom!

donderdag 12 april 2012

Achter de schermen opgevist

Ontroerende, provocerende of andere opvallende reacties van lezers in een blogpost plaatsen. Pascal Digital doet het al een tijdje op zijn blog. Ik heb besloten om vanaf vandaag zijn voorbeeld te volgen en ook af en toe een reactie onder de aandacht te brengen. Dat kan geen kwaad in een virtuele wereld die vooralsnog erg hiërarchisch is ingedeeld. Die hiërarchie stoort me steeds meer. Ik wil verontwaardiging, ontroering, beweging, reactie, discussie, verandering, inzicht, actie. Vandaar.

Martin Pulaski heeft een nieuwe reactie op uw bericht "Protest" achtergelaten:

Soms houdt de stilte je gevangen. De stilte als isolatiecel. Hoe raak je daar uit? Ik weet het niet. Door te protesteren tegen de bewaker? Of de 'gevangenisdirecteur'?

Zolang een mens een stem heeft moet hij protesteren tegen het onmenselijke in de mens (ik denk nu aan Primo Levi's 'Is dit een mens?). Zolang hij woorden vindt mag hij zich niet neerleggen bij wat onvermijdelijk lijkt. Een meldpunt voor illegaliteit is zeer vermijdelijk: het is een van die 'ideeën' die we en masse moeten verwerpen. We kennen ze maar al te goed.

Bedankt voor je protest, Marie.

maandag 9 april 2012

Kattebelletje aan de Vrijheid I

Ja, Vrijheid, u leest het goed. Deel I. Dit wordt zonder enige twijfel vervolgd. En de twijfel die ik nu koester is wel erg lichtvoetig en veelkleurig van aard. Mijn ogen doen pijn van het licht. Ik weet niet goed waarom ik straal en wie ik aan wil raken. Wat moet ik met deze mozaïek? Ontrafelen of in elkaar puzzelen?

U overvalt me. Als een zwaar boek dat naast ontzettend veel wijsheden ook verraderlijke grappen bevat. Ik mag niet te hartstochtelijk lachen om alles wat u op mijn pad strooit, want de loodzware kern van uw komst draag ik elke seconde in mij mee. Maar ik doe mijn best om te luisteren. Belazer me alsjeblieft niet in ruil. Ik zal uw geheimen zo goed mogelijk koesteren en met liefde beschrijven. Tot zover.

zondag 8 april 2012

De marionet (someday you will ache like I ache)



Plots regent het sms'jes. Na de stilte de zondvloed. Eentje verwarmt mijn hart. Het andere doet me beseffen. En droevig glimlachen. Laat ik het beantwoorden met een gedichtje uit het jaar dat Kurt Cobain stierf. 1994: het jaar waarin ik heel diep viel en op zoek ging naar mezelf door meer te gaan schrijven. Ik was twaalf.

Ik voel me soms een marionet.
Het is iemand anders die me bestuurt.
Die iemand zegt wat ik moet laten of doen
en hoe en wanneer ik moet denken.

Hij fluistert het zacht in mijn oor
en zegt: 'Daar ben ik voor!'
Hij knijpt me zachtjes in mijn bil
maar vraagt me niet of ik dat wil.

Mijn beentjes en armpjes bewegen
maar ik ben niet degene die dat doet.
Dan krijg ik zin om heel hard te roepen:
'Jij bent JIJ en ik ben IK!'

En als dat niet zo is, dan zijn wij ziek.

Netwerkstoring

‘Heb jij mijn sms gekregen?’
‘Nee. Jij de mijne?’
‘Nee.’


Vierentwintig uur lang heeft een overijverige dj aan alle knoppen in mijn ziel gedraaid. Hij sloeg dat liedje over, zette een ander irritant lang op repeat, liet de ene herinnering in de andere faden en speelde als een kind met de volumeknop. Soms stond de muziek zo luid dat ik niets meer kon horen. Vermoeiend. Na een korte nacht vol wilde, heldere dromen werd ik wakker met het gevoel dat ik op een kruispunt sta. Dat gevoel overvalt me de laatste maanden vaker. Om de reis zo fijn mogelijk te maken, moet je goed om je heen kijken op zo'n knooppunt en voelen hoe het met je vermoeide voeten gesteld is. Is het tijd om te rusten of verder te gaan? Is er in dit onherbergzaam gebied nog een oude kennis die je op moet zoeken om bij een glas whisky een herinnering op te rakelen? Of is er niet meer nodig dan een simpel gebaar, een kus op de rimpels naast ogen, een slok uit de fles water die je op je rug meedraagt?

Maar in deze wereld is er geen echt kruispunt. Vooralsnog is er ook geen kampvuur in de buurt waar je een verward hart kan laten zwijgen. De zee ligt binnen handbereik, maar luisteren doen we aan de telefoon en niet door schelpen aan onze oren te leggen. Op zo’n knooppunt van roerselen stuur je dus sms’jes naar elkaar. De mijne waren kort. En voor mijn gevoel loepzuiver. Ik kreeg op geen enkel sms’je een antwoord. Misschien lagen de antwoorden niet binnen handbereik. Lopen de anderen, voor wie ze bestemd waren, in een geluidsdichte tunnel van glas. Of in een nauwe gang onder de grond, waar de muren al barsten vertonen maar er toch geen bereik is.

Misschien is de stilte geheel te wijten aan een stomme netwerkstoring. En worden de vogels misselijk van alle onverwerkte emoties die ze hoog in de bomen op hun bladerdak krijgen. Ik zal voor de zekerheid de ramen openzetten. Wie weet komt er straks een postduif aangewaaid. Met een brief in haar bek. Of een lucifer om een vuur aan te steken. Laat je telefoon thuis, als je me straks door de vlammen aankijkt.

Populaire berichten