zaterdag 31 december 2011

2011: een balans

Ik herinner me 2011 als een jaar dat begon met ruzie. We zaten in een huis, in een straat die haar naam nog waarmaakte, en aten Nederlandse soep uit blik en een Belgisch hoofdgerecht dat uren had staan pruttelen. Bij de buren werd een vrouw in het gezicht geslagen. Misschien een mes. Sirenes, een man die de benen neemt. Ik zoek mijn lief om me vast te houden. Hij kust de andere mensen eerst. Het onheilspellende gevoel dat me bekruipt, wijt ik aan mijn schrijvershoofd en ietwat bange buik.

Ik herinner me 2011 als het jaar waarin ik met succes de Nederlandse podia beklom. Een jaar waarin de taartballon die ik voor mijn negenentwintigste verjaardag kreeg naar beneden zakte en de grote bananenboom een bloem kreeg en stierf. Een jaar waarin ik over protest schreef, voor het eerst drieënvijftig kilo woog en roze laarzen kocht die rond mijn kuiten spanden. Vriendinnen werden zwanger en bevielen van een bundel onschuld. Ik herinner me de avond waarop ik aan een kampvuur met een vijfjarige praatte. En ‘La chanson des vieux amants’ zong terwijl baby’s tegen mijn schouder in slaap vielen.

Ik herinner me eind april. Mijn lief belde me op terwijl ik naar de fitnesszaal huppelde. Hij zei ‘Het is fijn dat je de laatste dagen zoveel lacht.’ Ik sprak uit gelukkig te zijn en beet op mijn tong. Ik herinner me begin mei. Mijn vader komt op bezoek en begint te huilen. Mijn vingers die drie letters in de zoekbalk tikken. A – L – S. Ik herinner me een lief dat mijn angst probeert te kaderen. Een man die steeds verder van me wegkroop en elke week hetzelfde lijstje verwijten aan me presenteerde. Een toverformule waaruit een vrouw ontstond die ik steeds minder goed herkende.

Ik herinner me 6 juli. Prince kwam naar Gent. I was going to party like it was 1999 – met hem die in dat jaar mijn hart brak. Die warme ochtend zou de angst verdwijnen. Maar dat deed ze niet. Ze werd verdriet dat nergens heen kon. Stilte aan de andere kant van de lijn. Veel ‘kop op’, ‘hou je taai’ en ‘geniet van wat rest’. Veel tranen in een krib die plots benauwd leek. Geen bergen of duinen in de buurt. Een moeder die me zegt dat ook zij verlamd zal raken. Een moeder die nog steeds niet luistert. Een zus die tegen mijnbouw vecht in een ander deel van de wereld.

Ik herinner me vijf maanden keihard ‘bikkelen’. Overuren maken en noodkreten die niemand hoort. Een relatietherapeut die me vertelt dat ik de teugels in handen moet nemen en mijn verdriet een plek moet geven. Ik herinner me 2011 als ‘lijnen op een plein’. Ik schreef niet minder, maar voelde me ongelezen. Ik praatte veel en kreeg geen vat op wat onbegrensd uit me stroomde, in me vrat.

Ik herinner me de laatste nacht van 2011. De kat sliep voor het eerst bij me in bed en drukte haar trillend lijfje tegen mijn buik aan. Ik werd steeds opnieuw wakker van mijn eigen kreten. Ik herinner me mijn lichaam in de spiegel. Ik ken deze achtenveertig kilo goed, maar ze zijn veel ouder geworden. Boosheid werd wanhoop, mijn blond zonnekind een eenzame soldaat, een lafaard met knellende hoofdpijn. Ik herinner me de bel die gaat terwijl ik de balans opmaak. Uit een grote doos komt een nieuwe ballon. Een vlinder. De brief die aan het touwtje hangt, zorgt ervoor dat de vlinder niet kan opstijgen. Deze weegschaal is uit balans.

Ik neem een trein. Een nachttrein naar Lissabon, een dagtrein naar Antwerpen. Op de laatste avond ga ik wat me nog rest in mijn armen koesteren. Op de laatste avond ga ik troosten.

Voor wie na het lezen van dit bericht behoefte heeft aan troostende woorden: lees wat Anna schreef.

zondag 25 december 2011

Een soldaat zonder naam

Voor het verhaal begint - de soundtrack.

Daar staat mijn soldaat. Ik zou hem er uit de duizenden uit kunnen halen. De helm die zwaar op zijn hoofd drukt, doet zijn fijne trekken onrecht aan en laat ze kinderlijk lijken. Mijn soldaat is kleiner dan de rest en een stukje breder. Zijn borst steekt vooruit. Dat is niet zozeer een blijk van trots, maar een logisch anatomisch gevolg van zijn spieren, die ter hoogte van zijn buik een plateau vormen maar hoger op de ribbenkast dik gestapeld zijn. Zelfs als hij een week moet zweten en niet eten kan door de griep, blijven zijn schouders en borst die niet bedoelde trots bewaren. Bovenop zijn schouders staan twee knobbels, die nu verstopt zitten in het uniform.

Ik heb de laatste dagen goed voor hem gezorgd. Geen enkele vrouw, moeder of zus ziet haar soldaat graag vertrekken. Ik heb broodjes gebakken en vis in de oven gezet. Met veel groenten, want die krijg je niet zomaar in een oorlog. Ik heb ook veel gehuild. 'Kijk,’ heeft hij me voor het afscheid gezegd. ‘Ik heb mijn ogen getraind, zodat ze sneller drogen. Tranen vertroebelen je zicht als je een dier moet doden.’ Ik antwoordde dat het knap was en vocht tegen de aandrang om wasknijpers op zijn oogleden te zetten, zodat hij me eeuwig aan moet kijken.

Hij heeft lappen gekocht. Die zijn nodig om zijn knokkels te beschermen tegen het glas. In het land waar hij heen gaat, staan spiegels. Wat een soldaat met die spiegels moet doen, verschilt per missie en valt op voorhand niet te vertellen. Misschien moet hij ze op zijn schouders binden en ergens anders plaatsen. In dat geval komt de brede rug goed van pas. Het kan ook zijn dat hij zonder knipperen in de spiegels moet kijken. Dat klinkt eenvoudig, maar die goed getrainde ogen zal hij nodig hebben. Misschien krijgt hij de opdracht van een Generaal Zonder Naam om al die spiegels stuk te slaan. Dan heeft hij maar beter doeken rond zijn vuisten gebonden. Want ’s avonds in het kamp is er geen vrouw om het bloed op te zuigen. De pleisters zijn schaars in het Kamp Zonder Naam.

Niet iedereen vindt het verstandig van me om vroegtijdig in de rouw te gaan. Wie weet komt hij levend terug? Ik zal hem herkennen, zeggen ze, aan de sproeten op zijn rug als hij met ontbloot bovenlijf zijn tanden poetst. Ja, dat klopt. Misschien zullen er wat nieuwe sproeten zijn ontstaan, maar de tekening blijft gelijk. Ik kan ze uit duizend andere besproete ruggen herkennen. Maar ik heb hem zien veranderen en dat doet zeer. Niet enkel zijn trekken werden ietwat harder, ook zijn nek werd alvast wat stijver om die helm te kunnen dragen. Zijn handen zijn steeds vaker in knuisten gebald. Zelfs zijn logica veranderde. De tijd die ons voor zijn vertrek beloofd was, kortte - onder invloed van wetten die ik niet kende - aanzienlijk in. Een hele week werd een verlengd weekend.

Misschien komt hij terug. Maar hij wil op dit moment de oorlog in. Strijden voor een land dat misschien nooit van zijn vader was en dus ook niet van hem zal worden. De grenzen van het land kent niemand, het heeft niet eens een naam. En dat hij kiest voor dat naamloze, laat het mij zo zinloos lijken. Maar wie ben ik, als vrouw. Ik kan niet anders dan in mijn eigen handen bijten. Ik heb geen ogen die getraind zijn tegen weer en wind. Ik zal mijn eigen oorlog vechten. In stilte. Of met een pen misschien.

vrijdag 23 december 2011

Stomme orchidee

Ik had vandaag achter Twitterschermen een gesprekje met een student. Hij vroeg om een cijfer, ik vertelde dat ik wat hij op zijn blog had geschreven over de beoordeling behoorlijk ongegrond vond. Een paar minuten later stuurden we de beste wensen naar elkaar. Toen kreeg ik dit bericht: ‘Daarnaast wil ik wel nog even kwijt dat ik het jammer vind dat je docent bent geworden en geen fulltime schrijfster of columniste. En dat is een compliment.’

In de uren die volgden op zijn bericht heb ik een lange brief geschreven. Ik heb zo’n drie uur nodig gehad om die brief te schrijven. Het resultaat is weinig poëtisch, omdat poëzie soms in de weg zit als je dingen duidelijk wil maken. De hele middag bleef de opmerking van de student in mijn maag zitten. Heeft hij gelijk? Kan ik dit als een compliment zien of voel ik me vooral betrapt? Waarom voel ik me betrapt?

Plots schrok ik. In mijn ooghoek verloor één orchidee een wit blaadje, dat zielloos op de vensterbank ging liggen. Er trilde iets in mijn hart. Ik vloekte en onderdrukte de neiging om de stomme plant kaal te plukken. Waarom? Deze bloem staat symbool voor alles wat nu niet aanvaard wordt, omdat het kwetsbaar is en geen ruimte kan krijgen. Niet van anderen, ook niet van mezelf. Sterker nog: de kwetsbaarheid wordt vervloekt als een lastig obstakel.

Want wat heb je aan een gevoelige bloem? Hoe je ook draait of keert – een mens blijft in de kern alleen. Sommigen schrijven die wijsheid op een tegeltje en hangen het op in de wc. Anderen weigeren zich hierbij neer te leggen en kiezen voor het onderwijs. Nooit veel geld, altijd een beetje idealisme. En in hun vrije tijd schrijven die enkelingen wat woorden op om de wereld te verbeteren, op grote en op kleine schaal. Gratis en voor niks een stukje ziel te koop. Er valt echt niets mee vrij te kopen.

Onderwijs en poëzie. Voor het eerst in zeven jaar tijd vind ik het surrogaten die me afleiden van waar ik dringend door moet. Nee, u hoort geen alarmbel. Ik weet zelf wel dat dit gevoel overwaait. Maar soms is het vreselijk vermoeiend om te merken dat je zelfs met je talenten geen verbinding met anderen kan leggen. Kortom: onder druk vind ik in geen van beide ‘disciplines’ rust. En dat ik in die periodes niet enkel slechter les geef, maar ook geen tijd maak om te schrijven, geeft me het gevoel dat ik een zwakke bedrieger ben. Terwijl ik tegelijkertijd ook niet geloof dat iets van beide langdurig soelaas kan bieden.

Akkoord, er zijn mannen die op basis van wat ik schrijf met me zouden willen trouwen - zonder dat ze me ooit ontmoet hebben. Dat weet ik, omdat ik af en toe mailtjes in mijn mailbox krijg. ‘Dat ik ze raak’, zeggen ze dan. En af en toe schrijf ik een brief die de illusie wekt dat woede op dezelfde manier gedeeld wordt. Of dat ontroering zo oprecht is, dat de wereld even een paar millimeter in de juiste richting opschuift. Doordat we samen duwen. Omdat we samen trekken.

En ja, soms geef je lessen waarin er tijd is om te praten en er op niks bespaard moet worden. En dan kom je jaren later een ex-leerling tegen, die je zegt dat hij of zij er nog vaak aan denkt. Aan dat ene gesprek of dat andere gedicht dat we lazen toen er buiten een storm woedde – weet je nog - of aan die vervelende opmerking die ik naar aanleiding van dat ene conflict maakte. En hoe dat iets gewijzigd heeft, een paar seconden in de klok van het leven.

Maar hoe kortstondig is dit alles. Een paar dagen geleden stond ik om half negen ’s ochtends tevergeefs aan een fietsslot te rammelen terwijl er boven een klas op me wachtte. Het was het tweede slot dat deze week besloot potdicht te roesten en dat zinloos wrikken vatte het allemaal zo mooi samen. Ik kreeg zin om op de spaken te trappen, ze tussen mijn tanden te slijpen, door de regen naar de andere kant van de stad te hollen en één van die spaken in een zeker mannenhart te steken.

Ik kreeg zin om in te storten, te huilen op de natte grond en niet op te houden tot mijn vader me op mijn schouder zou tikken. En me zou brengen naar een plek waar het muisstil is. Waar ik geen enkele taalregel hoef uit te leggen en geen woorden meer hoef te schrijven. Waar voor één moment alles zeker is.

Hier vind je de soundtrack van dit bericht.

donderdag 8 december 2011

Een brief aan de Belgische premier, Elio di Rupo

Beste Elio Di Rupo,

Ik schrijf u een brief om verschillende redenen. Ten eerste om u te vertellen dat u een sprankel trots in mij hebt opgewekt. Niet omdat u de eerste openlijke homoseksuele premier van Europa bent. En ook niet omdat u als één van de zeven kinderen van een arme, Italiaanse mijnwerker de ‘Belgian dream’ verwezenlijkt. Dat is knap, toegeven, maar die droom bestaat niet. Hij ontstaat hoogstens in uw handen.

Normaal gezien interesseren de privélevens van politici me weinig. Niet verwonderlijk, als wat je van die levens te zien krijgt vaak gereduceerd wordt tot een glimp van onbelangrijke platvloersheid. Het bezoekje aan een ‘gesellig’ dancefeest bijvoorbeeld, een betoog over de waarde van de Strangers of de beste samoeraisaus in de plaatselijke frituur. Ieder zijn zonden, maar sommige dingen moeten misschien niet gezegd worden.

Daarnet bekeek ik een interview, waarin u toch wat golven van uw persoonlijke woelwater laat zien. U vertelt hoe uw moeder, toen ze op jonge leeftijd weduwe werd, veertien jaar geen vlees heeft gegeten om haar kinderen zoveel mogelijk te geven. Hoe ze jarenlang in het zwart rouwde en daarna koos voor een donkerblauwe schakering. Om op feestdagen toch een beetje specialer dan anders te eten, sneed ze gesuikerde sandwiches doormidden en legde daar een laagje vanillesaus tussen. Wanneer de vermoeidheid toeslaat, grijpt u nog steeds naar vanillepudding.

Ik ben al weken moe. Ik ben zo moe, dat ik niet meer kan schrijven. Maar vanavond, toen ik u hoorde vertellen over die vanillesaus, borrelde er een brief op in mijn Belgenbuik... Misschien heb ik een zwak voor pezige Italianen. U doet mij een beetje denken aan een andere leuke Italiaan, Sandro Veronesi. Hij is ook een trotse, wat theatrale, maar bovenal eloquente en innemende man. En hij heeft oog voor het kleine. Een strikje staat hem vast ook. Zou het zo simpel zijn?

Nee, het gaat nog verder. U nam één avond mijn vermoeidheid weg, u liet mijn ledematen lachen en maakte mijn spieren rustig. Ik drink al maanden liters ‘slaapzacht’-thee, met een berenfamilie op de verpakking, maar het mag niet baten. Uw lichte tred hielp wel. Uw tegenstander maakt graag van een mug een olifant. Laat hem. Lees poëzie, tover dan uw mooiste Vlaams boven en bied hem een dik pak friet met samoeraisaus aan. Laat hem sudderen in zijn eigen vet.

Elio. Ik schrijf u omdat ik hoop dat u dit leest. Dat u begrijpt dat er Vlamingen zijn die wel in u geloven. En bovenal: dat u er zelf in gelooft. Probeer het – de hele rotzooi wat eerlijker en fijner maken. En ja, het regeerakkoord moet ik nog lezen. Het is niet ondenkbaar dat de berenthee het niet zal winnen van de verontwaardiging. Maar toch. Trap niet in mijn val. Wees niet te vaak boos, zoek de krachtige verontwaardiging en buig dat alles om tot hoop. Maak van die olifant weer een vlinder. En sla genoeg vanillesaus in.

Liefs,
Marie

maandag 14 november 2011

EP-presentatie Leendert & Thomas Aram. En nieuws uit Guatemala.

Een aantal maanden geleden was ik getuige van een onrechtvaardige gebeurtenis. Singer-songwriter Leendert mocht met zijn schilderachtige liedjes niet door naar de finale van een wedstrijd, omdat ze volgens de jury 'te intens' waren. Ik schreef over de stilte die hij teweeg bracht en sindsdien deelden we al een paar keer het podium. Aanstaande woensdag houdt Leendert met Thomas Aram een 'dubbele EP-presentatie' in Pakhuis Wilhelmina. De deuren gaan om acht uur open. Met een feestje achteraf en mijn herfstige teksten als voorgerecht. Welkom!

In afwachting van wat meer tijd om te schrijven laat ik jullie graag luisteren naar een interview van Radio Centraal met mijn zus, Irina Meeusen. Ze besteedt aandacht aan onderbelicht nieuws en vertelt over de overstromingen en de verkiezing van een ex-militair tot president in Guatemala, waar ze op dit moment woont.

zondag 23 oktober 2011

Offerande

Leg mijn naam op tafel, tussen de gangen
van het kaartenhuis dat ons beiden te klein is.
Gun me de keerzijde die dit allemaal niet waard is.

Zet me klem in de zwaartekracht van de kaarten:
de schoppen drie, het hoogste goed en twee koninginnen:
die van de nacht en van het bloedrode hart.

Ik ben een verhaal zonder einde. Steeds weer.
Maar wees gerust: ik ken de rol die ik spelen moet.
Uw portret hangt al ingelijst in deze koude kamer.

Mijn vingers kennen het stof dat zich ophoopt
tussen de offers die ik eerder verbeeldde.
Dus sla mij lam, ik zal u smalend eren.

Smeek om meer en laat me ontkomen.

zaterdag 22 oktober 2011

Bewerking van het Nederlandse regeerakkoord op Occupy Amsterdam

Protest bis

Ik ben niet op tijd op het Beursplein geraakt om mee te stappen met de mars/wandeling/... die vandaag door Occupy Amsterdam georganiseerd wordt. En heb daar de allerbeste reden voor. Maar u heeft die reden vast niet. Laten ik daarom, ter herinnering aan alles wat nog belangrijker is dan de stomste kutreden om niet op een plein te geraken, een ingezonden bericht plaatsen. De tekst is van Ron.

Juist vandaag de dag is protesteren dapper. We staan dagelijks poedeltje naakt salvo's marketing, politieke leugens en bullshit te incasseren. Dit zijn we zo gewend dat we ons van de intoxicatie niet eens bewust zijn. We denken dat het allemaal wel meevalt of overwaait. We leiden aan apathie. Vinden het nog heerlijk comfortabel ook. We zijn ingekakte verwende apen in luilekkerland ...wij hebben nooit hoeven vechten. En we moesten ons schamen tegenover generaties voor ons die nog lansen braken voor sociale zekerheid, vakbonden, fatsoenlijk onderwijs of 'gewoon' vrede. Ondertussen winterslapen we lekker door totdat we wakker zullen worden van de kou en alle beschaving als een Atlantis zien verzuipen. Protesteren anno 2011 is dapper. Maar vooral hard nodig!

Of je meedoet of niet, zet protest alsjeblieft niet denigrerend weg alsof het puberaal idealistisch geneuzel is. Neem de wind niet uit de zeilen van schepen die nodig zijn.


En ook Dima legt uit waarom protest nodig is.

Ik wens iedereen een fijne, verontwaardigde dag toe.

donderdag 20 oktober 2011

Lijnen op een plein

We hebben ons verzameld op een reusachtig plein. Er waait een sterke wind en het is zo koud, dat onze lippen blauw geworden zijn. Misschien zou het helpen om wat dichter bij elkaar te staan. Maar dat blijft toch altijd schrikken, huid op huid en merken dat de ander het nog kouder heeft dan jij. Dus we blijven op een veilige afstand van elkaar staan.

Gelukkig is de opdracht voor vandaag heel eenvoudig: een paar lijnen op de grond tekenen. Ik neem een wit krijtje uit mijn zak om een eerste grens te trekken. Dat kan ik goed, het initiatief nemen. Maar door de kou slaag ik er niet in om het krijtje vast te houden. Het breekt in tweeën op de stenen grond.

Plots staat hij achter mij. Zijn handen, die onverklaarbaar warm zijn, omkapselen de mijne. Hij sust me: “Rustig, ik zal ervoor zorgen dat je je krijtje opnieuw vast kan houden.” Vol afgrijzen kijk ik naar mijn handen. De warmte was afkomstig van dikke stroop, die nu mijn vingers aan elkaar kleeft. Ieder protestgebaar ziet er vanaf nu potsierlijk uit. Als ik mijn duim en wijsvinger tegen elkaar zou plaatsen en heel luid “Va fan culo!” zou roepen, dan blijven mijn vingers tot in de eeuwigheid in die protestpositie staan. Er zit niets anders op dan de zoete stroop van mijn handen te likken.

Nu stapt zij naar voor. Ze heeft net als ik een krijtje meegebracht, dat even rood is als haar lippenstift. Driftig somt ze alles op. Conclusie? Ze heeft een cirkel nodig waar veel ingestouwd kan worden. In één beweging tekent ze een grote, rode cirkel op het plein. De rode lijn raakt bijna mijn tenen en komt ook heel dicht bij alle andere voeten.

Ik roep. “Nee! Wij hebben ook ruimte nodig!” Plots begint het heel hard te regenen. Heb ik die regen opgeroepen? Alleszins niet met opzet. De dikke, rode lijn vervaagt. Het lijkt wel alsof er een jager voorbij is gekomen met een bloederige haas op zijn schouder. Met de zware regenval komt er ook een bord naar beneden gewaaid dat op een meter voor mij landt. “Wij zijn 99%!” staat er op het bord. Ik knik. Zo vol zijn onze hoofden.

Misschien moeten we op zoek gaan naar dat ene procent dat overblijft. Van daaruit onderhandelen vooraleer we grenzen trekken. Of is het beter om al die strepen te vergeten en heel dicht op een hoopje te gaan staan? Kunnen we dan nog wel ademen?

De opdracht voor vandaag leek nochtans niet zo moeilijk. Een paar lijnen trekken op een plein.

En wat muziek die hier goed bijpast. Dank je, Nora.

dinsdag 18 oktober 2011

Na een nachtje slapen... aanvullingen en huisregels

Uiteraard was ik me er gisteren van bewust dat de mogelijkheid bestond dat deze - meestal erg rustige - virtuele plek overspoeld zou worden door lezers die hier normaliter nooit komen. En uiteraard was dat stiekem ook een beetje de bedoeling van deze 'piratenactie'. Ik betreur dat het publieke debat onmogelijk geworden is. Een echt inhoudelijk discussie, met voor- en tegenstanders die zich zo goed mogelijk informeren, is wat echt nodig is. Dat ik daarvoor door het slijk getrokken wordt door bepaalde mensen is een offer dat ik graag maak. Nog een paar opmerkingen voor ik zuidwaarts vertrek:

1. Occupy is een internationale beweging. Omdat de beweging geen echte leiders heeft en zo vreselijk breed is (gevormd door mensen uit allerlei politieke, geografische en sociale hoeken), is het normaal en gezond dat er nog geen echt manifest is.

2. Dit betekent echt niet dat Occupy een vaag allegaartje is. Kijk maar naar het manifest van 'De Naamloze Vennootschap' , dat helder probeert te verwoorden welke verontwaardiging gedeeld wordt door de mensen die zich aansluiten bij de Occupy-beweging. Ook op de website van Occupy Amsterdam vind je een aantal voorstellen die in de toekomst bruikbaar kunnen zijn. Als je mee wil discussiëren, moet je wel even een account aanmaken.

3. De voorlaatste alinea van mijn brief heb ik gisteravond nog aangepast. De boodschap blijft gelijk, alleen heb ik ze nu zo verwoord op een manier die eenduidiger is en minder vatbaar voor misinterpretatie.

4. Ik heb meneer Verhaars columns nooit 'kanker' genoemd, want deze metafoor is veel breder bedoeld. Dat ik hem zelf kanker toewens, zoals in sommige reacties gesuggereerd wordt, getuigt al helemaal van een gebrekkige leesvaardigheid. Dat deze kankermetafoor door Verhaar toch aangewend wordt als een reden om niet te reageren, vind ik naast zwak ook ontzettend hypocriet. Hij is een vast columnist voor een website waar vrouwen regelmatig 'hoeren' wordt genoemd en in de reacties onder de desbetreffende post, wordt regelrecht opgeroepen tot geweld tegenover zwarte mensen.

5. Mocht Peter Verhaar, toch nog willen terugkomen op zijn laffe reactie, dan ben ik daar zeer benieuwd naar.

6. Huiverinkt is GeenStijl niet. Hoewel ik verheugd ben over de discussie die ontstaat, wil ik ze zo inhoudelijk mogelijk proberen te houden. Daarom zullen alle anonieme reacties verwijderd worden. Ook reacties die geschreven zijn door mensen die de brief én daaropvolgende reacties niet of oppervlakkig gelezen hebben en daar toch allerlei zaken over beweren, worden verwijderd. Als u daar niet mee akkoord gaat, verzoek ik u dringend op andere plekken te gaan fulmineren.

Een prettige discussie verder. Ten vroegste vrijdag volgt het volgende verslag van Occupy Amsterdam. Tot dan heb ik andere dingen aan mijn hoofd. En hopelijk vind ik binnenkort opnieuw tijd voor een blogpost met een zeker poëtisch gehalte.

maandag 17 oktober 2011

Open brief aan Peter Verhaar (columnist van GeenStijl)

Woord vooraf: Deze brief kreeg de meeste reacties ooit op Huiverinkt, maar nooit een antwoord van de geadresseerde. Uiteraard werd ik op GeenStijl wel door de mangel gehaald. Of dat leek toch de bedoeling te zijn. Wat er vervolgens in de reacties gebeurde, was best interessant. Kijk hier.

Beste Peter,

Ziezo. Een open brief die begint met een heldere aanleiding. 'Om 1200 demonstreren ze op Damrak tegen kapitalisme;s'avonds kijken ze op hun grote flatscreens of ze in beeld zijn.' Op de startdag van Occupy Amsterdam werd deze tweet van uw hand meer dan 100 keer geretweet. Twee dagen later is dit nog altijd een zogenaamde ‘toptweet’ die bovenaan staat als je in de zoekbalk #occupyamsterdam intikt. Gezien uw populariteit was dit een makkelijke maar geslaagde kaping van een belangrijk maatschappelijk onderwerp, toegegeven.

Ik wil het niet hebben over de pijnlijke slordigheid waarmee uw tweet getikt is. Ook wil ik niet jammeren over de dubbele rol die de media spelen in de berichtgeving rond de Occupy-acties. Sterker nog, voor deze brief vind ik uw stukje ‘Inhoudsloos bazelen’ op GeenStijl minder interessant dan waarom uw tweet een toptweet wordt.

Het is de kanker van de tijd, vermoed ik. Deze kanker wordt op GeenStijl (‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’) verder gecultiveerd. Als je deze kanker probeert tegen te gaan, dan wordt er verwacht dat je meteen een duidelijke behandeling in de plaats kan stellen. Een onderzoekende houding wordt niet getolereerd en gezien als tijdsverlies. ‘Welke alternatieven bieden de bezetters van Occupy Amsterdam?’ Tweets als deze plaatst u driftig op uw persoonlijke pagina. U heeft pasklare antwoorden nodig van die linkse ratten, want van dit inhoudsloos gebazel wordt u ongeduldig. Kom op, laat ze maar komen, met hun voorstel tot wereldwijde regularisatie van het banksysteem en een alternatief voor het neoliberalisme. ‘Wij zijn benieuwd, moehaha.’

Meneer Verhaar, mag ik de bal terugkaatsen? Kan u een vinger leggen op dit wanstaltig gezwel? Kan u duidelijk uitleggen waarom u meedraait in het heersende systeem? Door uw columns op GeenStijl te plaatsen hoopt u misschien dat wij de indruk krijgen dat u nog steeds het stoute jongetje bent dat vanuit de kantlijn tegen de grote vragen staat aan te schoppen. Maar kwajongens regeren dit Neder-land en verwijten op ongefundeerde websites dat anderen maar inhoudsloos bazelen. Meneer Verhaar, het is tijd om groot te worden en naar de rijke vent in de spiegel te kijken.

Wie u zeker bent? U bent onder andere ‘oprichter Alex Beleggersbank.blog en bank-columnist op GeenStijl’. Zijn er genoeg redenen om te vrezen dat we nooit overeen zullen komen? Niet belangrijk, want ik schrijf u deze brief om te begrijpen wie u nog meer bent. U bent een deel van de kanker. Ik ook, begrijp me niet verkeerd. Maar ik sta nog open voor alternatieve behandelingen. Al is het inderdaad erg moeilijk om niet besmet te raken met dezelfde misselijkheid die zo vreselijk ‘tendentieus’ is. Moet ik mezelf in quarantaine plaatsen? Ik denk het niet.

U schrijft voor GeenStijl. MijnStijl is soms dromerig en kwetsbaar, maar wel vaker boos en verontwaardigd. Misschien is die verontwaardiging wel net wat we delen. Ik zou daarom dolgraag weten waarover u verontwaardigd bent. Dat is hetzelfde als vragen wie u nog meer bent, begrijpt u dat?
Bent u boos over de flatscreens die de deelnemers van Occupy Amsterdam volgens u thuis hebben staan? Klinkklare onzin, dat beseft u zelf ook wel. Een boekenkast, dat wel. Kom gerust eens aan de toekomstdromen in die boeken ruiken.

In uw column schrijft u verder dat het rijke Nederland geen reden heeft om te protesteren. Inderdaad, voorlopig hebben de Nederlanders het een stuk beter dan de gemiddelde Amerikaan, Griek of Portugees. Maar die welvaart is erg wankel. Voorbeelden uit mijn eigen leven? Ik wil MijnStijl hier liefst niet te persoonlijk maken, maar vooruit. Ik weet niet of ik kinderen op deze onzekere en keiharde wereld wil zetten. Veel van mijn studenten aan de Hogeschool van Amsterdam moeten op hun 25ste beginnen met het terugbetalen van een studieschuld van 50.000 euro. Eigen schuld, dikke bult, dat klopt. Maar geef toe, het is niet eenvoudig om op te staan in een samenleving die je liever slaappillen geeft dan redenen om je wakker te schudden. De massa slaapt en bovenaan de slapende massa staat GeenStijl te schreeuwen. ‘Tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend.’ Oef. Gelukkig hebben we jullie nog om ons erop te wijzen dat ons protest ‘inhoudsloos gebazel’ is.

Kortom: een inhoudelijk gefundeerd antwoord durf ik van u niet te verwachten. Maar toch zou ik graag begrijpen hoe het komt dat u in naam van GeenStijl schrijft. Is het omdat u weet dat ook zonder kleren aan de keizer heel lang indruk kan maken op zijn onderdanen? Gelooft u echt dat de Occupy-beweging bestaat uit mensen die thuis naar flatscreens kijken? Of beweert u morgen lekker het tegenovergestelde, dat de beweging bestaat uit een groep werkloze mensen met vettige dreadlocks, die de wiet uit elkaars rugzak stelen? Of is het allemaal veel simpeler dan dat en komt het u nu eenmaal beter uit als we de verrotting door laten woekeren? Als dat uw antwoord is, zou het mooi zijn voor de maatschappelijke discussie als u dat ook kon toegeven.

Beste Peter Verhaar, is het zo moeilijk om voor één keer 'consequent, gefundeerd en respectvol' te zijn? Als dat niet lukt, probeer u dan eens echte tegenslag voor te stellen. Een kelderend bedrijf bijvoorbeeld. Of een grachtenpand dat veel te duur blijkt te zijn. Een doodziek familielid voor wie de behandeling niet gedekt wordt door de geprivatiseerde ziekteverzekering. Kan u zich nu meer voorstellen bij de verontwaardiging die de mensen die zich bij Occupy Amsterdam aansluiten? Ziet u hoe die verontwaardiging vanuit oprechte bezorgdheid ontstaat? Het lijkt me goed als u bij uzelf eens nagaat waar uw 'ongefundeerde' verontwaardiging echt is ontstaan.

En nog dit: waarom de Occupy-beweging haar tenten niet heeft opgezet in de Zuidas, waar het echte geld zit? Het mag dan vooralsnog een dorp vol dromers en linkse ratten zijn, ik ben blij dat ze er toch iets van hebben begrepen. Kom me vanavond gerust eens opzoeken in het goed bereikbare centrum van de stad op het Beursplein. U herkent me aan mijn Belgische tongval. En ik kan vooralsnog gerust het bier betalen, mocht u op mijn uitnodiging ingaan. Ik ben geen zakkenroller. Nu u.

Met nieuwsgierige & verontwaardigde groet,
Marie

'We zaten eventjes op dezelfde frequentie' (verslag dag 2)



foto: Kasper Vogelzang

Nieuwsgierigheid heeft ervoor gezorgd dat ik op de grond naast een man met dreadlocks ben beland. Hij heeft een verweerd gezicht, lieve ogen en een heftig verhaal. Erg duidelijk lijkt onze conversatie niet te worden. Nochtans trok hij eerder op de avond, tijdens de ‘group assembly’, mijn aandacht met een kurkdroge opmerking. Toen we de actie bespraken die morgenochtend bij de opening van de beurs zal worden gehouden.

Plots hoor ik een blond meisje met een bril een vraag stellen. Wie zijn we, wat doen we? Ik richt me op en leid haar en haar vriendinnetje naar de informatieboom. Dit is één van de vaste stekjes die de laatste 24 uur deel zijn gaan uitmaken van het vreemdsoortige dorp dat het Beursplein ondertussen is geworden. Bij de pingpongtafel staan een paar Marokkaanse jochies te praten met Spaanse toeristen. We lopen voorbij een jongen die net aan de UvA is gepromoveerd en die vanavond stevig bijdroeg aan de ‘group assembly’.

De twee meisjes bekijken grondig het foldertje van ‘Occupy Amsterdam’. Hmm, niet duidelijk één politieke strekking dus. Maar wat dan wel? Ik besluit de vraag terug te stellen. Waarom zijn zij gekomen? Het blonde meisje werkt bij de Bijenkorf. Na twee dagen wilde ze wel eens weten wie al dat vrolijke geluid maakt.

Ze gaat verder. Of ik weet dat de versterking op het plein gisteren, toen mensen door een microfoon hun protest uitten, even op dezelfde frequentie zat als de intercom van de Bijenkorf? De winkelende toeristen wisten niet wat hen overkwam. Een lach borrelt uit het diepste van mijn buik op. Enthousiast loop ik naar het mediateam, dat hopelijk morgen (maandag) om half zes echt vorm zal krijgen. Ik hoor een leuk verhaal voor een tweet, wil ik hun zeggen, maar behalve de nieuwe geluidsman (die gisteren mijn protesttekst opnam) krijg ik de aandacht niet. Alle blikken zijn fanatiek op het computerscherm gericht. Sommige mensen zijn bezig met het opzetten van een partytent. Ach, ik schrijf het zelf wel even op. Het blonde meisje krijgt mijn visitekaartje.

Wat later staat ze te praten met fotograaf Kasper. 'Vind je dat niet vreselijk?' hoor ik hem uitroepen. Het gesprek gaat over de studieschuld van het meisje, die 50.000 euro bedraagt. Daar moet ze even over nadenken. 'Ik kom later zeker nog eens langs', belooft ze. 'Want het gaat over ons allemaal, toch?' Het is nog iets te vroeg voor het idee om elke dag een kleine nieuwsuitzending van één minuut in de Bijenkorf uit te zenden. Maar misschien is het wel een leuk plan voor binnenkort. Want zelfs de winkelende mensen in het grootwarenhuis delen dezelfde frequentie. En ook met de politie zit het voorlopig wel goed.

Wie zich wil informeren over het waarom van deze beweging… hier is de tip van de dag.

zondag 16 oktober 2011

open e-mail aan schoolbestuur Landstede

Beste schoolbestuur,

Veel tijd voor deze e-mail heb ik niet. Ik moet nog wc-papier gaan kopen en dat samen met de douchegel en de plakken kaas die ik op overschot heb in een tas steken. Deze spullen geef ik straks aan de actievoerders die sinds gisteren in het kader van Occupy Amsterdam het Beursplein bezetten. 'Bezetters' is overigens een veel te groot woord voor de paar duizend mensen die inzien dat er een paar dingen erg fout gaan in deze wereld. En dat we dringend een plek nodig hebben om samen te praten over wat we hieraan kunnen doen.

Gisteren was er ook een leerling die op jullie school studeert bij de sprekers die de duizenden mensen op het Beursplein toesprak. Zijn naam heb ik niet onthouden, maar ik onthield wel wat hij vertelde. Dat het schoolbestuur met een schorsing had gedreigd nadat hij op school posters van ‘Occupy Amsterdam’ had opgehangen.

Ik werk zelf al een jaar of zes in het onderwijs. Eerst in Belgische scholen, waar een behoorlijk streng posterbeleid wordt gevoerd. Daar geldt de regel: enkel posters voor evenementen die je zelf organiseert en zeker geen posters met commerciële doeleinden. Occupy Amsterdam heeft geen leiding. Iedereen organiseert mee.

Nu ik werk op de Hogeschool van Amsterdam, kijk ik mijn ogen uit. Tijdens mijn lunchpauze kijk ik naar een scherm dat flitsende beelden van merknamen en naakte vrouwen toont. De liften en muren in het gebouw hangen vol met reclame voor Blackberry, T-mobile, Apple en andere bedrijven. Mocht ik daar een affiche van ‘Occupy Amsterdam’ zien hangen, dan zou mijn hart een sprongetje maken van opluchting. Want is dat niet waar onderwijs over zou moeten gaan? Zelf een beter, slimmer, handiger mens worden. En ervoor zorgen dat ook de wereld rondom jou betere overlevingskansen krijgt.

Met vriendelijke groet,
Marie

zaterdag 15 oktober 2011

Occupy Amsterdam: verslag dag 1 aan de hand van persoonlijke hoogtepunten


#voorbereiding Ik knip een tasje met stoffen handvatten doormidden en schrijf er het volgende op: “The only good now listens to the past and cares about the future. No pasaran.’” Daarna steek ik mijn armen door de lusjes, zodat de slogan op mijn rug belandt.

#Spanjaardinkielzog Onderweg, op het Rokin, tikt een fietsende Spanjaard me op mijn sloganeske rug. Vanwaar die Spaanse uitspraak? Ik vertel hem heel kort iets over mijn grootvader en troon hem mee naar het Beursplein. Hij belooft langs te zullen komen.

#lievepolitie Naar aloude gewoonte, stoot mijn fiets opgewonden wat andere fietsen omver. Braaf zet ik ze allemaal weer recht en zie in mijn ooghoek twee agenten grinniken. Ik vraag ze om lief te zijn vandaag. Ze zeggen dat ze het tot nu toe allemaal 'best gezellig' vinden.

#prachtigallegaartje Ik zie baby’s, bloemen, oude mannen, verontwaardigde zestienjarigen, veel kleur en verrassend weinig dronkenlappen. Mijn hart maakt een sprongetje. Vijf van mijn 625 Facebookvrienden komen langs en wisselen elkaar af. Het moet ergens beginnen, denk ik (lichtelijk teleurgesteld).

#geduld Een halfuur lang wacht ik geduldig op de microfoon. Ik luister naar Roel van Duijn (Provo). Een jongeman vertelt aan de menigte dat ze hem op school dreigen te schorsen omdat hij posters heeft opgehangen. We beloven een mail te sturen naar het schoolbestuur - info@landstede.nl.

#protest Ik neem de microfoon en leg de slogan op mijn rug uit. Daarna lees ik ‘Protest’ voor. Ik zeg dat deze dag wel wat seks kan gebruiken en zeker geen censuur. Handengeklap. Naast mij loeit een sirene.

#tranenindeogen Een oude man knijpt na afloop mijn schouders fijn. Ze kunnen wel wat dragen, beloof ik hem met dichtgeknepen keel. Ik krijg een visitekaartje, deel er zelf de kaartjes uit die mijn liefste vorige week voor me maakte. En ben nu al benieuwd wat er zoal in de brievenbus zal vallen.

#kringgesprek Een paar vrijwilligers leggen uit hoe we zonder micro’s en met gebaren een gesprek zullen houden. De discussie die volgt is chaotisch, maar hoopgevend. Er komen vrouwen, anarchisten en marxisten aan het woord. Maar vooral veel mensen die het allemaal kotsbeu zijn. En iets nieuws willen proberen.

#Brussel Mijn neef sms’t. “3000 Brussel. Hoeveel in Amsterdam?” (Achteraf blijkt dat er in Brussel zeker 6000 mensen aanwezig waren)

#afspraak Morgen, 16 oktober in de Melkweg. En ook in de Stadsschouwburg. En elke zaterdag vanaf nu op het Beursplein. We gaan actiegroepen maken. Nadenken over werk, onderwijs, geld, verspreiding, media. En vooral: praten over hoe het anders kan.

#oudegeitenhart Twee jongemannen spreken me aan. Ze studeren film en maken een sfeerverslag. De geluidskwaliteit van mijn optreden was slecht. We trekken elkaar naar een tussenverdieping in de Bijenkorf. Daar lees ik geduldig nog eens de tekst voor. Deze keer is het geluid een stuk beter, luister maar. Mijn oudegeitenhart maakt een sprongetje.

#theinsidejob Na een korte afwezigheid keer ik terug naar het Beursplein. Daar is de duisternis gevallen. Op een groot scherm wordt “Inside job” getoond. Over de malaise in de financiële wereld. Ik kijk verbouwereerd. Matt Damon verrast me in goede zin en Obama stelt teleur. En al de rest is te grof voor woorden. Eén man in het publiek lalt onzin die een kern van waarheid betreft. Op de trappen zie ik nog steeds veel zeventigplussers zitten.

#paprikachips Er gaat een zak chips rond. Mijn linkerbuurman houdt de zak net iets te lang vast en wordt op de vingers getikt. Mijn rechterbuurman wil vooral gelukkig zijn, maar toch vond hij het belangrijk om te komen. En vlak voor mij zie ik plots Joost Baars, die net tot de raad van beheer van het mooiste literaire tijdschrift ter wereld is toegetreden.

#smerigedixies In mijn enthousiasme ga ik zonder te kijken op de bril zitten. Een kletsnat gat en geen redding nabij.

#tenten Onderweg naar mijn fiets spreek ik 3 moedige kampeerders aan. (Er waren er veel meer). Ik beloof morgen wc-papier voor hen mee te brengen. Neemt u ook een rol mee?

Occupy Amsterdam: waarom?

Het holst van de nacht. Niet echt, dit zou het begin kunnen zijn van een wilde nacht, maar naar Amsterdamse normen is dit het holst. Negentig procent van de feestjes in de binnenstad wordt immers om één uur ‘s nachts afgesloten. Ik probeerde er twee dagen geleden over te discussiëren in een klaslokaal. Toen zei ik er snel bij dat ik een beetje aan het provoceren was. Over de avondklok heb ik met geen woord gerept. Het zou nogal zwaar zijn om dit nachtbeleid te vergelijken met een strenge avondklok uit vroegere tijden. Hopelijk denken ze daar zelf over na. Dat dit een stad is geworden waar ontzettend veel te doen valt, maar waar de discussie achteraf vaak kort en mager blijft. Omdat de kroegen sluiten. Omdat vergunningen onverbiddelijk gekoppeld zijn aan strikte burgerlijke gehoorzaamheid. Ook mijn dertigste verjaardag in een ‘creatieve vrijplaats’ werd bruusk afgesloten door een paar in het zwart geklede securitybinken. Ik was niet onder de indruk van hun machtsvertoon, maar de muziek stopte onverbiddelijk. Ruimte om het feest te rekken was er niet.

Als ze op die creatieve vrijplek een microfoon hadden geregeld, zoals beloofd was, dan had ik verteld wat al een tijdje van mijn hart moet. Hoe ik tien jaar geleden, op een betoging van ‘andersglobalisten’ in het centrum van Gent in discussie raakte met een man in maatpak die door het centrum flaneerde. “Over tien jaar praten we nog eens!” riep hij me zelfzeker toe. Dan zou ik kinderen hebben, veel geld verdienen en al helemaal niet de ambitie meer hebben om de wereld te verbeteren. Net als hij. Want that’s the way things go in this life.

“Nee!” riep ik luid en tien jaar later hoef ik hier niet op terug te komen. Ik wil weliswaar graag kinderen, maar vraag me elke dag weer af of ik ze wel op deze wereld wil zetten. Mijn studenten schrikken ervan, dat ik dat zo stellig in vraag durf te stellen. Maar ik meen het. Zoals ik het ook meen wanneer ik zeg dat iedereen die niets beters te doen heeft, morgen naar het centrum van de dichtstbijzijnde hoofdstad moet afzakken. Ik neem zelf wat teksten mee naar het Beursplein, waar Occupy Amsterdam van start zal gaan.

En nee, ik heb geen glasheldere alternatieven. Maar ik heb wel een idee over hoe beter zou kunnen gaan. En inderdaad, ik plaats me niet buiten het systeem waartegen ik reageer. En ja, de kans is groot dat dit initiatief gekaapt wordt door anachronistische marxisten en een bende nihilisten en dat zij samen met een paar politieagenten de kans schoon zullen zien om primitieve lusten bot te vieren. Maar toch, lieve mensen, blijft het een betere optie dan al die ‘ja, maar’-argumenten op te sommen en thuis te blijven.

Tot morgen? No pasaran. Laten we de geschiedenis niet vergeten. Ik wil in ieder geval vechten voor een toekomst waarmee mijn grootouders blij zouden zijn.

En nog een passend liedje gekozen door Huiverdj Nora.

dinsdag 4 oktober 2011

Met dank aan...

troost uit onverwachte hoek. En wat 'onverwacht' is, daar hebben we het later wel eens over.

De platte aarde die niet draaien wil

Soms denk ik dat de aarde plat is. Want ze kantelt op dit moment gevaarlijk. In het veilige midden is er even geen plek meer, dus ik kan niet anders dan dichtbij het randje staan.

Als dit inderdaad het geval is, dan moeten de mensen die in het midden staan even wat meer ruimte bieden aan de afvalligen. Knuffel me desnoods. En neem in die omarming ook de mensen die ik graag zie mee. Als je toch de onweerstaanbare behoefte zou voelen om mij of mijn naasten pijn te doen, hou er dan rekening mee dat ik ondertussen al een flinke tijd gewichten aan het tillen ben. Mijn armspieren zijn niet te onderschatten. Ik kan stevig omhelzen, maar als het nodig is geef ik je een duwtje. En dan moet je me niet roepen, als je daar ergens gewichtloos aan het bloeden en huilen bent.

Maar misschien is de aarde helemaal niet plat en ligt het probleem ergens anders. Als ze toch rond is, is ze vast gestopt met draaien. Ik bengel –samen met een grote hoop anderen- ergens onderaan. Wat we moeten doen als dit de oorzaak van het probleem is? De wereld draaiende houden. Zorgen dat iedereen een portie begrip en medeleven krijgt. Ruimte bieden. En af en toe een feestje houden. Een kampvuur maken. Ook dat kan helpen om die wereld draaiende te houden.

Kortom: hoe gevaarlijk deze situatie ook is, de oplossing ligt opvallend dichtbij.

zondag 25 september 2011

In het oog van de storm

“Huh, schrijf jij dan nog? Ik dacht dat je sinds juli niets meer op Huiverinkt zette.” Ik merk de laatste weken dat ik met mijn onheilspellende bericht van het begin (of einde) van deze zomer wat lezers heb weggejaagd. Wie overblijft is de jonge garde, die een blog moet bijhouden voor een vak dat ik geef. Het leek me wel zo fair om dan ook maar mijn blogurl met hen te delen. Daarnaast zijn er de nieuwsgierige oudjes en zij die niet geloofden dat ik niet langer zou schrijven. Gelijk hebben ze. Ook al stond de wereld even stil, ik begrijp maar al te goed dat hij ondertussen doorjaagt. Dit plekje is een broodnodig punt om af en toe tot rust te komen. Voor mij. En in mijn wildste dromen hoop ik ook voor de lezer.

Veel wil ik vandaag niet zeggen. Ik kom tijd tekort en slaap te weinig. Maar heb net toch het gesprek met Roel Verniers beluisterd dat op de radio werd heruitgezonden naar aanleiding van zijn dood. Ik ontdekte een paar maanden geleden de prachtig columns die hij schreef over kanker en hoe hij met de ziekte en zijn nakende dood omging. Mensen drukken me wel drie keer per dag op het hart dat ik niet te veel in de droevige dingen mag duiken. Maar voor mij werkt het helend. In het windstille oog van de storm vind ik begrip. En kan ik hopen dat ik dit begrip weer in troost voor anderen kan veranderen.

Graag zou ik wat meer onder vrienden zijn. Ik vrees soms dat mijn virtuele alomtegenwoordigheid op sociale media de indruk schept dat ik geen gaatje meer heb voor een moment met zijn tweeën. Het tegendeel is waar. Daarom ook kijk ik zo hard uit naar het feest voor mijn dertigste verjaardag, want daar zal ik vijftig keer met zijn tweeën proberen te zijn. Veel mensen ken ik van in het oog van één of andere storm. Of van een memorabel onweer dat de wereld even anders kleurde, of een briesje dat langs onze wangen streek. Eerlijk gezegd zal het me die dag ook niet kunnen schelen of er deeltjes zijn die sneller reizen dan het licht.

Dat het leven snel gaat. Dat wou ik even zeggen. Sta daar gerust af en toe bij stil.

zondag 11 september 2011

Ik heb een brief gekregen!

Drie zomers geleden schreef ik een stukje. Over meisjes - of eigenlijk één specifiek meisje - in mijn bed. Deze tekst doet het nog altijd goed op de podia. En telkens als ik hem lees voor een publiek, voel ik me een beetje betrapt. Omdat de tekst naast grappig ook zoveel meer is. Hj gaat over ontluikende vriendschap en hoe dat soms overweldigend kan zijn. Dat was in ieder geval de bedoeling.

Drie jaar later schrijft dat meisje mij een publieke brief. En daarom heb ik op zondagavond plots een krop in mijn keel. Ik vind de brief zo mooi, dat ik hem met jullie wil delen. Kijk maar. En misschien voelt zij zich nu ook een beetje betrapt. Net als ik. Maar weet je, dat maakt niet uit. Er zijn veel manieren om je betrapt te voelen. Sommige daarvan zijn best 'schoon'.

donderdag 1 september 2011

Reflecteren

‘Reflecteren’. Ze spreekt het woord uit. Niemand in het klaslokaal reageert. Hier en daar wordt een zucht geslaakt. Ze maakt zich geen illusies. Stiekem kokhalst er vast een enkeling bij het horen van het woord. Ze zou hem of haar wel naar haar vorige school willen sturen. Waar ‘reflecteren’ volgens vaste patronen gebeurt. In groep. Of in zoveel alinea’s en met de juiste tussentitels. Maar waar zij nu over praat, is geen dwangbuis. Dat hoeft het althans niet te zijn. Ook met een spiegel kan ze deze ‘reflectie’ moeilijk vergelijken. Haar spiegel vertoont barstjes. Wie ze ‘s ochtends in de spiegel zit, herkent ze nog niet helemaal. ‘Reflecteren’ betekent ook weerkaatsen. Van geluid. Opnieuw Echo: de eeuwige stem tussen de rotsen.

Nee, liever de weerkaatsing van licht. Licht dat soms zo fel schijnt, dat het haar even verblindt en laat lachen. Want dat moet gezegd worden. De eerste lesweek is loodzwaar, maar verlicht haar ziel toch merkbaar. Na een les merkt ze op dat ze écht twee volle uren niet gedacht heeft aan de schaduw die er sinds een paar maanden is. Het is geen boom die deze schaduw biedt. En ze heeft nog geen enkel plekje gevonden om te rusten.

Iets bemoedigends? Dit is veel ernstiger dan liefdesverdriet. En daarom krijgt ze minder advies, hierbij verbleekt elke goedbedoelde betweterigheid. Maar soms wordt die stilte wel erg luid. Hoopt ze dat er onverwachts aangebeld wordt. Of dat haar studenten haar een opdracht geven. Om te reflecteren. Over het verband tussen een albatros en een sinaasappel desnoods. Of iets anders, liefst iets wat lichtjaren verwijderd is van de schaduw.

vrijdag 26 augustus 2011

Onweer in de ochtend

Het dondert in Amsterdam. De kat staat tegen de muur gedrukt. Ik spits mijn oren en luister naar het water dat buiten over de daken en binnen over het lijf dat me lief is klatert. Stel je de wereld voor die een koprol doet. Wij zijn het zwaartepunt, klaar voor de kanteling. Alles op zijn kop. Het is augustus, dan hoort ontlading bij de avond. Misschien hebben er zich vannacht klamme dromen in de hoofden genesteld. Moeten die weggespoeld worden, zodat we zonder hoop aan de dag kunnen beginnen. Zonder hoop en domweg vrolijk.

“Waar blijft het onweer?” hoor ik mijn vrienden in het zuiden zeuren. Ze hadden spektakel verwacht. Ik hoor hen aan. De knallen waren nochtans hard. Wie goed luistert kan ze over de grenzen horen.

woensdag 24 augustus 2011

Brief aan een vijfjarige


Liefste Marius,

Je bent nu nog iets te jong om deze brief te lezen. Dat geeft niet, want ik denk dat je stiekem al best veel begrijpt. De wereld gaat nog eens ten onder door vijfjarigen als jij zo massaal te onderschatten. Een echte prins ben je. Nog net iets voorzichtiger zijn met de marshmallows die je boven het vuur houdt en elk meisjeshart smelt mee in je hand. Mijn benen tintelen nog na van jouw voeten, die je telkens weer bij de vuurton en daarna bij mijn benen hield, omdat ze volgens jou te koud waren.

Maar goed, een brief. En die brief begrijpen. Ik denk dat begrip tussen laagjes ligt die je op kan tillen. Soms loop je er voorbij of til je lang het foute laagje op. En soms vind je iets wat je doet lachen. Misschien gaat het met begrip wel net zoals met jouw onzichtbare klauwen. In de Goede Tijd zijn ze er wel. In de Slechte Tijd zijn ze er ook, maar we kunnen er niks mee. En we kunnen ze als buitenstaander al helemaal niet zien.

Ik ben al twee maanden heel droevig. Om iets wat een tijd geleden ook jouw papa droevig heeft gemaakt. En sinds ik me zo droevig voel, is het wat moeilijker geworden om met mensen te praten. Een groep mensen lijkt meer lawaai te maken dan voordien en als ik alleen ben, doet de stilte pijn aan mijn oren. Ik vind dit dus vooral een Slechte Tijd en voel me behoorlijk verwant met de dinoskeletten die je me toonde toen je het concept van de verschillende Tijden uitlegde. Ze horen nergens bij.

Wat ik zeker moest begrijpen, was dat het tegelijk Goede en Slechte Tijd kan zijn. Soms komen die beide Tijden in een soort van nulpunt samen. Ik denk dat we vorige week zo’n nulpunt beleefden. Toen heb ik je het verhaal van de nimf Echo verteld, weet je nog? En daarna hebben we liedjes voor elkaar gezongen, om niet te droevig te worden voor het slapengaan. “Donna, donna” en “de IJsbeer”. Je toonde me al je 'muggenbulten' en toen ik vertelde dat ik ze 'muggenbeten' noem, vond je dat best logisch. Want uiteindelijk bulten die muggen niet, maar ze bijten wel.

En weet je wanneer ik echt stapelverliefd werd? Toen jij “Meisje, ik ben nix voor jou” van Doe Maar zong. Ik antwoordde met “Klein is fijn, ik wil niet groter worden” omdat ik geen beter antwoord had. Daarbij liet ik alle medeklinkers raspen en verboog mijn klanken net zoals jij dat doet. Pas toen zei je dat ik niet zo raar mocht praten.

Liefs,
Marie

dinsdag 2 augustus 2011

Gebrekkige beeldspraak

Met z’n vieren stonden ze naar de grond te kijken. Een grijze man, een man van middelbare leeftijd in maatpak en een jong stel. Misschien broer en zus. Of was er geen enkel verband tussen deze vier mensen? Hadden drie van hen gewoon besloten om mee op zoek te gaan naar het verloren voorwerp dat ergens op de kasseien ligt. Een lens waarschijnlijk. Al kan het ook wat anders zijn. Een trouwring, een bidprentje, een stoute muis die naar de gracht rent.

Ik weet niet op welke manier, maar dit tafereel past bij me, op dit moment. De metafoor die ik niet helemaal kan interpreteren sluit naadloos aan op mijn gebrekkige beeldspraak. Ik worstel met taal. Want waar ik op het internet niet over wil schrijven, vertel ik wel op een podium omringd door vrienden. En voor het eerst in jaren pen ik wat in een boekje neer. Ik glimlach als ik naar de geschreven letters kijk. Ze zijn naakt, ontdaan van elke literaire glans lijken ze naïef zelfzeker. En dus ook in die letters kan ik weinig van de radeloosheid kwijt die af en toe door mijn lijf raast.

Misschien ben ik ook niet radeloos. En is deze verhevigde vorm van kwetsbaarheid doodnormaal. Maar hoewel ik op zoek ben naar gelijkgestemde zielen, mag niets hiervan ‘doodnormaal’ genoemd worden. Dat zou afbreuk doen. Aan wie hij is voor mij. Aan waarom ik de hele dolle zomer mijn nagels lak en nog meer dan ooit tevoren op mijn allermooist wil zijn. (Hoewel dat niet meer kan en in zijn ogen ook nooit echt nodig is).

Ik lees ‘Schaduwkind’ en mijn hart stokt. Nu snap ik de grijze waas die over de schrijver hing met wie ik enkele weken geleden het podium deelde. Enfin, ik snap het niet. Zijn verdriet komt uit een andere werelddeel, maar af en toe leunt het met een kubieke millimeter huid tegen mijn verdriet aan. Die flinterdunne gelijkenis biedt troost.

Dus ik bijt in de stem die zegt dat ik vrolijke boeken moet lezen. Ik verbrand in gedachten de handen die me ongeduldig op de schouders slaan. Ik vervloek de mond die dronken het vreugdevuur wil aanblazen. Nee, rust, een strandwandeling met schoenen aan, een droevig boek, de kat in mijn armen, een dromende man tegen me aan en steeds weer naar die plek om herinneringen te verzamelen. Dat is wat ik nu nodig heb.

zaterdag 16 juli 2011

23 juli optreden op de Gentse Feesten


Op 23 juli treed ik op de Gentse Feesten op. Naar aloude, gezellige gewoonte: bij Bob en zijn kompanen, in café Los Perros Calientes, in de Goudstraat en op een boogscheut van het Baudelopark en Sint-Jacobs. Ik sta als voorlaatste gepland en laat mij omringen door de erg charmante Nederlandse singer songwriters Harold K en Leendert. Harold K is een erg fijne collega in Amsterdam en over Leendert schreef ik al eerder een stukje nadat hij mij behoorlijk betoverde met zijn intense liedjes in Paradiso.

Verwacht geen olijk optreden van mij deze keer. Maar mochten jullie zin hebben in een poëtisch rustmoment tijdens de Feesten, dan is dit cafeetje de uitgelezen plek. Bij het event "En het grootste deel schreven we samen in bed" op Facebook vinden jullie een uitgebreid programma voor de volledige tiendaagse.

vrijdag 8 juli 2011

Stilte/pauze

Beste lezer,

Misschien is het de trouwe lezers opgevallen dat het hier al een tijdje stiller is dan normaal. De ongerustheid die tot de stilte leidde is tot mijn spijt bevestigd met heel heftig nieuws. Wat er aan de hand is, wil ik wel delen met mijn vrienden en familie (de meesten weten ondertussen wat er aan de hand is). Maar het internet is even geen geschikte plek. Facebook blijft toch vooral Feestboek en op Twitter fluiten de vogeltjes.

Schrijven helpt mij echter door moeilijke periodes, om maar één voordeel op te sommen. Daarom heb ik besloten om de komende maanden vooral in stilte te schrijven. Misschien sijpelt er af en toe wel iets door op deze blog. Dat kan. Maar hoezeer ik de persoonlijke toets ook één van de sterkste dingen vind van Huiverinkt, mijn wereld trilt te veel omdat zo maar online in zinnen te gieten.

De nieuwe lezers van deze blog nodig ik in tussentijd graag uit om in het archief te snuisteren. Op meer dan drie jaar tijd heb ik best wat bij elkaar geschreven. En aan mijn vrienden: ik zie jullie graag. Dank voor de steun.

Kus
Marie

woensdag 29 juni 2011

Literanita


Weer heel erg last-minute: Morgen is het voor de negende keer "Literanita" in de Nieuwe Anita in Amsterdam, een fijn café in West. Naast mijzelf "lezen Ronald Snijders, P.F. Thomése, Rob Waumans en Maartje Wortel humorvol voor. Verwacht geen stand-up comedy maar we zwerven ergens tussen besmuikte glimlach, absurdistische onthutsing en droge ironie. Er mag gelachen worden, maar verbijstering is ook goed." Spanned en ietwat stresserend. Desalniettemin alsnog welkom.

En zei ik al dat ik op 23 juli op de Gentse Feesten optreed met de heren Harold K en Leendert? En beloofde ik al eerder wat vaker te gaan schrijven? Wel, ik beloof het weer, licht monkelend en met neergeslagen blik uiteraard.

woensdag 8 juni 2011

De cactus

Onhandig til ik de lamp van tafel. Ze botst tegen de lange, veelarmige cactus. Lief trekt ogen open. Hij kijkt verschrikt naar het witte bloed dat theatraal droevig uit één oksel sijpelt en draait zich stekelig naar mij om. Ik weet niet wat gedaan. Kaarsvet op de groene huid druppelen? Kusjes geven? Aan de plant of de man?

Ook geen idee met wie ik me het meest verwant voel. De man tegenover me: een jongen met een voorliefde voor vetverzamelingen uit stripverhalen. Of met het tweedelige prikkoppel dat eerst in zijn kamer en nu in onze kribbe staat. De cactus die vandaag ongedeerd bleef, kreeg bij de verhuis een behoorlijke stomp in zijn middenrif. Sindsdien wordt hij met touwtjes gespalkt. Maar ook veel gevoel voor dramatiek, die planten. Want bovenop de scheve romp groeit een felgroen uitstulpsel dat er best funky uitziet voor zo’n trage plant.

Op het internet lees ik dat je de gewonde arm ook af kan breken. Krak. Eventjes laten drogen en klaar: gewoon weer opnieuw planten en de geamputeerde cactus krijgt een kind in ruil voor de verloren arm. Ik haal diep adem. Nog steeds geen idee hoe het met die verwantschap zit. Ik ben erg prikkelbaar. Maar verder? Niet doorvragen. Geef me liever een kusje op mijn groene huid.

vrijdag 3 juni 2011

Optreden in Gent: Zaradi Tebe



Ik stap zo meteen in een auto richting Gent en hang dit weekend rond op Zaradi Tebe. Om er zondagmiddag om half drie ook even op te treden. Welkom! En ik sta open voor verzoeknummers.

vrijdag 27 mei 2011

Het kansloos korstje - dertig jaar Brakke Grond


Aan de ontvangstbalie krijgen we allemaal een badge opgespeld. Een tweekleurig hartje. Zoek je lotgenoten in de massa, van elke soort zijn er vier exemplaren. D., de expat die, nadat ik hem zijn vreemd stemgedrag en hij mij mijn blogpost vergeven had zowat mijn beste vriend is geworden, drukt zijn sigaret uit. We betreden de eetzaal. Vrijwel meteen vindt D. de zielsverwanten die hem voor de gelegenheid opgedrongen worden. Twee mannen in maatpak, een Nederlander en een Brusselaar. Ze drukken hem enthousiast de hand. Ik kijk rond. Verderop staat een jongen beteuterd naar de grond te staren. Zijn gesprekspartner loopt naar buiten. Mijn oog valt op zijn hart. Blauw en geel! Enthousiast wijs ik hem op mijn badge. Nadat hij beaamd heeft dat we inderdaad dezelfde kleuren dragen, draait hij zich zonder iets te zeggen om en loopt weg. De mannen wenken amper zichtbaar. “Kom maar hier zitten,” grolt de ene. “We adopteren je wel.” Ik neem plaats.

Een halfuur later is de nieuwe voorzitster van de raad van bestuur aangeschoven. Ze blijft met een zakdoek haar neus vegen. De zakdoek wordt roder en roder. Ik gniffel. “Tja, ik heb een wondje op mijn neus,” zegt ze tussen oog en lippen door en ze blijft krampachtig over haar neus wrijven terwijl ze de politieke geschiedenis van het cultuurhuis uit de doeken doet. Ik luister een beetje, maar denk vooral aan hoe blij ik ben dat korstje niet te zijn. Zo’n kansloos bestaan. Maar tegelijkertijd besef ik dat ik weer de enige ben die zichtbaar gniffelt, met te veel wijn op. En hoe dat ervoor zorgt dat ik steeds struikel als ik ergens wil komen. Gelukkig heb ik niet uitgesproken hoe ik me heel goed in dat korstje kan verplaatsen.

Mijn Nederlandse tafelgenoot verklaart bij D66 te horen. “Links liberaal”, legt hij me geduldig uit. “Mossel noch vis” denk ik in stilte, maar ik zeg: “Alexander Pechtold komt best goed over in debatten.” Hij kijkt me enigszins verbluft aan. Tiens, een Belg die hier echt lijkt te wonen. De Brusselaar vult aan. Hij is CD&V’er. En verder is hij hier naar eigen zeggen om de ballon te doorprikken. Mocht dat nodig zijn, uiteraard. Maar bij die culturele instellingen moet je dat toch altijd goed checken, of ze wel even goed werk leveren als ze beweren. Zijn Nederlandse buurman knikt volmondig. Gelukkig is het aanbod hier heel groot in Amsterdam. En De Brakke Grond slaagt er al dertig jaar in om het beste uit Vlaanderen naar hier te brengen. Maar het brengen is één ding. Begeleiding in het verre Nederland is een andere kwestie. Ik kijk om me heen. Het is de eerste keer dat ik hier zoveel Vlamingen zie.

Later die avond kijken we naar een voorstelling over integratie en conflict. Het gaat vooral over Hongarije en Nederlands, maar voor de gelegenheid ook over België. Er wordt ons gevraagd om ons voor te stellen dat Nederland door water overspoeld wordt en dat alle Nederlanders naar Hongarije moeten verhuizen. Wat zouden de Nederlanders zeker mee moeten nemen? Wat red je uit een brandend huis? En wat zouden de Hongaren in die situatie kunnen leren van België, een land dat al zo lang twee, nee drie, of zelfs vier gemeenschappen huisvest? “Gewoon splitsen”, roept een grijze man. Misschien is hij wel één van de zestien parlementsleden die hier op hotel zijn. Zelfs het Vlaamse Belang is aanwezig - merk ik op Twitter. Om heel kritisch de gang van zaken in het Vlaamse cultuurhuis onder de loep nemen. Misschien is het tijd om nog een glas wijn te drinken met D. En met M., de Nederlandse fotografe die geen flauw benul heeft van wie ze eerder fotografeerde. Een oud-minister, een gefrustreerd Vlaams parlementslid, Geert Van Istendael, een laconieke Nederlander, een Arabierenbol of cuberdon, een droevige Belg.

dinsdag 24 mei 2011

De Flamingo in het land van de Grote Vogels (deel 1)


Plots was ze daar. Vreemd, hoe snel en onopgemerkt zo’n roze schreeuwlelijkerd aan kon komen waaien. Ze streek haar veren plat en schuifelde nog wat onwennig over het speelplein, zocht naar de beste poot om niet om te vallen door de wind, die een stuk steviger blies dan in haar land van herkomst. Toen ze het evenwicht gevonden had en haar lange rechterpoot in de roze veren had geplooid, haalde ze diep adem. Ze kon de zee bijna ruiken en boven haar hoofd cirkelden een paar stevige reigers. Het was geruststellend dat er ook hier vogels waren die lekkere vis konden appreciëren. Want het was op zijn minst opmerkelijk, dat geschuifel in de kantine van die Grote Vogels. Geduldig wachtend op een halve liter melk die ze dan in één teug in hun snavel goten. Zich van geen rariteiten bewust, verdoofd op haar neerkijkend, alsof het koeien waren.

Ze had voor vertrek overwogen om haar naam te veranderen in Belgingo. Of om haar veren oranje te verven. Maar of dat iets veranderd zou hebben? Nee, ze was gewoon zichzelf en dus anders. Daar viel niks aan te doen. Toen de eerste kuikentjes zich aan haar voeten verzamelden, beantwoordde ze dan ook geduldig al hun vragen. Ja, ze voelde zich al een beetje thuis. Haar gekakel klonk misschien anders, ze vertelde dezelfde verhalen. Nee, niet alle vogels drinken daar bier op het middaguur. En de Vette Kalkoen die zo graag het land wou splitsen, viel niet bij iedereen in de smaak. Geef haar maar garnalen, bijvoorbeeld. Veel voedzamer dan vettig kippenvlees. Waarom ze haar knieën naar achteren boog? Kijk eens goed, dat zijn enkels, geen knieën. Wat je niet kan zien is soms verrassend buigzaam…

woensdag 11 mei 2011

Uitslag poll 11: "Vroeger was ik"

De vorige poll is al een eeuw afgesloten. Tijd om het stof eraf te kloppen en te bekijken wat we vroeger waren. Dertig mensen beantwoordden deze licht absurde vraag. En wat blijkt? Vroeger waren we even verschillend als we nu zijn. De uitslag:

"Licht en kiezelstenen" en "verder dan nu" kregen allebei 26 procent van de stemmen (elk 8 stemmen), op de voet gevolgd door "water en vuur" en "lucht" op de tweede plaats (elk 7 stemmen).

Eat this, wetenschap!

Mooie noten in Paradiso en Leendert

Ik schrijf niet graag over muziek. Mijn pen is daarvoor niet toonvast genoeg. Mijn octaven zijn beperkt en ik schrijf met een kopzin met klein bereik. Nee, voor schrijven over muziek heb ik bijna even weinig talent als voor piano spelen, wat ik in een ver verleden wel een viertal jaar geprobeerd heb. Grom. Hoe zacht de gordijnen aanvoelen, met welke steek de randen afgezoomd zijn? Ik weet het niet. Geef mij het uitzicht dat de ramen bieden als ze openstaan. Boots in mijn oor de wind na die waait door de lichte gordijnen, of vertel me wat zich verbolgen schuilhoudt achter winterse rolluiken.

Gisteren vond in Paradiso de halve finale van de wedstrijd “Mooie noten” plaats. Acht acts streden om vier finaleplaatsen. Voor aanvang klonk “Nothing really ends” van dEUS door de speakers. Ik glimlachte ietwat meewarig. Gekke Hollanders, nog steeds het muzikale oor op België gericht. Hun enige minderwaardigheidscomplex tegenover de zuiderburen. Is het terecht?

De drie dames van “Lauw” openden de avond. Ik kende ze al van in Pakhuis Wilhelmina. Ze hielpen mij toen niet van mijn nervositeit af die ik voelde bij mijn eigen optreden. De ‘verloren weesliedjes’ van Lauw klonken zoals beloofd. Verloren, en ik was niet bereid ze in mij op te nemen. Ook gisteren klonken ze best aardig, maar compleet ongevaarlijk. Na Lauw hoorden we een paar liedjes van Kashmere Hakim. Enkel het liedje waarin hij over de cassettebandjes zong die hij vroeger naar zijn Marokkaanse grootouders stuurde, liet licht door de gordijnen schijnen. Bij het derde optreden, van de zangeres Chagall, werd ik even wakker. Wat een stem. Spijtig dat de liedjes geen verhaal vertelden.

Toen kondigde de presentator Leendert aan. Een man met lef, die Leendert. Komt hard aan, durft diep te gaan. Bring it on. Een rijzige, mooie jongen betreedt het podium. Priemende ogen die me pijlsnel in het nu schieten. Een blonde vrouw volgt hem, plaatst een cello tussen haar benen. Leendert mompelt iets. Hij lijkt nerveus, maar tegelijkertijd straalt hij een oeverloze rust uit. Nog voor de eerste noot voel ik het water stijgen.

Waarover hij juist zong, weet ik niet. Ik onthield zinnen als “Ik ben het beest dat rondgaat om te verslinden. Ik ben het lam dat aan je voeten ligt”. Ik zat aan mijn stoel genageld. De stilte van het publiek sprak boekdelen en hij zong over eeuwenoude angsten die altijd actueel blijven. Over een man die tussen golven sliep en verdronk. Even dacht ik aan Jeff Buckley. Maar die vergelijking schiet tekort. Want de kracht van Leendert is van een andere kwetsbaarheid. Dus zo, dacht ik, is het ook gesteld met de Nederlandse muziek. Mijn vriend beaamde. Het publiek snoepte verschrikt en bleef tot de laatste noot muisstil.

Er volgden nog een paar optredens. Een stem als een klok uit een meisje (Rebecca Sier) en vrolijke, grappige atypische hip hop (Woezels). Even was ik blij dat ik geen jurylid was. Want ik wist maar twee dingen zeker: twee acts waren lauw en Leendert was bloedheet én ijskoud. Zowat al de rest was verrassend sterk. De jury heeft zijn tijd nodig, kondigde de presentator aan. In afwachting genoten we van een finalist van vorig jaar, Case Mayfield.

Er gingen uiteindelijk vier acts door. Drie van de vier keuzes begreep ik. Maar geen Leendert. En wel Lauw. Dus zo zit het met de Nederlandse muziek. Er is talent, maar dat wordt om onbegrijpelijke redenen de mond gesnoerd. Waarschijnlijk net te moeilijk om te plaatsen. Liever weeskindjes dan een wild dier. Spijtig hoor, van die juryleden met poep in hun oren. Misschien moeten we ze een nachtje in de golven te slapen leggen. Of ramen laten wassen.

O ja, en wat Leendert betreft. Wie leent die jongen goede opnameapparatuur en geeft hem het oor dat hij verdient? Vrijdag kunnen we weer gaan luisteren, kijk maar op zijn site.

zondag 24 april 2011

Trefzeker of hoe zeg je dat. Herman De Coninck in Amsterdamse handen.

Paaszondag. Het lief heeft Amsterdam verruild voor een dorp dat zuidelijker ligt. Ergens oostelijk in de stad, waar de wind naar zee ruikt, ligt een Belgische vriendin met haar nieuw lief in het gras. Hij is nog te vers om al te delen en ik was te druk met lente vieren. Daarom verliep slechts één ding volgens plan: vanmiddag met een andere vriendin in de Roode Bioscoop belanden, een schattig zaaltje in één van de uithoeken van de binnenstad. Theatergroep Flint bracht daar ‘Klaarlichte nacht’, een verzameling op muziek gezette gedichten van Herman De Coninck. We waren het jongste publiek. Op de achterste rij zat zijn weduwe Kristien Hemmerechts. Mijn Nederlandse vriendin herkende haar niet.

De zanger, een rijzige, grijze man, zong de gedichten met welgemeende tremolo. Hij knipte zinnen, herhaalde de voor hem belangrijkste zinnen, maakte kleine gedichten langer, brulde en hijgde. Zijn compagnon plukte driftig aan de snaren van een cello en de pianist rolde af en toe lieflijke ladders over de woorden uit. De Nederlandse vriendin luisterde muisstil. Op het einde veerden verschillende toeschouwers op om heel luid te klappen. Bij een glas wijn hoorde ik een enkeling de Vlaamse taal bezingen. Die, zeg maar, zoveel ‘trefzekerder’ was.

Mijn gedachten dwaalden tijdens de voorstelling vaak af. Opnieuw vijftien, opstandig en kieskeurig idolaat. Ik luisterde naar Nirvana en had via een andere dode junk, Jotie ’t Hooft, dé knuffeldichter van Vlaanderen ontdekt. Ik herschreef zijn gedichten, veranderde van sommige geen woord en plakte ze op de kasten van mijn zolderkamer. Toen ik op een meidag hoorde dat De Coninck gestorven was, klom ik tijdens de les Engels op mijn stoel en las een gedicht van hem voor. Welk gedicht dat was? Geen idee, ik weet enkel dat de klas stil werd en dat mijn stem trilde. Ik herinner me de krop in mijn keel, hoe die hielp om later eigen klanken te vinden. Mijn wereld beefde even toen hij stierf.

Vandaag voelde ik vooral schaamte. Het had iets te maken met de overbekende metaforen die steeds opzichtiger uit de gedichten springen en de soms veel te luide zanger, maar verder snapte ik de schaamte niet. Ik probeerde de schouders te lezen van zijn weduwe, die tijdens de voorstelling voor me zat. Haar kapsel zat hetzelfde als altijd. Ze was enkel wat grijzer geworden. En verder kon ik uit niets opmaken dat zij dezelfde rusteloosheid als ik ervoer.

Zijn dood ligt nu ongeveer in de middelste vouw van mijn leven. Misschien voelt de herinnering daarom zo besloten en intiem aan. Of ligt het anders en lijkt De Coninck in mijn opzichtige metafoor op Koen Wauters. Er is niets mis met op een eenzame avond in Amsterdam wat gedichten van Herman De Coninck te herlezen. En misschien leg ik straks ‘Hoezo Clouseau’ op. Maar breng dit naar een zaaltje in een vreemde stad en ik voel me vooral eenzaam. Misschien past bij het denken aan een dode dichter een vinger op de lippen beter. Uit schaamte of uit eerbied, dat maakt verder niets uit.

vrijdag 8 april 2011

Een droom. Een huis van glas.

Een droom. Een huis van glas. Een man. Een vrouw.
En nog een man. Als dat maar goed komt.
Doe de gordels aan en laat de remmen los.

Een droom. Een huis. Een boom die ontwortelt.
Onder de omgevallen stam loopt een beest leeg.
Vluchten kan niet. Zes voeten verbrijzelen glas.

Een huis. Een man. Een droom die ontwortelt.
Het dier leeft en draait zich in vuil ondergoed.
Een zompige grens. De splinters worden losgeweekt.

dinsdag 29 maart 2011

Brief aan mijn vrienden

Lieve vriend(in)

Ik weet dat het in de golf van gemis die kolkend over me heen spoelt, moeilijk is om me te horen. Ik weet dat Amsterdam drie uur met de trein is en nog steeds tweeënhalf uur met de auto. Dat het allemaal ongenadig verder gaat en dat ik in die drukte enkel een futonmatras aan kan bieden en een oude winterjas die de kat opzichtig achterliet in de zetel. Dat ik me ondertussen moet concentreren om niet ‘woonkamer’ te zeggen in plaats van ‘living’. Ik weet dat de tong rolt tot er iets breekt. Dat het dan moeilijk kan zijn om het uiterste punt van herkenning te vinden. Het einde van de bergweg, de warme rots die daar wacht. En soms breekt er niets maar vijlt het traag langs ons heen.

Ik weet dat ik soms de aller-slechtste vriendin was. Ik praatte te luid, zette Prince op toen je iets wou vertellen en voerde wel vaker monologen. En toen je een jaar lang studeerde in één of andere stoffige, zuiderse stad belde ik je nooit. Ook de brieven hielden op en kregen een publiekelijk karakter. Jij weet: we waren onze tienerjaren net ontgroeid en voor mij was in Gent wonen een migrantenactie die ruimschoots mijn brave geworteldheid compenseerde. En mijn kamer was altijd zo vol, dat er weinig stilte over bleef om jullie te missen. Later werd dat beter. Maar mijn tanden knarsen nog even luid. Zwijgen kan ik nog niet heel goed, maar elke dag wat beter. En ik durf te beweren dat ik een stuk van jou haarfijn ken.

Ik weet waaraan ik dit verdiend heb, ik snap waarom het niet anders is en misschien had ik ook niet meer verwacht. Dit is dus geen klaagzang maar de traan van een kind dat aan de bedrand staat. Dit is een luide lach, een echo uit een nacht van lang geleden, een lach die uit de boeken valt die op de planken achterover leunen. Dit is een wanhopige liefdesbrief, maar wel een trotse.

Geef me een lichaam. Dat ik plat kan knijpen. Een lichaam dat mijn bloed kan horen. Botten die ik blind in elkaar kan klikken. Plaats mijn oor op je buik en leg me traag uit wat in jou groeit. Of schenk me wijn uit die beter is dan de brol die ik nu drink. Leg een knoop in onze uren en trek me dan in een donker café zonder sluitingstijden.

Liefs
Marie

woensdag 16 maart 2011

Eindelijk: brief aan de lente

Beste lente

Het spijt me. U hebt lang moeten wachten. Maar uw verlangen wordt dan toch beloond met een brief. Geloof uw jonge ogen maar of beter nog: laat wat knoppen barsten van vreugde. Dat kan u goed, bescheiden losbreken, plagerig wegblijven en in dat komen en gaan altijd even ondeugend zijn (en maagdelijk lijken). Lichtvoetig komt u dichterbij, zonder de pathetiek van langgerekte nachten of de korte woorden als ijs, rijm, vorst, die uw broer de winter zich toe-eigent. Ja, lieve lente, kom gerust nog wat dichter, ga voorzichtig liggen op dit broze, witte vel.

Want hoewel ik eerder – in een oude brief aan de winter – beweerde dat u geen seizoen van brieven bent, krijgt u er toch één. Een brief die net meer probeert te zijn dan het kattenbelletje waarmee ik u vergeleek, al vind ik die metafoor nog steeds bij u passen. Achteloos valt uw licht op de tafel, alsof u onze lange smeekbedes nooit gehoord heeft maar toch even langs wou komen. Rinkelend kruipt de kat door het luikje. Stuifmeel op haar snorharen, de eerste morsdood gespeelde mug kleeft aan het kussentje van een poot.

Lente, ik vind u lief, maar u bent nog net iets te jong om volmondig van te houden. Aan uw tijd ontbreekt volharding, uw schuwe bedoelingen zijn zonder contouren. U kan in een vingerknip omgedraaid worden in mist, opgeslokt door stormweer, aardbevingen en dreigende kernrampen. Uw geluiden verdrinken in het geschreeuw van stervende rebellen. Uw enige schaduw komt van al wie niet in uw komst durfde te geloven en loodzwaar van een lage brug springt.

Ja, er is één ding dat gelijk blijft. Gemaskerd in vederlichte dromen blijft u even genadeloos als andere seizoenen. Laat dat uw les zijn. Bekoren mag, maar ga nooit intens houden van wat nog aan zichzelf twijfelt.

Veel moed, lente!
Marie

dinsdag 15 maart 2011

Een paar wensen en Pageturner in Pakhuis Wilhelmina

Het is stil. Niet omdat er niets is om over te schrijven. Maar als ik boos ben, GRAM! blijf ik soms beter stil. Dat is verstandiger, zegt men mij. LAUW! Ik luister en probeer me enkel boos te maken waar dat zinvol is. Toch even een overzicht van wat ik sommige collega’s op dit moment toewens:

De lentezon, moed zonder over. Lappenpoppen om als het nodig is rond oren mee te slaan. Een kat op elke schoot, een kop thee in elk bevend hand en als dat niet lukt: een hese stem, gehoorapparaat en een heldere spiegel aan de muur. Een blik in het hart. GLAMEOKI! Een hand in eigen boezem. Oor voor elkaar en veel billenkoek voor zij nog steeds staan te schreeuwen (prop in de mond). Gooi bezems weg, breek eerst je scherpe ellebogen en daarna een lans voor wat echt belangrijk is.

Maar goed. Hier is het nog even stil tot de storm is gaan liggen. NO NINJA AM I! Ondertussen treed ik op. Want overmorgen (donderdag 17 maart) krijg ik drie keer vijf minuten om eigen werk in Pakhuis Wilhelmina voor te dragen, op een wervelende avond die Pageturner #24 heet. Voor en na mijn ‘voordracht’ is er veel goede muziek. Zoals GARÇON TAUPE en andere acts die ik door dit bericht draaide. Dus echt stil is het niet. Ik denk dat ik vooraf twee glazen wijn drink – een oude gewoonte - en daarna ga ik dansen. Want wat heb ik dat gedachteloze zijn even keihard nodig.

Achteraf een dj-set. En tussendoor nog dichters.

maandag 7 maart 2011

Een ach-brief

Ach

De brief aan Letter punt is al geschreven. Meer zelfs: het is zowat de enige brief uit meer dan drie jaar Huiverinkt die volledig weg gecensureerd werd. Letter punt: het duidt sowieso op een misdrijf. Wat klinkt dit dramatisch. Let op, correctie: op zijn minst een ongerijmdheid of iets dat toch heel even een tikkeltje stout en clandestien was.

Ondertussen eten we met elkaar, roddelen we een avond vol en denken we waarschijnlijk af en toe hoe veel ouder we ondertussen geworden zijn - en toch nog hetzelfde. Vreemd is dat, hoe we flinke porties van onszelf door de jaren heen slepen en hoeveel rustiger we ondertussen ongemerkt ook worden. Welke zeeën we ook doorzwemmen (“ik dacht dat ik stikte” VS. “over die periode valt echt niks te vertellen"): uiteindelijk blijft zoveel hetzelfde. Zoals hoe we, ondanks alles, lekker blijven dooreten en uren volpraten. Altijd een beetje onwennig en net door die zachte vloek zo heerlijk vol in de mond en stiekem vertrouwd.

Een liefdesbrief maak ik hier niet van. Hiervoor zijn de avonden in Amsterdam te kort. Jij hebt een kind te veel en ik heb een lief dat me zoveel meer dan lief is. Bovendien hebben we elkaar nooit veel gegund. ‘You write like an angel’, je perste het welgeteld één keer uit je vingers, toen ik al mijlenver van je verwijderd was, bijna aanbeland in de kalme zee van herkenning waarin ik me ook vanavond bevond.

Ach, mijn leermeester en onhandige minnaar. Het is echt waar begot, dat het alweer anderhalf jaar geleden was. Dat we nog eens bij elkaar ons krampachtige zelf konden wezen, helemaal zoals het hoort en nooit voorbestemd. Behalve in verhalen. “Het was heel fijn je weer gezien, m.” Dat schreef je, met een veilige kleine letter. En een punt. En ik schreef terug dat 160 tekens zo verdomd karig zijn. Dat is deze brief misschien ook, maar schrijven is schrappen. En gehouden hebben van is dat ook.

Liefs
Marie

donderdag 24 februari 2011

Protest

Protest is een fundament. Door tegen de baarmoederwand te stampen leren we de eerste grenzen kennen. Later gris je als kleuter balorig zakken snoep uit de rekken. Met gebalde vuist ga je de grond te lijf. Al protesterend plaats je je in de wereld, leer je wat een pruillip oplevert - of desnoods een huilbui. Protest is soms potsierlijk en gênant – maar van in het begin broodnodig.

Protest is pijnlijk. Wanneer het niet gehoord en in de kiem gesmoord wordt. Wanneer het ontwricht en tegen de muur geplaatst wordt. Wanneer het als een gebroken minnaar toegeeft aan de tirannie van de ander. Wanneer het met geweld bestreden en bebloed snel toegedekt wordt.

Protest is beter dan zwijgen. Al wie beweert dat het zinloos is om te protesteren, mag een laffe prop in zijn mond stoppen en in een zelfgekozen uithoek zich laveloos zuigen aan verstikkende stilte. Zwijgen is even gevaarlijk als de slechtste vorm van protest: grotesk uitgehold, zonder inhoud, leeggezogen, nageaapt, tot enkel “NEE” en agressie overblijft. Niet meer dan wat de kleuter toonde.

Protest kan soms ook lief zijn, als het niet helemaal gemeend is. Voor de grap je benen sluiten en drie keer roepen dat het nog veel te vroeg is. Om daarna zacht mokkend toe te geven. Of een klauwtje van de kat krijgen. Omdat je haar net iets te lang geaaid hebt.

Protest is op zijn mooist als er moed in het spel is. “Moeder Courage” riep mijn grootmoeder in een droom toen ze stierf. Met het gezicht naar de volle zon gericht boven de gemaskerde massa uitstijgen. De orders van een generaal niet opvolgen. De namen niet doorgeven en hen naast een naam ook een plek in je kelder geven. Nadenken over de stem die je uitbrengt en luidop zeggen waarom anderen geen stem verdienen. De kogel opvangen. Leren uit het verleden en toch nog geloven in een mooiere toekomst. De tegenstander doen struikelen. Of op zijn minst: altijd wanneer nodig de stem verheffen.

woensdag 16 februari 2011

Stem voor mijn artikel over ayahuasca (genomineerd in essaywedstrijd)

De vaste lezers herinneren zich misschien nog de identiteitscrisis die ik vorig jaar mei-juni doormaakte. Een lange internetstilte en tussendoor veel twijfels afgewisseld met momenten van euforie, waren de belangrijkste symptomen. Maar uiteindelijk was het klaar, het verhaal over 'ayahuasca', het eeuwenoude, knotsgekke plantendrankje dat mij van het roken afhielp. Toen het in Kluger Hans 6 verscheen, was ik heel trots. Maar ik vond het toch best spijtig dat dit langere artikel maar zo weinig mensen onder ogen zou komen. Want geloof me, het is een wonderlijk verhaal.

En hoera! Dit essay is ondertussen genomineerd voor de publieksprijs (op de juryprijs durf ik niet te hopen) in een essaywedstrijd van Celt, vereniging van culturele en literaire tijdschriften. Jullie kunnen op deze website het artikel lezen en een stem uitbrengen. Klik op het pijltje in het blokje "Mind the book", dat rechts op de homepagina staat. Kwestie van het duidelijk te houden.

En uiteraard mag deze oproep massaal doorgestuurd en gedeeld worden.

Bedankt!
Marie

(Ik vertrek vanavond voor een weekje naar Berlijn - geniet van de stilte, zou ik zeggen)

maandag 14 februari 2011

Krampacht maakt macht

Ik kan klagen over het Nederlandse brood en over de visieloze besparingen in het Nederlandse onderwijs. Ik kan me druk maken over puriteinse sluitingsuren van cafés en het vele geld dat in protserige, inhoudelijk graatmagere projecten wordt gestopt. Maar als er één ding is dat ik voorlopig nog heerlijk vind aan wonen in Nederland, is het gebrek aan krampachtig, geconstipeerd gedrag (al moet ik hieraan toevoegen dat ik discussies met de zogenaamde linkerzijde voorlopig probeer te vermijden - ik maak me al druk genoeg). Toegegeven: een racist blijft daardoor duidelijker een racist en dat is niet altijd fijn om te zien. En wie allergisch reageert op eerlijkheid, krijgt hier in Nederland vast vreselijke uitslag van de soms best botte reacties.

Een tweetal weken geleden ontstond aan de Hogeschool van Amsterdam – mijn werkplek dus – opschudding rond een docent die vanuit religieuze overwegingen besloten had om vrouwen niet langer de hand te schudden. De reacties waren fel en breidden zich snel uit naar de nationale pers. Toen het opperhoofd van de hogeschool zich uitsprak in het voordeel van de religieuze vrijheid van die man, ontstond er nog meer protest. Eerlijk gezegd vind ik het een enigszins vervelende discussie, omdat ik er zelf helemaal niet uit ben wat ik van de kwestie moet vinden. Ik heb immers geen idee wat de wereld het meest leefbaar maakt. Maar wat me – los van het hele onderwerp – wel charmeert, is dat er constant gewaarschuwd wordt voor krampachtige reacties. De nieuwe hoofdredacteur van Havana – de hogeschoolkrant – vroeg ons om niet bang te zijn om over deze kwestie na te denken. Dat we de visie van de docent in twijfel durven trekken, betekent niet per se dat we islamofoob zijn.

Graag zou ik met eenzelfde vrijheid de mediaheisa rond de dood van de Vlaamse Belang-politica Marie-Rose Morel in vraag willen stellen. Hier kan ik dat. Maar als ik in België dezelfde vraagtekens plaats, dan word ik door heel wat mensen als gevoelloos of zelfs pervers en demonisch afgeschilderd. En dat vind ik op mijn beurt behoorlijk pervers en hypocriet. Natuurlijk is een dood altijd erg voor de nabestaanden, kinderen in het bijzonder (valt het jullie op hoe ik deze zin niet durf weg te laten - alsof dit niet voor zich spreekt?). En ik denk dat er ook een bepaalde waardigheid toe te schrijven valt aan Morel. Een waardigheid die geen vorm kreeg in discretie, maar eerder in een opvallende vechtlust en een persoonlijk optimisme dat tot enkele dagen voor haar dood uit haar blogberichten af te lezen valt. Op Valentijnsdag wil ik zelfs respect opbrengen voor Frank Van Hecke, het andere Vlaams Belang-kopstuk dat enkele weken geleden een stervende vrouw huwde.

Maar tot daar ga ik. Meer sympathie kunt u mij echt niet laten voelen. Laat staan dat u het recht heeft om van mij een duivelse rat te maken omdat ik toegeef dat ik verder echt niets voel bij de dood van een vrouw met een duidelijk fascistisch gedachtegoed. Ik hou sowieso niet van de krampachtige verering van doden. Ik hoop dat er, mocht ik op mijn achtendertigste sterven aan kanker, ook nog mopjes gemaakt kunnen worden over de scheetjes die ik koppig liet onder de dekens. Wat mij betreft vertel je er in een speech bij dat ik mezelf wel heel graag hoorde praten en daardoor soms te weinig aandacht had voor anderen. Want dat zou de waarheid zijn. Net zoals het waar is dat Marie-Rose Morel ultrarechtse ideeën koesterde. Dat ze tot de mildere zijde van haar partij hoorde, maakt de zaak niet meteen veel minder erg, gezien de neonazistische wortels van het Vlaams Belang.

De Waalse RTBF heeft zich te veel laten opjutten. In tijden als deze is het niet erg slim om te zeggen dat Morel haar ziekte politiek heeft uitgebuit. In zekere zin is dit misschien waar, maar het blijft erg dom en contraproductief om dat te beklemtonen. Hoewel ik niet weet wat te denken van een moslim in het onderwijs die vrouwen geen hand wil schudden, weet ik wel dat Morel volgens mij recht had op haar eigen manier van sterven. Het zou niet mijn manier zijn en ik vond het vorige zomer – toen duidelijk werd dat de kanker weer terug was en haar fataal zou worden – soms een beetje wansmakelijk hoe ze de aandacht zo vestigde op haar nakende dood. Maar het is haar volste recht. Zij die haar ziekte en dood nu verder uitbuiten om xenofobe ideeën te vergoelijken, vind ik wel schuldig. Want ja, politieke ideeën neem je mee in je graf. Doodgaan maakt je wel bleek, maar neemt je identiteit niet weg. Het relativeren van negationistisch gedachtengoed, het aanzetten tot haat: dit alles verdwijnt niet zomaar als je sterft. Integendeel, veel blijft hangen: je mooie en lelijke kantjes, tientallen onhebbelijkheden, de koppige wratjes op je linkerteen. De pijnlijke waarheid.

De echte schurken zijn dus op dit moment de media – ook de RTBF – die zich vol overgave op Morels dode lijf en trieste kinderen storten. Om haar dood zal ik geen traan laten, maar hoe mijn kleine landje zich met zoveel krampachtigheid verder in de steeds bredere kloof duwt – dat maakt me woedend. Krampacht maakt macht. Maar wat voor een akelige macht. Arm, arm België.

Voor de Nederlanders en alle anderen: wie meer duiding wil, raad ik dit artikel van Christophe Callewaert aan.

vrijdag 11 februari 2011

Willekeur

Taal zoekt vruchteloos naar een stoel.
Twee letters schoven op. Doel: dat niets iets uithaalt.
Hol zonder echo. Geritsel in een jonge nacht.

De dichter zei: “Willekeur is mooi” en hij likte aan zijn pen.
De keur van de wil. Of een hond met vuile poten
tussen kegels. Misplaatster nog: genocide, de massa

die met wijdopen ogen op de brandstapel belandt.
Ook dat is willekeur. Een kiezel die terugkaatst.
Orpheus die zich domweg omdraait.

En dat nog honderd keer.

maandag 7 februari 2011

Problemen met reageren?

Het is hier stil. Niet van mijn kant, ik ratel er weer behoorlijk op los. Maar jullie, daar aan de andere kant van de lijn, zijn erg stil. Een beetje vreemd vond ik dat, aangezien er de laatste weken wel vaker 100 bezoekers per dag even langskomen, een behoorlijk aantal voor een relatief serene internetplek als deze.

Maar dat ook enkele vaste bezoekers, zoals Sam, erg stil waren verwonderde me nog meer. Hij was het dan ook die me enkele dagen geleden wees op het feit dat hij simpelweg niet kon reageren. Ik heb hetzelfde probleem ook gehad bij een aantal blogs, tot ik in september overstapte op een Macbook met Safari als standaardbrowser. Heb het al meermaals aangekaart in het help-forum van Blogger, maar tevergeefs. Maar goed, als er iets op het puntje van uw tong ligt en u kan het toch niet zeggen, sluit Mozilla Firefox dan. En probeer het opnieuw met Safari of Explorer. Of Google Chrome.

En stuur gerust ook eens een bericht naar het help-forum van Blogger. Of vertel me dé oplossing, als u die kent.

zaterdag 5 februari 2011

Het waait

Het waait. Al twee dagen ontzettend hard. Gisteren werden we van onze fietsen geblazen toen we na een optreden (van Emmelie Zipson - tip!) thuis probeerden te geraken. Gelukkig waaide ik naar links en tussen de bomen. Toen ik eerder aan de kapper had gezegd dat hij mijn haar los moest drogen, voegde hij daar lachend aan toe dat hij met die wind echt niets anders van plan was. Een slimme kapper was het. Hij had absoluut geen zin in prietpraat en vroeg me of ik wist hoe de toestand in Egypte was. En daarna moest ik drie nadelen opsommen van het wonen in Nederland.

Het waait. Het waait zo hard, dat de kat nog harder lijkt uit te glijden op de gladde planken vloer. Het waait zo hard dat ik naar beneden zou moeten lopen, om aan de onderburen te vertellen dat ik de ramen van het tuinhuisje -tevens de slaapkamer van een wilde student - zag klapperen toen ik net de afwas deed. Het waait zo hard, dat ik de stille ademhaling van mijn lief niet kon horen vannacht. Enkel een gierende wind die de glasraampjes doet trillen. Een wind die om ons de oren slaat en het enkel glas zo bol doet staan, dat het licht van de overbuur beweeglijk weerspiegeld wordt. Het waait zo hard, dat ik bang ben dat dingen om zullen vallen. Dat dit allemaal zelfs maar een millimeter zou opschuiven.

donderdag 27 januari 2011

De nacht

Niets blijft haken in een dag die als een kind
doorraast over stoeptegels, langs een dronkenlap
en dode raaf, bloemenkramen, een zakenman
die net zijn vrouw verloor en daarom stottert.

Kortom: aandacht is er nooit echt overdag.

Nee, beter is de nacht. Ondanks de zwarte gladheid
heeft hij een weerbarstig karakter. We kunnen
de nacht omhelzen en toch steeds de kleinste zijn -
onder de indruk van wat rond en in ons beweegt

en bang zijn om groots te groeien.



(Fijne Gedichtendag - of beter gezegd Gedichtennacht!)

dinsdag 25 januari 2011

Poëzie van het alledaagse en keiharde seks

Schrijven is als seks. (Heb ik u aandacht, zappende lezer, sprinkhaan met korte aandachtsspanne?). Serieus. Het is een ontzettend cliché dat het oppercliché – in ieder cliché schuilt een kern van waarheid – wulps bevestigt. Als ik eenmaal begonnen ben, denk ik aan weinig anders. En in inktluwe periodes is zelfs een chagrijnige oma er meer mee bezig dan ik. Tot het beest op een dag ontwaakt, met een oergrom, een partner zoekt en deze aan flarden scheurt. Daarna ietwat beschaamd de sporen wist, het hoofd neerbuigt. “Ik heb te veel...” “Of had ik dat maar niet ...”. Fuck it.

Maar goed: deze week komt zowat alles samen. Er is de politiek en het gebrek aan pit daarin - die mij ontzettend hitsig maken. De workshop “Poëzie van het alledaagse”, die ik met collega Harold in elkaar gestoken heb, loopt ondertussen lekker los. Dus ook dat tintelt tot in mijn vingertoppen. Toch ging ik lezen vanavond. Want op mijn nachttafel liggen twee onuitgelezen boeken te kreunen. Net wanneer ik 1 van hen wilde openvouwen, stootten de klanken van “Erotic city” (extended version) door de houten vloer van dit appartementje. Zelfs de puisterige buurjongens zitten blijkbaar in dit complot. Dus ik legde Sign of the Times op en hier zit ik weer te schudden en te schrijven.

Lang maak ik het niet. Maar die week dus, daar op de hogeschool, tussen al die gekke Hollanders. Wat is het daar plezant. Gisteren nam ik aftandse Haan mee naar het kringgesprek over geliefde voorwerpen – enkel de echte vrienden zullen weten wie ik daarmee bedoel en nee, het is geen Waal. Daarna schreven de studenten rondelen over familiefoto’s, een opdracht die ik uit een vroegere schrijfcursus heb geplukt. Vandaag vertelden de studenten elkaar over de ruiltocht die ze gisteren in Amsterdam hielden. En tegen vrijdag moeten ze één voorwerp uit die ruiltocht in een andere context plaatsen en daar… euh… op locatie ‘iets’ mee doen. Een schlager zingen in een volkscafé. Een fototentoonstelling maken in het Oosterpark. Een toneelstuk opvoeren met een marktkramer als Pierrot. Enfin, som maar op, en ik hoop dat wat ze zullen brouwen nog gekker zal zijn dan deze opsomming. Éen groepje wou iets doen met stukken tapijt. Een tuintje maken op zolder. Ik reageerde al een beetje extra enthousiast… Plots riep een meisje, 1 minuut voor de deuren van het klaslokaal sloten, “Vlekken op een tapijt!!! Iedere vlek heeft een eigen verhaal!”

Ik lachte breed en kon het niet laten om een verhaal te vertellen over een fles rode wijn, die ik ooit over het witte tapijt van een nette moeder gooide. Dat vertelde ik.

Maar stiekem dacht ik aan keiharde seks.

Populaire berichten