Posts tonen met het label brief. Alle posts tonen
Posts tonen met het label brief. Alle posts tonen

dinsdag 28 november 2023

Nog een brief aan papa (voor wat zijn achtenzeventigste verjaardag zou zijn)


Dag papa,
 
Ik ben donderdagochtend wakker geworden in een extreemrechts en racistisch land. Niet voor het eerst. Maar in de ruim dertien jaar dat ik in Nederland woon, is het land wel steeds zichtbaarder extreemrechts en racistisch geworden. Donderdagochtend bleek de PVV de meeste stemmen te hebben gekregen bij de Tweede Kamerverkiezingen. Wat al jaren aan de gang is, valt in deze groteske gedaante echt niet meer te ontkennen.
 
In het kwetsbare land dat bedreigd wordt door een stijgende zeespiegel, lopen de polders als eerste onder. De steden blijven nog overeind, hun pleinen en straten stromen vol met mensen die ontzet de handen voor de ogen slaan en in hoge tonen praten over het bruine water dat hen steeds nauwer omsluit. De stijgende zeespiegel is troebel. Het is moeilijk om de bodem te zien, waarvan veel geschrokken inwoners hopen dat die stilaan bereikt is. Ik weet dat de bodem uit modder bestaat en dus wel vruchtbaar is, net als alles verzengende lava. Maar modder staat vooral bekend om de trage, vettig slurpende, zuigende kracht, daar kom je niet makkelijk uit. Neoliberaal wanbeleid, decennialang de kwetsbaarste mensen de dieperik in trappen, steeds kleinere stallen bouwen voor de zondebokken… de gevestigde macht, met de VVD voorop, pakte de inwoners van dit land bij de hand en trok hen, met steun van hun belastinggeld, mee naar de bodem.
 
Nu een extreemrechtse partij met als centrale standpunt moslimhaat als grootste uit de stembus komt, hoor ik amper de vraag om collectief een vuist te maken tegen moslimhaat. Kritiek op de oorlogsmisdaden van Israel kan je daarentegen niet leveren zonder dat je eerst tien keer luidop de aanval van Hamas hebt veroordeeld en je afschuw over antisemitisme hebt uitgesproken. Nederland lijkt Duitsland wel. Steun voor Palestina schiet in het verkeerde keelgat van deze landen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog gewillig meewerkten aan de Holocaust. 
 
Ook de alliantie van PvdA met GroenLinks hamerde, toen de bommenregen op Gaza op 7 oktober begon neer te vallen, meteen op het absolute recht op zelfverdediging van het extreemrechtse regime van Netanyahu. In anderhalve maand tijd zijn er zo’n vijftienduizend mensen vermoord, bijna de helft daarvan zijn kinderen. Of de oorlogsmisdaden onderzocht moeten worden, de militaire samenwerking met Israël stopgezet, of er sancties moesten komen? Dat vond verenigd links in Nederland maar moeilijke kwesties, het onthield zich van stemmen. Wie het snel oplopende dodental onder burgers, vooral vrouwen en kinderen, de witte fosfor en honger en dorst, de gebombardeerde ziekenhuizen en scholen een genocide durft te noemen, loopt dus het risico het verwijt te krijgen antisemitisch te zijn. Dat overkwam mij ook, papa, terwijl ik tussen talloze interviews door een boek probeer te schrijven over hoe oorlogstrauma's generaties doorwerken. Al zowat mijn hele leven wik en weeg ik woorden en stilte, om dat stukje Joods-zijn een plek te geven. Jij weet hoe beladen deze - deels opgelegde - zoektocht is. Papa, ik voel me moe en opgejaagd. Het is zo’n evenwichtsoefening, dat blijvend balanceren tussen zelfzorg en nodige verontwaardiging. Ik moet me een weg banen tussen antisemitische complotten enerzijds en de zionistische propagandacampagne anderzijds. 
 
Ook Rutte is net als zijn mentor Wilders een goede vriend van Netanyahu. Met vrienden kan je goed zakendoen. In de gedoogcoalitie van Rutte I met de PVV stond de steun aan Israël ook centraal. Verenigd links heeft de voorbije dertien jaren nooit het lef of moreel besef gehad om dit grondig aan te kaarten. Wie vandaag protesteert over schendingen van het oorlogsrecht en wijst op de grondwet en de universele rechten van mensen krijgt het predicaat ‘extreemlinks’ te zijn. Deze glijdende schaal ontwricht het evenwicht in de maatschappij al lang.
 
De panterpostbode zal de vermoorde kinderen in de Gaza later nog een brief bezorgen. Elk kind heeft toch verdomme recht op sprookjes, op griezelverhalen over reactionaire wolven, maar ook op verhalen over bebrilde weerwolven en krachtige heksen die uit de as herrijzen en zich de mond niet laten snoeren. Of ook de pieten hun schoen mogen zetten, daar konden we een democratische beslissing over nemen, op de website van het Sinterklaasjournaal. Ook Belgen mochten stemmen, dus vroeg je kleinzoon met enige ongerustheid of ik niet vergeten was om mijn stem uit te brengen. Hij vindt dat pieten hun schoenen niet mogen zetten. Van mij mogen ze het wel, maar niet bij onze schoorsteen liefst, al die zweetschoenen van vieze mensen die we niet kennen. Toch?
 
Papa, ik weet nog steeds niet hoe je fascisten het best bestrijdt, het is een vraag die me al sinds Zwarte Zondag op 24 november 1991 bezighoudt. Jij werd die dag zesenveertig en het Vlaams Blok de grootste partij in het Antwerpse kiesarrondissement. Ik kan me geen toeters, bellen of slingers herinneren, geen taart, wel een kaars die uitgeblazen werd en de angst die in bed urenlang rillingen over mijn breekbare, tienjarige lijfje joeg. 
 
Goed slapen lijkt me de basis, in deze strijd. Dus misschien begrijp je wel dat ik op de verkiezingsdag al voorzorgsmaatregelen trof en in een smartshop straffe CBD-olie haalde. De man achter de kassa had een diepe frons tussen zijn ogen. Hoe lang zullen smartshops overleven, met hun paddenstoelen, plantenolies en wonderlijke kruiden die je laten dromen en in liefde geloven? Wat staat er ons nog meer te wachten? Hoe helpen we zij die nu nóg uitdrukkelijker geviseerd worden door de politieke agenda, die zich bedreigd voelen in hun bestaansrecht? In het verkiezingsprogramma van de PVV staat dat ik als buitenlander een werkvergunning moet aanvragen, maar misschien geldt dat niet voor zzp’ers. En wat als ik binnenkort tijdens een verplicht inburgeringsexamen gevraagd word naar de kleuren van de knechten van de Sint? Mag ik ze dan nog in regenboogkleuren schilderen? Mogen ze zelf ook voor het voornaamwoord 'die' kiezen? 
 
Emigreren is een wensdroom die opleeft. Maar ik weet niet of ik nu wil dromen. En waar zou ik heen emigreren? Ik heb getwijfeld over België, want dat taaltje is zo zacht. De kans is echter groot dat extreemrechts ook daar in de lente als grootste uit de stembus komt. De weg is in ieder geval bereid. Ook in ons vaderland hebben de fossiele industrie, de banken, de wapenhandelaars en de moordenaars de echte macht in handen. Ook in ons vaderland liggen fundamentele sectoren als onderwijs en zorg onder vuur. Maar daar zijn er nog wel strijdvaardige vakbonden, in België lijkt het middenveld minder verkruimeld dan in dit gekke, holle land. Maar papa, toch wil ik hier niet weg. Ik wil genieten van de nieuwe fase die in Utrecht net gestart is, ik wil leven, ademen, schrijven, liefhebben, het fascisme bevechten en erop vertrouwen dat hier en daar, in de zwarte aarde, steeds meer zaadjes ontkiemen.
 
Gek hé, jij bent in jouw zevenenzestig levensjaren nooit wakker geworden in een land waar extreemrechts het voortouw mag nemen in de coalitievorming en de premier mag leveren. Je werd vlak na de bevrijding geboren, in 1945. Wat heb je veel en ongebreideld mogen dromen en hopen, zelfs tijdens de Vietnamoorlog, zelfs tijdens de Koude Oorlog, de dekolonisaties, de oorlogen in de Golf en het oude Joegoslavië, waar je eerste huwelijksreis heenging. De humanitaire normen en waarden van een verenigd Europa, ik weet dat ik me ook tot aan jouw dood aan hen heb vastgeklampt alsof het geen sprookjes waren, maar levende wezens van vlees en bloed. Dat deed jij toch ook? Adem in. Adem uit. Het is een hopeloze wens om de ogen van de doden te openen, hen te vragen om mee in de spiegel te kijken, op zoek naar blinde vlekken in het witte gelaat. 
 
En jij bent verdomme al meer dan tien jaar dood. Als je nog zou leven, dan hadden we vrijdag, misschien wel in een lekker restaurantje vlakbij ons nieuwe huis, bij een goede fles Pinot Grigio geproost op jouw achtenzeventigste levensjaar. Dan had je gezien hoe het microgeluk in mijn leven al zeven jaar mijn strohalm is, mijn stevige touw met knopen, om af en toe uit de modder te kruipen en naar de kruinen, wolken en sterren te reiken. De kerstcadeautjes zijn al ingeslagen: veel olijfolie uit Lesbos, geperst door mensen op de vlucht die daar gestrand zijn. Nikos en Katerina deelden ondertussen ook al zo’n 4,5 miljoen maaltijden uit. Wist je dat er in Palestina sinds 7 oktober al meer dan een miljoen olijfbomen tot op de wortel verbrand zijn? 
 
Toen jij stierf, krabbelde Thierry Baudet, onder de hoede van zijn mentor Paul Cliteur, een fascistoïde lofrede op de nationale soevereiniteit bij elkaar. Dit flutstuk moest doorgaan voor een doctoraat en werd later uitgegeven door Prometheus. In de Tweede Kamer trok Baudet, totaal verstrikt in de waanzinnigste complotten, onlangs de maanlanding in twijfel. Een flinke slag van de molen, zullen we maar netjes zeggen. Hij kreeg in Gent een oranje paraplu tegen zijn kop, in Nederland een bierflesje, maar het was Geert Wilders die hem vloerde. 
 
Wilders, die ken je net als zijn pupil Rutte nog wel. Het gedoogakkoord met Rutte I kwam een half jaar voor jouw doodsvonnis. Polderend Nederland heeft nooit serieus een cordon sanitaire overwogen. En ach, de smalende humor van links. Wat hebben we samen nog hartelijk gelachen om Wilders permanentje. Je vond het themanummer van Kluger Hans rond Henk & Ingrid ook best amusant, herinner ik me. Het stel dat Wilders in dat jaar bombardeerde tot zijn kiezers, stemde volgens hem eerder GroenLinks of PvdA. Ik ken de namen van de nieuwe PVV-stemmers niet, hoewel… de kans is in ieder geval groot dat ze maanden terug nog VVD stemden, of BBB. Nee, geen afkorting voor borsten billen buik, maar één of andere obscene poppenkast van de agro-industrie. Waarschijnlijke coalitiepartner. Bij een peiling onder Nederlandse scholieren bleek dat het merendeel op PVV of FvD zou stemmen. De fascistische fantasieën van JA21, met keurige zijstreep in de glad gesmeerde harden, worden gesmaakt door een jongeling in mijn directe omgeving. 
 
Toen ik je oudste kleinzoon donderdag van school haalde, toonde hij de stemresultaten van de verkiezingen die ze daar hadden gehouden. Hij had op zijn beste vriend gestemd, op regenbogen. De democratie had ook besloten dat eenhoorns bestaan. Unicorns, de ultieme postmoderne fantasie, het zeemzoete antwoord op al uw knagende zingevingsvragen! Natuurlijk bestaan ze, ze bevinden zich onder ons! Naar schatting is een kwart van ons eenhoorn, maar sommige eenhoorns dragen hun hoorns enkel ’s nachts, bij volle maan. Het is onbeleefd om aan een eenhoorn van wie je vermoedt dat het een eenhoorn is, te vragen of dat klopt. Dat kan polariserend opgevat worden.
 
Wat mij betreft vertellen ze op de basisschool je kleinzoon, nee, op alle basisscholen al over de beginselen en voorwaarden van de democratie. Wat er op scholen over de bruine modder verteld moeten worden? Een collectief bodemonderzoek lijkt me geen overbodige luxe. En verder graven. In de verschillende aardlagen van de aarde vind je zoveel verhalen die je de aarde en wie haar bewoont beter doen begrijpen. We hebben onlangs op een mistige novemberdag nog gekeken naar het Romeinse schip dat in het westen van Utrecht uit de bodem werd gehaald.
 
Goh, papa, sorry dat ik je rust verstoor met deze gitzwarte brief. En er werd me zelfs gevraagd om voor vandaag - alsjeblieft - wat woorden van hoop te schrijven. Maar het stikt van de hoopvolle verhalen, we moeten gewoon tijd maken om te luisteren. Daar zijn in ieder geval voor nodig: gesprekken met de doden, diepzeeduiken in de ziel, een bodemonderzoek van zieke bodem en graven naar de aardlagen daaronder, een heldere blik op het giftige oppervlaktewater. We moeten sommige bruggen ophalen en andere juist steviger maken. We moeten touwen uitwerpen, de handen in elkaar slaan op het middenveld en ons luid blijven uitspreken, ook al wordt dat steeds griezeliger, met een kandidaat-minister die banden heeft met de Mossad. Verder is er sowieso spreekrecht voor de dieren nodig, voor de olijfbomen, een authentiek verhaal dat opstijgt uit de verzopen polder.
 
Het is een verhaal dat op onze lippen ligt. Kijk maar lieve papa, het lijkt net een levend wezen waar we ons aan kunnen vastklampen en warmen. Je kan er, zonder gevaar voor eigen leven, in geloven.
 
Liefs,
Marie

 

zaterdag 8 april 2023

Afscheidsbrief aan Luuk (1978-2023)


Lieve Luuk,
 
Sinds die vermaledijde woensdagochtend in maart dat ik online las dat je hart je in je slaap overmeesterd en tegelijkertijd in de steek gelaten had, wil ik je al een brief schrijven. We zijn nu bijna een twijfelende lentemaand verder. Je miste paasbloemen in de berm van de weg en het koppeltje futen dat in het water gestaag een nest bouwt, met bladeren van modder en twijgjes die alle kanten op vertakken. Je miste ijzige slagregens en verrassende nachtelijke kou. De maan werd voor het eerst sinds je geboorte vol zonder dat je haar invloed voelde. Ook miste je het eerste onmiskenbare lentegevoel en de eerste Goede Vrijdag, een bizarre naam voor een dag waarop een man aan het kruis genageld en gestenigd werd. Maar misschien is Goede Vrijdag wel de meest geschikte dag om in de stad die jij in je hart sloot afscheid van jou te nemen. Jij, eindeloos Goede Ziel.
 
Je hebt mij meerdere keren gezegd dat je jaloers was op mijn pen, noemde mij – ik citeer - ‘één van de zeldzame scribenten die ervoor kan zorgen dat ik kippenvel krijg.’ ‘Ik ben daarvan zeer onder de indruk’, schreef je, ‘mij lukt dat voor geen meter’. Toen ik antwoordde dat ik jouw sprankelende taalspel en spitsvondige humor in het Nederlands én Engels benijdde en in dat opzicht niet eens tot je kwetsbare enkels kwam, weerlegde je droog dat complimenten niet nodig waren. Ik was tenslotte diegene die zonder enige ironie schreef en dat moest jij duidelijk nog afleren. Je wilde dapper schrijven, met open vizier. Want, ‘ironie is juist het doekje voor het bloeden, de fopsneus waar je je als schrijver achter verschuilt’. Nogmaals dankjewel, lieve Luuk, maar ik vraag me die hele, of toch bijna volle, grillige lentemaand regelmatig af of het me ooit gelukt is om jou een compliment te geven dat je niet tien keer versterkt naar me terugkaatste. 
 
Misschien is dat ook de reden dat onze vriendschap de laatste zes jaar in stilte verwaterde, op wat sporadische appjes na, nadat eind 2016 de Liefde met hoofdletter in mijn leven kwam. De reden van onze verwijdering lijkt me niet de vleselijke belichaming van deze liefde, maar eerder dat liefde van de zachte, stromende soort, werkelijk iedereen in het zonlicht plaatst. En om de een of andere reden scanden jouw ogen, als we samen waren, meteen waar mijn schaduw viel, leek het koelste plekje jou het meest veilig en vertrouwd. ‘Ik ben een tiny grasshopper in jouw aanwezigheid’, grapte je, terwijl ik jou als stevige rots zag waarop insecten uitrusten en hun nat geworden vleugels in het zonlicht laten drogen. Ik zag een hart dat voor iedereen ruimte maakte. En dat is, hoe cliché het ook klinkt, ontzettend zeldzaam en dus ongelofelijke schoon, Luuk. In mijn herinneringen heb ik dit onevenwicht ook uitgesproken en hoef ik mezelf niet voor mijn kop te slaan, omdat ik dit pas in een brief aan een dode opschrijf. Maar jij was bovenal de rots, het zonlicht. Luuk, de bron van warmte en steun, in zoveel levens. Nog meer dan een scherp en grappig brein was jij een gouden hart op pootjes. Neil Young kan zijn zoektocht staken.
 
Luuk Van Huët. Wat zal ik nog over jou schrijven? Welke anekdotes vertellen tussen de regels het meest, bestaan er ook anekdokters, waar vindt het licht zijn weg? En tussendoor, waarom heb jij op Facebook twee puntjes op de ë in je familienaam geplaatst? Zonderling, wat is daar het tegenovergestelde van, Luuk? Is dat de meerling, de zielsverwant waar we eeuwig naar op zoek zijn? Jij weefde een netwerk van zielsverwanten in deze stad, spon draden tussen verschillende werelden. Ik weet niet hoe eenzaam je je gevoeld hebt en hoe ik je had kunnen helpen. Die kwetsbare afstand bewaakte je goed, behalve die ene keer in september 2016, toen je gevoelige hart door een koortsaanval harder moest werken en je in het ziekenhuis belandde voor onderzoeken en naalden die je aders niet wisten te vinden. Je reikte angstig naar me uit en vroeg of ik naast grommende panterkrachten ook zachte reiki op afstand kon geven, om jou rustig te maken. In die hulpvraag zat geen greintje ironie of ongeloof. 
 
Elke keer dat je het gevoel had dat jij kon helpen, was je daar. Toen Prince overleed, een paar dagen nadat mijn arm na een verkeersongeluk werkeloos in een mitella belandde, kwam je een lekkere, paarse schotel van wilde rijst voor me maken. Uiteraard zorgde je voor een portie voor de dag erna en eentje om in te vriezen. Je vond het heerlijk om een verdwaalde Belg op sleeptouw te nemen, de microfoon in haar handen te duwen en ik leerde met jouw ogen bruisende en duistere en duister-bruisende plekjes in Amsterdam kennen. Tot mijn verbazing leerde ik dat Loesje niet één vrouw met een jaloersmakend scherp pennetje is, maar een wisselende groep van leuke mensen bij wie het hart nét iets linkser in de borstkas het bloed rondpompt. Met jou schrijvend aan mijn zijde werd ik zelf ook Loesje.
 
Lieve Luuk. Ik heb zo genoten van je loyale vriendschap, van je grapjes, lieve attenties en hilarische uitspraken. Toen ik na de dood van mijn vader een tijd – oh ironie! - onder een mannelijk alter ego schreef, vond ik op een blauwe maandag een ros opplaksnorretje in mijn brievenbus. Zonder afzender. Pas later schreef je de tekst erbij: ‘Wat betreft rosse snorren is het net als met een sausage fest: if you can't beat them, join them!’ Enkele gevleugelde uitspraken zou ik zo, met Delfts blauw omrand, op tegeltjes in de toiletruimtes van deze stad willen ophangen. Zodat mensen tijdens hun moment van intieme ontlading, jouw grappige wijsheden kunnen blijven savoureren, ook als ze heerlijk multi-interpretabel zijn. ‘Trollen die onder de brug uit komen om met hun knotsen te zwaaien, verdienen het om te verstenen als ze in de zon komen.’
 
Of wat je zei over Occupy Amsterdam, in de tijd dat we elkaar leerden kennen. Toen de reputatie van het stelletje rebellen op het Beursplein ‘in het doucheputje der linksige vaagheid dreigde te verdwijnen’ en er steeds meer heftige interne discussies ontstonden, schreef je: ‘De gast met de Indianentooi was een rots in de branding. Dat zegt wel wat.’ En even later, een uitdrukking die nog veel breder van toepassing blijkt. ‘Lichtpuntjes zijn er hopelijk nog wel te vinden, al blijken ze soms de koplampen van een aanstormende bus te zijn.’
 
Je nam me mee naar bijeenkomsten van de We Are Here groep, naar demonstraties tegen de zoveelste oorlog, naar General Assembly’s in het Maagdenhuis. Je stimuleerde me om, naar analogie met de winden van verandering die door de universiteitsgangen bliezen, mensen te verzamelen in ‘Rethink HvA’, omdat ook broertjes met een minderwaardigheidscomplex over rebelse gedachten kunnen beschikken die stoffige systemen en holle macht flink op kunnen schudden, zoals vrouw Holle dat met haar kussen kan. 
 
Jij begreep dat het kon sneeuwen in april en voelde met me mee toen ik in dieppaarse rouw belandde, je gaf me krijt om poëzie op tegels te kalken toen ik zoveel keelpijn had van het machteloos schreeuwen, dat ik geen woord meer uit kon brengen. ‘Ik ken het gevoel voor zover je het gevoel kan kennen bij iemand anders. En ik blijf me afvragen hoe ik in jouw geval (en dat van anderen) kan helpen.’ Het lijkt terugblikkend, je levenscredo. Altijd weer klaarstaan, mensen steunen, schrijvers helpen, omdat - weer jouw woorden – ‘schrijvers elkaar niet moeten afbekken, maar elkaar moeten helpen.’
 
Daar zijn waar dingen in beweging komen, waar het schuurt en knarst, waar de lucht naar revolutie ruikt, waar er galmend gelachen of flink gegriezeld wordt, waar het toegestaan is om groots te dromen. En ook: daar zijn waar er pijn is, waar zachtheid nodig is, waar de taart niet eerlijk verdeeld wordt, daar waar een grapje kan helen, een hand kan helpen. Een hand op de schouder, een hand op het kwetsbare hart. Ik gebruik de tegenwoordige tijd, omdat we daar allemaal zoveel van kunnen leren. Van jou.
 
Ik groet je, lieve Luuk, ik zie je graag. En eindig met de eerste woorden die jij mij ooit schreef. Ze zijn volgens mij bedoeld voor iedereen die ze kan gebruiken.
 
‘Sterkte met alles’.
 
Liefs,
Marie

vrijdag 31 maart 2023

Nog een brief aan papa (meer dan tien jaar later)



Lieve papa,

 

Het is vandaag de laatste dag van maart in het jaar 2023. Deze brief komt ruimschoots een maand te laat in het dodenrijk aan. Werd hij bezorgd door een mankende panter of was het Kerberos’ maandje niet, blafte hij elke vreemde bezoeker ver bij de poort vandaan? Of heeft ook de onderwereld last van harde besparingen, die naast postbodes en bewakers de mieren vertrappelen die ongezien tussen gaten en kieren naar andere werelden weten te sluipen? Hoe het ook zij, ik schrijf je te laat en weet gelukkig ook steeds vaker te grinniken om de harde gedachten die me om deze reden al meer dan een maand geselen. Je was dit jaar verdomme tien jaar dood, een mijlpaal! Toch voor mij, jij kent al meer dan tien jaar geen tijd meer. Ik heb dus last van mezelf. Jij bent het niet die mij zo streng aankijkt.

 

Tijdens je leven hield jij ervan te spelen met tijd, getallen en symbolen. Thuis bedacht je op zondagmiddag ellenlange wiskundige formules in de woonkamer, terwijl er luide opera of jazz door de woonkamer klonk. De aanblik van die cijfers alleen al liet me nietig tollen op mijn aardse benen. Je spelletjes met tijd en getallen namen op het einde steeds wanhopigere vormen aan. Van intens genieten van ‘A brief history of time’ tot het registreren van Belgische nummerplaten, toen je getroffen werd door dezelfde terminale ziekte die de visionaire fysicus en astronoom velde, merkwaardig genoeg pas vijf jaar na jouw overlijden. In de memoires die je met veel moeite met verlamde vingers tikte in de maanden voor je stierf, schreef je dat je je vastklampte aan uitkijken naar de nieuwe batch nummerplaten. A brief fight with time.

 

Op 30 december 2012, twee maanden voor je dood, schreef je op de laatste pagina dat je op de terugkeer van de FNAC een nieuwe letter had gespot: ‘Ik had vlug prijs: 1-EJL-xxx. Ze zijn dus ondertussen aan de E-batch begonnen. De ‘mnemonic’ was vlug gevonden. Jack London, één van de favoriete auteurs van mijn vader.’ Op de laatste pagina van jouw zelfgeschreven afscheid gaf je een respectvolle knipoog aan je vader. Ik vond als kind 'White Fang' onverdraaglijk saai en slecht, gooide het boek zelfs geïrriteerd in de hoek van de kamer. Toen later Londons racistische ideeën onder het voetlicht van de literatuurkritiek kwamen, verklaarde ik daarmee terugblikkend mijn kinderlijke afkeer. Ik snap nu beter waarom mijn afwijzing jou toen pijn deed. Het is echt heel moeilijk om je af te zetten tegen je vader, zeker als je zoveel geluk met hem had.

 

Dit tellen van nummerplaten, een opstootje van atypisch bijgeloof, liet jou tot op de laatste bladzijde hopen op een medisch wonder, waarmee jouw doodsvonnis net zoals in de laatste minuut van een Amerikaanse film van de Tafel des Oordeels zou worden geveegd. ‘Sorry, foutje, u kan nog even blijven leven, u mag uw schoonzonen nog ontmoeten en uw drie kleinzonen in uw pezige, gebruinde armen wiegen.’ 

 

In de loop van deze lente wordt de derde kleinzoon geboren. Is dat niet wonderlijk? Jij verwekte geen zoon. Op haar beurt stopt de vrouwenlijn vooralsnog bij de twee zussen die jouw dochters zijn. Verklaart dit mede waarom ik bij de bloedende maan steeds wilder naar mijn onderbuik grijp? Misschien is er net iets te veel pijn van generaties joodse vrouwen in mijn baarmoeder beland. Erg handig was het bovendien niet, dat die zwaarbeladen baarmoeder vijf jaar terug op tien minuten opengesneden en weer haastig dichtgenaaid werd. Maar het prachtige jongetje dat er in die tien minuten uitgetrokken werd, is wel nogal een exemplaar. Amai. 

 

Ik kan het niet vaak genoeg herhalen. Je oudste kleinzoon kent je niet, maar ik mis jou ook in zijn plaats. Hij had bij jou zijn diepvoelende hart kunnen openzetten en zijn breeddenkende brein kunnen laten uitdagen. Mijn fascinaties gaan vooral uit naar de grenzen van taal, hoe die opgerekt kunnen worden, hoeveel werelden zo verzonnen en verbonden kunnen worden. Ik word blij van nieuwe woorden verzinnen en schaduwen in stralend licht zetten. Hij houdt net als jij van getallenreeksen, van punten verbinden tot ze een kloppend geheel vormen, binnenkort gaat zijn liefde ongetwijfeld ook naar algoritmes en formules uit. Gelukkig leert hij steeds beter lezen en raak ik hem tijdens de talige omzwervingen minder snel kwijt. Het is een heerlijke metgezel tijdens het breinreizen, dat kleinkind van jou. Niet zo verwonderlijk.

 

Papa, heb je iets van de komst van Wim de Bie in het dodenrijk meegekregen? Nee? Tja, dat is het grote probleem met intelligente atheïsten, ze missen door hun onwil om in het ontastbare te geloven (tenzij het om fractalen en irrationele getallen gaat), ook een stukje verbinding en die ene sprankel magie die meer ruimte aan de longen schenkt. En nu mis jij dus ook de allerlaatste aflevering van Keek op de Week, de Keek op het Leven. Papa, toen we samen op zondagavond naar VPRO keken, was ik amper een tiener. Ik vond Dirk toen de leukste, de zwalkende clochard die op zijn helderste momenten zijn stijve spiegelbeeld uitkafferde. Maar nu geniet ik vooral van de portrettering van VVD’er Rutte, voor deze amorele gladjanus zelfs maar verscheen op het glasharde, neoliberale politieke toneel van Nederland. Of de ongelofelijk geraffineerde mimiek waarmee de Bie de frustratie toont van een perfectionist die er niet in slaagt om het laatste minuscule onderdeel aan een modelvliegtuigje te plakken. Meesterlijk. Godverdomme. Alles kapot. Alles aan stukken, versnipperd en verscheurd. 

 

Papa, weet je welke primeur vandaag bekend werd gemaakt? Donald Trump wordt als eerste voormalige president aangeklaagd, door een prostituee die lang voor hij president werd een affaire met hem had. Het zwijggeld dat haar uitbetaald had voor hij verkozen werd, is op een nogal onhandige manier in de boekhouding terecht gekomen. Ik weet dat jij Trump hoogstens gekend hebt als malafide vastgoedontwikkelaar en dolgedraaide, racistische mediamagnaat. Pas drieënhalf jaar na jouw dood werd hij president van Amerika. Het is werkelijk waanzinnig, wat er mogelijk is, hoe ver angsten en onvermogen om mee te bewegen de mensen kunnen drijven. Bij de provinciale verkiezingen in Nederland kwam de BBB (nee, niet Borsten, Billen, Buik) als grootste partij in alle provincies uit de bus. Gesponsord door de agro-industrie. Nee, ik mocht niet stemmen en ik ben ook niet van plan om ooit een Hollandse te worden. Mijn tong weigert nog altijd zich in noordelijke bochten en harde klanken te wringen. Maar ik slis wel steeds meer. Dat heeft te maken met wijsheidstanden, die onderhuids invloed uitoefenen, ook al zijn ze nooit doorgebroken. Wijsheid die geen ruimte krijgt, wroet en wrikt maar verder. Dan gaat alles schots en scheef staan en kan je je minder goed vastbijten in wat er toe doet. 

 

Laat ik daarom maar verder ploeteren met het boek. Ik vind het gruwelijk moeilijk, papa, het is heftig om te ontdekken hoe laconiek mijn spiegelbeeld naar me kijkt tijdens het schrijven. Ze haalt haar wenkbrauwen op, zie je dat? Wat een stomme trut is het toch. Zou je mijn spiegelbeeld willen vertellen dat ze haar mond moet houden en dat ze gewoon mee moet schrijven, als mijn duistere schaduw desnoods? Omdat schrijven toch is wat ook zij kan. 


Trouwens, papa, vraag me alsjeblieft niet om mijn taal te laten rijmen. Ik ben weliswaar te verleiden tot enige vorm van symmetrie en evenwicht, maar schrijven is meer dan een streven naar een regelmatig ritme of een mooie slotzin. Taal biedt meer dan eindsommen. Het zou je echt helpen als je daarin zou geloven. Ook postuum. Dan kunnen we in die zeer abstracte toekomst nog vaker samen spelen en rekenen tot in de oneindigheid. 


Jij kan me nog steeds veel leren. Want jij weet zoveel zaken waar ik niets van af weet. Zeker nu, al kunnen we niet met stellige zekerheid beweren dat er nog zoiets is als een door ons gedeelde werkelijkheid.

 

Papa, ik mis je en hou van je,

Marie


P.S. Waarom die afbeelding van een poedelnaakte kabouter met een paard bij een kerktoren? Geen idee, wil jij dat er even bij verzinnen?

vrijdag 25 november 2022

Nog een brief aan papa (een dag na wat zijn zevenenzeventigste verjaardag zou zijn geweest)





Dag lieve papa,


Ik groeide op met het verhaal dat het menselijk lichaam voor 80 procent uit water bestaat. Altijd al een bevreemdende gedachte gevonden die maar niet concreet werd: bedoelde men met ‘water’ niet eerder ‘bloed’ of ‘plas’? Wat met al dat vet, de organen, de botten? Als iemand doodziek wordt, is het water in het zieke lijf dan ook ziek? Kunnen we dan voor het water liedjes zingen, zodat de moleculen veranderen en het water beter wordt, waarna het lijf volgt? Hoeveel water bevatten sprookjesfiguren? Zijn verhalen vloeibaar water, met de kracht om het diepste punt van onze ziel te peilen? 

 

(En waarom verschijnt er tijdens het tikken een rode lijn onder het voegwoord ‘als’ – alsof de spellingscorrector veronderstelde dat mijn ademhaling bijna tien jaar later nog steeds hapert ALS ik een zin begin met de vreselijke ziekte?) 

 

Deze vragen komen van iemand die nauwelijks interesse heeft voor anatomie – tenzij een dierbaar iemand heel ziek wordt - en ternauwernood liever filosofeert over het stromen van emoties. Dat wij voor bijna 100 procent uit emoties bestaan, heb ik altijd duidelijk gevoeld, al slaagde ik er nooit in een rigide onderscheid te maken tussen voelen en denken. Denken aan jou doet me soms lachen en vaker ook nog heel veel zeer. Enfin, toen ik die waterkwestie net even opzocht, bleken opgetrokken wenkbrauwen terecht te zijn. Het percentage water in het menselijk lichaam is zeer controversieel en werd de laatste jaren flink naar beneden bijgesteld.

 

Je oudste kleinzoon wordt in januari vijf jaar. Hij koestert de laatste tijd een heilige fascinatie voor alles wat ‘symmetrisch’ is – het bijhorende zelfstandige naamwoord ‘symmetrie’ vindt hij vooralsnog abstract en schuift hij liever opzij. In de praktische zin heeft hij een punt – van zodra we voorbij de logica van computers kijken, toont onze menselijkheid zich niet in symmetrie of geruststellende gelijkheid, maar eerder in het afwijken. We houden van symmetrische gezichten, van vakjes en hokjes om zaken bevattelijk te maken, maar het is juist de afwijking die zorgt dat we geen pop zien maar een mens. Ook het grensoverschrijdende maakt ons mens: laakbaar, angstig, moedig, nietig en groots tegelijk. Ik klim uit een diep dal van slijm waarin ik twee weken muurvast zat en heb de laatste weken vaak wanhopig teruggedacht aan de dagen dat ik buikgriep had en tussen het rennen naar het toilet verder moest met jouw verlamde lichaam optillen en door de kamer dragen. Zorgen voor een drukke, wakkere kleuter terwijl je ziek bent: het komt soms in de buurt van het grensoverschrijdende dat in de kern liefde heet.

 

Hier in Nederland wordt je kleinzoon overspoeld met sinterklazen en fantasieloze roetveegpieten. Op school kijken ze elke dag tijdens het bammetjes eten steevast het kitscherige Sinterklaasjournaal. De grote halfzus gaf hem een advent kalender met chocolaatjes die de kindertjes tijdens het aftellen tot pakjesavond op 5 december zoethouden. Om de zoveel dagen vind je een QR-code achter het kartonnen klepje, dat leidt naar een kunstelig, knutselig promofilmpje van de supermarkt. 

 

Ik heb regelmatig veel zin om de leugen te doorprikken. Maar die ogenschijnlijk kleine prikbeweging zou mogelijk een veel grotere bubbel kapot laten springen. Het voelt zo vroeg om hem nu al lastig te vallen met het benoemen van al die verzonnen verhalen, al die geconstrueerde hokjes en arbitraire matrices waarin wij menselijke wezens onze identiteit en relaties tot elkaar en de wereld vorm trachten te geven. Toch doen we het elke dag opnieuw, die prikjes uitdelen, met mondjesmaat, met een beetje realiteitszin en vooral veel ruimte voor de verbeelding. In de eerste plaats ook in onze eigen bubbels. Hoe vertellen we hem immers dat de planeet voor de mensheid en zeker voor zijn nakomelingen onleefbaar wordt? We houden liever nog even de leugen vol dat Sinterklaas bestaat en dat pietjes hun nageltjes in alle kleuren van de regenboog mogen lakken zonder dat ze raar gevonden worden. 

 

Speaking of: ik schreef een cynisch wiegenliedje voor onze voetbalhelden, maar tijdens de tweede helft van Nederland tegen Ecuador mocht je kleinzoon frietjes en appelmoes eten terwijl hij naar reclamefilmpjes op YouTube keek en zijn ouders naar het grote scherm. Ik kan dus niet anders dan toegeven dat ik met een half oog en onderkoeld enthousiasme naar de wedstrijden van de Rode Duivels en Oranje kijk. Grensoverschrijdend, laakbaar, menselijk. Nee papa, WK’s kijken is absoluut niet meer wat het vroeger was. Dat lijkt me vooral een goede zaak. Er wordt meer shit zichtbaar achter pracht en praal en miljardenspektakels. 


Het is wel een zware taak om tijdens het afpellen de laagjes dubbele moraal en blinde, witte vlekken niet te vergeten – ik blijf nieuwsgierig hoe jij dit had aangepakt, in welke mate je je had vastgeklampt aan de privileges van de witte, gepensioneerde professor en dat je had geklaagd over een wereld die in jouw beleving schudde op zijn grondvesten, waardoor je je voordien heldere plek niet meer zag. Ik vermoed echter dat je behoorlijk zou meebewegen: zo flexibel schat ik je wel in. Je was altijd wel in staat om de relatieve nietigheid van je bestaan in te zien, naast de grootse kracht van liefde.

 

Je zou gisteren 77 geworden zijn, je werd maar 67. Het besef dat je nooit je schoonzoon en kleinkind hebt ontmoet, is bijna tien jaar na je dood het grootste verdriet. Ik vermoed zelfs dat je rustiger was gestorven, als je wist dat je beide dochters in zulke warme handen terecht zouden komen. Ik heb je de laatste jaren vaak vergeleken met mijn man, maar de laatste tijd springen de tranen me vooral in de ogen, als ik voel hoe met de komst van mijn zoontje ook herkenbare energie van zijn grootvader is meegekomen. 

 

Een paar dagen geleden nam hij een tekening mee naar huis: een kleurloos en lachend pietje dat enkel uit contouren bestaat. Hij heeft een rechte borstkas, korte rechthoekige armpjes zonder handen en twee blokvoeten op dunne lijntjes. Een wuivende veer op zijn pietenmuts, wat vaag haar dat onder de muts steekt, niet symmetrisch. Het is een zeer atypische tekening voor hem, thuis tekent en bouwt je kleinzoon het liefst symmetrische patronen en constructies. Figuratieve tekeningen interesseren hem niet. Hij tekent abstracte schatkaarten en vraagt ons doolhoven te tekenen, waar hij vervolgens tot zijn teleurstelling slechts kort in verdwaalt.

 

Jouw screensaver bestond jarenlang uit een wervelende dans van fractalen. In mijn poëziealbum was jij steevast diegene die de meest geometrische tekeningen maakte – ik vond ze een tijdje wat gênant, die staaltjes wiskunde tussen kwezelige rijmpjes en zeemzoete tekeningen van pastel. Heb jij ooit geprobeerd om een doolhof te tekenen? Dat is echt vreselijk moeilijk, papa. Zeker als je voor 90 procent uit slijmerig water bestaat. Ik beet op mijn tong toen je kleinzoon gisteren driftig vroeg om een heel ingewikkelde doolhof. Lieverd, wilde ik hem zeggen, door jou te verwekken, door jou negen maanden in veel water te dragen en je daarna op het droge te gooien, heb ik je het grootste doolhof mogelijk geschonken. En wacht maar... tot je mensen verliest die je dierbaar zijn. Dan worden er plotsklaps tientallen donkere gangen aan de doolhoven in je hoofd, hart en buik toegevoegd.

 

Je hield nooit van zwemmen, je riposteerde iedere zomer steevast dat je het simpelweg niet kon. Je kleinzoon moet nog op maat gemaakte oordopjes krijgen en dan kan hij het proberen – van water houden en het durven vertrouwen. Doolhoven kun je bedenken. Maar watermoleculen zijn toch van een andere aard. Ze lijken net het leven, voorbij de beredeneerbare constructies. 

 

Heel veel liefs, ik mis je vreselijk,

Marie

vrijdag 25 februari 2022

Nog een brief aan papa (negen jaar later)


 

Dag lieve papa,


‘Help de zee! Heb je al je eigen boodschappentas mee?’ Deze sticker plakt op één van de laatste verkeerslichten die ik onderweg naar de praktijkruimte tegenkom. Vandaag, negen jaar na je overlijden, trok de boodschap voor het eerst écht mijn aandacht. Ik glimlachte even, een moedeloze opwaartse beweging van de mondspieren. Dit is meer een dag van harde hagel dan van het waterzonnetje dat ijs laat smelten. Gisterenochtend is Rusland met grof geweld een oorlog in Oekraïne gestart. Omdat geen enkel woord wil rijmen op ‘oorlog’, zou de sticker die bij deze oorlog hoort misschien zo klinken: ‘Stop het oorlogsgeweld. Heb je al je centen voor inductiekookplaten geteld?’

 

Oorlog maakt machteloos. Het stelt meninkjes op scherp, we kissebissen over de juiste woorden en informatiebronnen, maar kunnen in de kern helemaal niks. We kunnen demonstreren voor vrede, profielfoto’s in de kleuren van de aangevallen vlag omlijsten, heftige documentaires kijken of juist onze ogen sluiten en kiezen voor een extra luchtige film voor het slapengaan. Misschien zijn er nog mensen die nadenken over de quasi ongebruikte slaapkamers in huis. Misschien zijn er anderen die zich schamen over een achtste Russisch bloed en die zich vervolgens schamen voor deze reductionistische gedachte. Misschien groeit de groep mensen die beseft dat wat de natuur nodig heeft, ook echt hetzelfde is wat de mensheid ten goede komt: een duurzame energietransitie. Ik hoop het.

 

We moeten zo snel mogelijk van het gas af, papa. Niet meer boren in Noorwegen of Groningen, geen giftige deals sluiten met een al even moordlustig Amerika en afhankelijk worden van hun ‘fracked gas’. Fucking gas. Fucking wereld. Fucking klotedood.

 

Je weet dat ik cijfers maar moeilijk vind, maar dat ze toch wat houvast bieden. Ik rouw al tellend, ondertussen negen jaar. De oorlog in Syrië begon in 2011, een paar maanden voor de neuroloog vertelde dat ALS je dood zou betekenen. En tja, de oorlog in Afghanistan: wanneer is die al begonnen? De Russen zaten er al toen jij nog broeken met olifantenpijpen droeg. En nee, die eindeloze oorlog is ook zeker niet voorbij. 

 

Mijn zoontje was jouw eerste kleinzoon (er zijn er nu twee), zijn vader mijn grootste liefde sinds jouw dood (er is er, terugblikkend, maar één in mijn leven, maar dat is makkelijk praten achteraf en dus een vorm van geschiedvervalsing). Sinds je dood kwamen er drie nieuwe katten in ons huis – eentje ligt al onder de groene zoden in de achtertuin. Sinds jouw dood is dit de eerste oorlog die potentieel ongelofelijk veel groter kan worden en nog een stuk dichterbij kan komen. Sowieso wordt het de meest voelbare oorlog. En nee, Rutte, niet enkel in de portemonnee. Voelbaar in bestaanszekerheid maar ook in zingeving. Want in de eerste plaats en bovenal groeit de groeiende onvrede met deze wereld en haar vernietigende systemen. Het lijkt bijna oorlog in mijn hoofd. Zo hard knettert het, loodzwaar zinkt mijn hart.

 

Er is na negen jaar zoveel dat ik niet meer met je kan delen. Onze nieuwe meningsverschillen vechten we uit in mijn gedachten, hoogstens gemakzuchtig weergegeven op dit kille scherm. Maar gelukkig gebeuren er ook steeds vaker dingen waarvan ik denk: ‘wat fijn dat papa hiervan gespaard blijft’. De oprichting van Forum van Democratie, toen al actief tegenstander tijdens het Oekraïnereferendum (2015), de vluchtelingenstromen op de Middellandse Zee, de oranje bergen van slechte drenkelingsvestjes, de liefdesverklaring van John Cleese aan Bart De Wever (2019). Ja, er zijn gelukkig ook heel veel gebeurtenissen die je gemist hebt.

 

Vorige week trok je oudste kleinzoon aan de snorharen van Moon, onze jongste en meest speelse kat. Ik berispte hem en zei dat snorharen belangrijk zijn voor katten om hun evenwicht te bewaren. Twee dagen pulkte hij aan zijn prachtige, eindeloze wimpers. Toen ik hem wederom op de vingers tikte, antwoordde hij: ‘Ja, mama, ik weet het, ik heb mijn wimpers nodig om rechtop te blijven en niet om te vallen.’ Lange wimpers en snorharen, manieren om niet om te vallen, momenten om de ogen te sluiten en even weg te dromen. Ik wens ze de mensheid toe en vooral zij die nu in schuilkelders en metrostations nagelbijtend voor hun leven vrezen.

 

Ik geef je in gedachten een wimperkus. Je weet wel, een vederlichte streling van mijn wimpers tegen jouw magere, bebaarde en in de zomer olijfbruine wangen. 


Ik mis je en hou van je.

 

 

Liefs, Marie 

donderdag 10 september 2020

Brief aan de brand die Moria in de as legde


Beste brand, 

 

Jij legde Moria in de as. Terwijl ‘Moriah’ de berg was waar Salomo een tempel bouwde, was het kamp op de heuvel Moria het epicentrum van het etterende, Europese asielbeleid. Een beleid dat stilzwijgend of zelfs vergoelijkend, steeds halsstarrig wegkijkend, gesteund wordt door Europese lidstaten en hun rechtse regeringen. Je was niet de eerste brand die in Moria aangestoken werd, niet de eerste die aan de gammele tentjes en provisorische barakken likte van wat tot de nacht van 9 september 2020 het grootste vluchtelingenkamp van Europa was. Maar je was wel de felste. Met opflakkeringen in de tweede nacht, veranderde je het kamp samen met de omringende olijfboomgaarden nog meer in een smeulende berg as. Jij likte niet, laat staan dat je flakkerend waarschuwde, je vrat en verwoestte, greep onstuitbaar om je heen, je verkoolde en verbrijzelde al het lelijks en troosteloze wat je tegenkwam en zette alles in een hels rood. Je smeult nog steeds en kan ieder moment weer oplaaien, tot Moria door elke levende ziel verlaten is en er werkelijk niets meer is om te verkolen. 

 

Jij stuurde dertienduizend mensen de straten van Lesbos op, waar ze verder opgejaagd worden door traangas van de politie, waar burgermilities meehelpen barricades op te werpen die hen de toegang tot de bewoonde wereld versperren. Er meerde ondertussen een cruiseschip aan, er werden wat tentjes opgezet en verlaten legerkampen werden geopend om mensen op te vangen. Maar alsnog slapen ook vannacht weer duizenden mensen onder de naakte sterrenhemel, onder wie talloze jonge wezen en diep getraumatiseerde jongeren. De Griekse regering beloofde al gauw om in de plaats van Moria een gesloten detentiecentrum te bouwen. Je bent nog niet eens gedoofd.

 

In de kranten krijg je een paar honderd woorden, op televisie een paar minuten zendtijd. Er wordt nog steeds, enigszins monter zelfs, verkondigd dat je ‘voor zover bekend’ geen dodelijke slachtoffers eiste. Mijn tijdslijn op Facebook toont een andere beeld en vult zich met radeloze hulpkreten: ik lees over ouders die hun kind niet uit de vlammen konden redden, ik verneem dat de zestienjarige muzikant Obaeed Hossani in jouw vuurzee overleed. Deze berichten worden gedeeld door mensen die in Moria trachtten te overleven of zij die voor één van de talloze hulporganisaties op Lesbos werken en die sinds de coronacrisis hun werk in nog meer erbarmelijke omstandigheden moesten doen of dat met pijn in hun hart zelfs moesten staken. 

 

We weten niet wie jou aangestoken heeft. Enkele van duizenden bewoners die al maanden in een steeds strengere lockdown bivakkeerden en die beslisten dat de maat echt vol was, nu het aantal coronabesmettingen in een kamp waar een toilet of kraantje gedeeld werd met tweehonderd anderen, schrikbarend snel aan het stijgen was? Of werd je aangestoken door eilandbewoners, al dan niet verder opgejut door extreemrechtse waanbeelden, mensen die zich al vijf jaar lang evenzeer gegijzeld voelen door het onmenselijke asielbeleid?

 

Ik wist niet wie ik precies wilde schrijven. De vierentwintigjarige Ahmed uit Syrië, die me in de prille lente via Facebook contacteerde en die me vervolgens bleef smeken om voor hem een advocaat te zoeken die hem wegwijs kon maken in de asielprocedures die sinds de lockdown volledig lam waren gelegd? Die me vertelde hoe hij zijn dochtertje van bijna een jaar oud nog nooit ontmoet had, omdat dat meisje samen met haar moeder nog vast zat in Libanon? Die maar bleef herhalen dat hij een psychiater wilde zien, omdat hij ’s nachts niet kon slapen en, ook al had hij een dochter die hij dolgraag wilde ontmoeten, non-stop naar de dood verlangde? Wilde ik deze man een brief schrijven, iemand die niet op Lesbos maar Samos in verschrikkelijke omstandigheden leefde of leeft, iemand die ik uit zelfbehoud en diepe, verlammende onmacht eind april blokkeerde? Is hij ondertussen dood? En als hij nog leeft, kan hij dan nog voelen, is er iemand die wel naar hem wil luisteren?

 

Of wilde ik een brief schrijven aan de moeder wier zwangere buik de mijne raakte, de babyhartjes klopten heel even dicht en veilig bij elkaar? Deze vrouw beviel in Moria van haar eerste kindje en ontmoette ik niet lang daarvoor, toen ik op het punt stond om in een mooi kanten jurkje en bovenal in alle vrijheid te trouwen met de man van mijn leven. Of wilde ik een brief schrijven aan de baby van drie maanden oud die ik in hetzelfde restaurantje in mijn armen hield, een kind dat bergen en waters overstak om Europa te bereiken en zichtbaar verzwakt was, een kind dat al twee keer onder het mes ging en ondanks de leeftijd nog het formaat had van een pasgeboren baby? Een baby die het koud had ’s nachts, omdat de familie over te weinig vodden beschikte om het te beschermen tegen de nachtelijke temperaturen die ook op Griekse eilanden in de herfst al onder het vriespunt kunnen duiken?

 

En als ik wist wie ik moest schrijven, wat zou ik hen nu vertellen? Dat de tomaten in onze moestuin eindelijk rood verkleuren en dat ik daar vandaag toch even blij om kon zijn? Dat de twee kittens die ’s ochtends mijn benen beklimmen slechts een Europees paspoort van nog geen twintig euro en een paar vaccinaties nodig hebben om binnenkort legaal de grens over te steken? Dat ik me ongemakkelijk voelde toen ik net op de fiets voorbij weilanden fietste waar kerstbomen worden gekweekt, dat ik steeds minder onbevangen geniet van goedgelovige feesten van geluk en vrede, dat ik me sinds je komst eindeloos onrustig voel en dat de drang om die onrust om wat jij in zo’n fel licht zette weer te luwen ver te zoeken is? Ik wist het allemaal niet, dus schrijf ik jou. 

 

Beste brand, wil jij - net als in het Hooglied - de brand zijn die de mirreberg, de wierrookheuvel bezocht? Kunnen we jou als een gebed beschouwen, kan uit jouw assen een humaan asielbeleid herrijzen? Zou het kunnen dat jij zo fel bent dat niemand nog weg kan kijken van je vlammen, niet langer kan wegduiken voor jouw allesverzengende waarheid?

 

Beste brand, niemand wijst jou met de vinger na, want je bent toch niet te volgen en jou treft geen schuld. Jij doet slechts wat vuur doet: verbranden en blootleggen tot er een smeulende vlakte overblijft. Een vlakte die ons geschonken wordt en waar wij mee verder moeten, of we dat nu willen of niet.

 

Ik buig voor je, in ontzag en verschrikking, je spiegelt mijn ziel, je spiegelt ’s werelds woede.

 

Marie

zondag 12 januari 2020

Een brief aan Vlaanderen, mijn geboortegrond


Vlaanderen,

U bij aanvang van deze brief meteen ‘Arm Vlaanderen’ noemen, zou niet eigen voelen, niet echt, te makkelijk, te vaak gezegd. Absoluut waar, maar verder ook niet klaar of verduidelijkend. U ‘lief’ noemen, zou weliswaar een deel van mijn nostalgische sentimenten vatten, maar het zou mijn teleurstelling en woede over wat er op uw grondgebied gebeurt maskeren, het zou een spirituele bypass zijn waar mijn verontwaardigde hart op neerkijkt en de kloof verbergen die ik al voelde toen ik in uw klei opgroeide en die sinds ik u bijna tien jaar geleden verliet voor Nederland, alleen nog maar groter is geworden. De groeiende afstand maakt me misschien ook milder, maar niet mild genoeg om u lief te noemen, zeker nu niet.

‘Beste Vlaanderen’ zou ronduit ridicuul klinken, wat u bent het beste niet, ook al wil een aanzienlijk percentage van uw bevolking dat krampachtig graag geloven. U bent onooglijk, beklemmend, u bent bekrompen en toch bent u gezellig, grappig, verrassend, verwarmend en onmiskenbaar mijn thuis, daar waar zeker niet alles, maar toch nog steeds heel wat beter is dan hier in het noorden. U bent het thuis waar mijn stempel staat, daar waar mijn blauwdruk bewaard wordt. Ik noem België mijn vaderland, corrigeer de Nederlanders die me ‘Vlaamse’ noemen. En Belg voel ik me, lekker chaotisch, met tegenstrijdige eigenschappen en innerlijke conflicten, een bizar maar gezellig samenraapsel van invloeden. Maar toch ben ik, voorbij alle schaamte en complexiteit, ook een Vlaamse. Al weet ik ‘begot’ niet hoe dat voelt, wat dat precies betekent.

Sinds ik een kind op de Nederlandse grond zette, is mijn keuze om u te verlaten veel beslissender geworden. Bij elke nieuwe keuze die we voor hem maken, is er het stemmetje in mijn achterhoofd dat fluisterend vraagt of het in Vlaanderen toch niet beter zou zijn. Het lijkt me bijvoorbeeld best handig als je kind al vanaf tweeënhalf jaar vierenhalve dag per week naar school gaat. Nu betalen we ons nog tot zijn vierde verjaardag blauw aan drie dagen kinderopvang per week en begrijp ik, hoewel ik zelf getrouwd bent met de meest ondersteunende en feministische man die ik me kon wensen, steeds beter waarom Nederland zo’n slecht cijfer scoort voor de tewerkstelling onder vrouwen. En als ons zoontje dan eindelijk naar school kan, komt hij in grote klassen terecht met dertig kinderen, op een school die de lunchpauzes uitbesteedt aan een privaat bedrijf…

Ik zou kunnen doorbomen over de dure ziekteverzekeringen, over de regeldrang in Nederland, de buitensporige reacties op het nakende vuurwerkverbod en de verkleuring van zwarte piet in tinten die geen sporen meer dragen van het diepgewortelde, racistische discours. Ik zou me druk kunnen maken over de kilheid waarmee Nederlandse tieners benaderd worden: voor het gebrek aan plekken waar ze thuis kunnen zijn, plekken waar ze feesten kunnen geven, muziek kunnen draaien en maken, vuurtjes kunnen stoken, een pintje mogen drinken. Ik zou dit allemaal kunnen omspitten en grijnzend gooien met de modder die ik opraap. Maar kijk, dan gaat ook deze brief weer over Nederland. En bovendien baseer ik me dan op een beeld dat zeker tien, misschien wel twintig jaar oud is en onvermijdelijk passé.

Deze brief is aan u gericht, Vlaanderen, de grillige streek met talloze tongvallen en bizarre hoekjes, met vlakten en heuvels, pastorijen en hoerenkoten langs de provinciale wegen… Gij zijt als een etiketje in mijn broek dat aan mijn gat blijft krabben en dat toch te essentiële informatie bevat om zomaar weg te knippen. Gij zijt als een ex-lief waar ik soms teder aan terugdenk, tot ik met een schok weer besef welke onverdraaglijke eigenschappen hij heeft, welk zelfdestructief gedrag hij vertoont.

Maar ik mis u ook. Dat merk ik elke keer als ik terugkeer: bij het ontbijtje waar we ongedwongen bij konden aansluiten, de pistolets die precies genoeg kraken en zacht zijn van binnen, de koffiekoeken die je hier echt nergens kan vinden, zeker niet in het bakkertje om de hoek. Ik mis de gastvrijheid die ik op uw grond steeds weer aantref, maar tegelijkertijd weet ik dat het meer mijn oude vrienden zijn die hun deuren openzetten en het logeerbed opmaken en schrok ik een aantal jaren geleden enorm toen ik op een lenteavond op een Gents terras met wat koppige rokers stond te praten en hoorde hoe kil en star hun woorden klonken toen ze praatten over de inwijkelingen, het vreemde, dat wat zij niet als ‘Vlaams’ beschouwen en waar ik juist zo nieuwsgierig naar ben, dat wat ik juist nodig heb om me te kunnen spiegelen en te kunnen veranderen.

Misschien wordt het tijd dat ik mijn profielfoto op Facebook verander. Weg met het gele vlak in de foto, weg met het medeleven voor de gigantische besparingen in de Vlaamse cultuursector. Misschien moet ik me niet langer verdiepen in het gerommel bij de Dossinkazerne, maar me juist druk maken over de topman van de Nederlandse belastingdienst die na de desastreuze affaire over de toeslagen van de kinderopvang doodleuk een grote functie aangeboden krijgt in Den Haag. Als ik me hier in Nederland echt thuis wil voelen, moet ik uit de cocon van het moederschap kruipen en verder kijken dan mijn geboortegrond, die de afgelopen tien jaar meer is veranderd dan ik kan snappen. Ik moet me engageren waar ik woon, het onverwachte in de straten brengen, ook hier de poëzie van het alledaagse opschrijven. Ik moet me druk maken over het onrecht dat hier gebeurt: minstens even groot, maar een stuk geruislozer, onopgemerkt. De uitholling van de sociale welvaartsstaat is hier al veel langer aan de gang, de marktwerking randt hier al jaren het onderwijs en de cultuursector aan: wordt het tijd dat ik kijk naar de plek waar ik woon en de Nederlanders #heretoo leer roepen?

Ik heb hier genoeg vriendinnen gemaakt met wie ik kan praten over het grote veld van liefde, de bron waar alles vandaan komt en weer naar terugkeert, waarschijnlijk zelfs mijn moeilijke liefde voor u. Maar ik mis vooral de gesprekken tot diep in de nacht met mijn Vlaamse vrienden, hun bereidheid om steeds de politieke dimensie van een vraagstuk te zien, nooit om de maatschappelijke context heen te fietsen, een vaardigheid die Nederlanders zo ongelofelijk goed onder de knie hebben, op brede fietspaden, in netjes aangeharkte straten, in wijken die met één visie gebouwd zijn, rechtlijnig, evenwichtig en wel vaker dodelijk saai.

Deze brief is klaar. Mijn zoontje wordt wakker en ik moet nog luisteren naar de achttiende meditatie van Deepak Chopra’s ’21 days of abundance challenge’. De bijhorende opdracht is voltooid: ‘write a letter to your homeland / government and express all your feelings towards it’. Nu ja, alle gevoelens zouden veel gevraagd zijn, maar er zit veel waarheid in de stromende woorden van een opgejaagde moeder, die in het uurtje dat haar kindje slaapt een brief aan haar geboortegrond schrijft. Dat ik deze spirituele uitdaging aanging en voltooi in een groepje van Vlaamse vrouwen, is overigens best wel grappig. Alles verandert, geen indeling klopt nog, niets is in steen gebeiteld, zeker niet de woorden van een Vlaamse die zich aan de klei onttrok en die in andere modder wortel schiet.

Ik zie u graag, hoe moeilijk dat ook is, dus tja, ik schrijf u waarschijnlijk later nog ne keer. Als alles weer anders klinkt. Als de grootvader van Prince eindelijk een kerkdienst leidt. Dat zou schoon zijn.

Liefs,
Marie

zaterdag 13 april 2019

Afscheidsbrief aan Roland Zeldenrust





Lieve Roland, kanjer,

Je overleed donderdagavond, exact een jaar nadat Jimmy werd aangereden, het wilde, rossige katje dat bij mijn man op schoot kroop in een visrestaurant op Lesbos en dat hij vervolgens in een truttig mandje naar het voor haar veel te keurige, brave Nederland meenam. Een dolende, dollende en liefdevolle geest, steeds klaar om tijdens het spelen vuur te spuwen. Onstuimige Jimmy hield ervan stoute dingen te doen, zoals met haar nagels wild om zich heen slaan tijdens het ravotten en dus ook op een ochtend in april buitelend de randweg oplopen terwijl de auto’s voorbij raasden. En dit jaar ging jij, meneer Zeldenrust, op dezelfde datum, de drummer met de meest geniale en toepasselijke naam denkbaar… Ja, de gedachte dat jullie ronkende, duivelse energieën elkaar gevonden hebben in een nieuwe vorm, brengt troost. Voor beiden voelt de verleden tijd gebruiken naast onwennig ook oneerlijk. Aangezien ik jou niet in mijn tuin kan begraven en geen bizarre, gretig groeiende plant op je lijf kan planten zodat je wildheid in een andere vorm doorleeft, zit er niks anders op dan je aan een razend tempo een laatste brief te schrijven. En voor zover het kan kloppen, klopt dit ook, mijn afscheid aan jou, een ratelende solo in de leegte, geschreven op het ritme van het hart.

Ook al hoorde ik pas vrijdag dat je donderdagavond overleden was, ik wist het donderdagavond intuïtief al. Je zocht me die nacht urenlang op in mijn dromen en vroeg me zelfs of je een gids van me mocht worden tijdens het geven van reikibehandelingen. Die nieuwe samenwerking moest uiteraard op jouw voorwaarden gebeuren: je zou geen blad voor de mond nemen en me steeds de waarheid vertellen, zonder zweverigheid of de stinkende wonden die zachte heelmeesters achterlaten. We lachten onze grote tanden bloot om deze heerlijke tegenstrijdigheid. In de gesprekken met de dode Roland is werkelijk alles mogelijk, onze schaamteloze vriendschap die twee jaar duurde kan verder bestaan in een nog vrijere vorm. Dus tuurlijk mag het, lieve kanjer, natuurlijk mag je een brutale gids van me worden. En ik zal de weinige keren dat ik haring eet, aan jou denken. Ik zal aan je denken met een zilte smaak in mijn mond, of tijdens de meest onverwachte, aardse momenten.

Lieve Roland, shit. Ik voel me verweesd, kan mijn gevoel maar moeizaam duiden, de tranen zijn er maar weigeren voluit over mijn wangen te stromen. Waarschijnlijk was ons contact de laatste vier jaar te verwaterd om nu aan anderen te vertellen dat ik een goede vriend verloor. Maar toch was je mijn vriend, de eerste die nu doodgaat. Er stierven klasgenootjes, leiders van de scouts, vrienden van vrienden maakten een eind aan hun leven, er werden baby’s dood geboren, in de herfst verongelukte een leeftijdsgenoot met wie ik enkele zomers terug naar een huwelijk in Zuid-Frankrijk reisde. Ja, ik ben ondertussen al wel met zo’n dertig doden op Facebook bevriend. Maar dat jij me nooit meer zal zeggen dat je me mist, dat je me nooit meer zal vertellen dat ik stomme keuzes maak, dat je nooit meer zal verklappen hoe bang je bent voor wat komen zal of boos om wat gebeurde, dat je nooit meer zal tikken dat je me wil beschermen en dat ik alles tegen je kan zeggen, dat vind ik nu plots moeilijk om te aanvaarden, ook al was ons contact de laatste jaren erg minimaal.

Er ratelt iets in mijn hart en dat maakt me al twee dagen onrustig. Ik vermoed dat ik je harder mis dan verwacht. En dat is niet verwonderlijk. Je stond heel dichtbij toen het leven me naar adem liet happen, toen ik rilde van de kou en doorholde om de pijn maar niet te voelen. Het begon op het einde van 2012: je stuurde een vriendschapsverzoek op Facebook, toen de wereld toch niet verging, maar mijn vader wel op sterven lag en jij al enkele jaren bezig was met je strijd tegen kanker, je ‘worsteling op leven en dood’. Iets – ik weet niet meer wat - was uit mijn pen gerold en had je aandacht getrokken: daarom wilde je me leren kennen, niet om de gemeenschappelijke vrienden. De klik was er meteen en we deelden veel: een besef van hoe duister het leven is balancerend op de randen van de dood, een wil om te benoemen wat niet klopt, Joodse wortels en intergenerationeel oorlogstrauma, een liefde voor muziek, een haat-liefde verhouding met Amsterdam, een geloof in hoe de passies van mensen de wereld draaiende en brandende houden. Het vonkje was meteen groot genoeg om samen online de diepte in te duiken, niet veel later ook ‘onlife’. We knuffelden elkaar steeds warm en streken bij elke ontmoeting steevast over elkaars benige rug.

Ik ging in de begintijd van onze vriendschap elke week een paar dagen naar mijn vaderland België, om voor mijn papa te zorgen die verlamd was door ALS, toen al voeding kreeg via een sonde en zijn vermogen om te praten kwijt was geraakt. De vastberadenheid waarmee voor mijn vader gezorgd werd, raakte je diep. Je was zelf net aan de dood ontsnapt en je wist hoe relaties in zware tijden in een ander licht komen te staan. Terwijl mijn vriendinnen de luiers van hun baby’s verschoonden, was ik in een wekelijkse strijd met mijn vader verwikkeld, die te trots was om de zorg te aanvaarden die hij in flink hulpeloze staat nodig had. Ik vloekte in de chat, ik wanhoopte en riep met uitroeptekens dat ik het niet meer aankon. Jij luisterde, belde als dat nodig was ook laat in de avond, draaide je geen seconde weg voor de rauwe, onsmakelijke verhalen die ik vertelde. Je was de vriend die er toen het meest voor me was, na slapeloze nachten waarin ik angstvallig luisterde naar de ademhaling van mijn vader was je vaak de enige buitenstaander die bleef vragen of ik in die helse nachten zelf een beetje geslapen had. En ik wist ook wat het zwaarst op jouw schouders drukte.

Een paar weken na het overlijden van mijn vader zocht ik je samen met mijn zus op in het besneeuwde Berlijn. Na afloop droegen alle poppen van je toen vierjarige dochter onze namen. We kregen grauwe tanden van de rode wijn die we samen dronken, we wreven elkaars handen warm, luisterden met je dochter naar icaros uit de Amazone tot ze zacht in slaap viel op je borst. Ik herinner me dat ik toen al de tweestrijd in mezelf voelde die onze vriendschap van in het begin bemoeilijkte. Ik deelde je boosheid en vond het net als jij makkelijker om te zien wat voor de ander goed was dan helder te doen en laten wat voor mezelf nodig was. En toch wilde ik ook streng voor je zijn, de sigaretten uit je handen trekken, je eigenhandig naar kundige sjamanen in de Andes sturen, ik zocht naar manieren om je zo lang mogelijk in leven te houden, je te motiveren nog beter voor jezelf te zorgen, zonder dat ik daarbij te belerend overkwam. Dat lukte amper. En terwijl je in het begin steeds als eerste de boze open brieven die ik schreef las, ging je me na een tijd minder aanvuren en stonden we verder van elkaar: ik postte muziek die jij zielloos vond, jij verkondigde politieke meningen die mij teleurstelden. Nadat ik een keer wat over Nirvana schreef, zette je alle Facebookmeldingen uit. Dat ik naar zo’n ‘oppervlakkige’ muziek luisterde, vond je onbegrijpelijk, of dat maakte je mij en jezelf in ieder geval wijs. Misschien verdroeg je van mij minder omdat je me graag zag, zo gaat dat vaak. Ik heb het je nooit gevraagd. En omdat ik zeker was van onze warme basis, maakte ik me ook niet druk over de afstand die ontstond. Of toch te weinig, denk ik nu.

Nadat je twee jaar lang heel trouw de wisselende berichten over je oorlog met de zich door je lijf verplaatsende en soms tijdelijk verdwijnende kanker met me deelde, werd het stiller. Toen ik stapelverliefd werd op de man die nu de vader van mijn kind is hadden we al geen contact meer. Ja, toen ik eindelijk de man vond die je me gunde, konden we samen ook niet langer lachen om mijn mislukte romances. Ik wilde niet meer boos zijn en zeker niet meer op jou. Ons contact stokte, je reageerde niet meer op mijn laatste berichten en ik kreeg enkel nog op je tijdslijn hoogte van de stand van zaken. Met pijn in het hart las ik hoe de kanker de laatste jaren verder woekerde, hoe je strijdvaardigheid steeds meer terrein verloor aan het onvermijdelijke.

Lieve Roland, uiteraard is deze brief een surrogaatkus, een lapkus. Dat snap je toch wel? Uiteraard zou ik je het liefst nog een keer in mijn armen hebben gehad. Maar dat kan nu niet meer, ouwe rakker. Beloof je me snel nog eens te komen spoken in mijn dromen? Wees dan wel voorzichtig als je uit het raam van mijn slaapkamer glipt. Op de randweg rijden de auto’s hard. Ik weet te weinig over het leven na de dood om uit te sluiten dat spoken harde klappen kunnen krijgen. Kom gerust onaangekondigd langs, of als ik geroffel op de deuren hoor, zal ik weten dat het jouw drumsticks zijn.

En weet dat ik je naast rust ook toewens wat je gretige hart wil. Desnoods een mooie portie rusteloosheid, desnoods de kans om steeds opnieuw te dolen en thuis te komen bij wie jou liefheeft. Ik ben één van die velen, niet ondanks, nee, zonder gemaar, zonder concessies. Lieve meneer Zeldenrust, ik zie je graag. En nu rest me niks anders dan je vaarwel te zwaaien met deze pen van mij, die vanavond geen wapen, maar een veer is waar droeve inkt uit druipt.

Sterkte ook aan je nabestaanden, je kinderen, je moedige geliefde die je zo bleef steunen en verzorgen, je vrienden, al wie zich aan je vuur kon warmen en mocht branden.

Dikke kus, kanjer,
Ik heb je lief,

Marie
x

Populaire berichten