Posts tonen met het label droevig. Alle posts tonen
Posts tonen met het label droevig. Alle posts tonen

zaterdag 2 maart 2013

Afscheid van mijn vader, Wim Meeusen (1945-2013)


Lieve papa,

Je weet dat het voor mij niet moeilijk is om woorden te vinden. Wel om ze te schrappen. Wat vertel ik nu? Voor een anekdote was onze band te bijzonder, te complex, te divers. Vaders worden niet in sprookjes geklasseerd, maar in levens herinnerd. In het bloed gevoeld.

Drie dagen voor je stierf, kreeg je nog een brief van me. Wat ben ik blij dat ik in de Amsterdamse avondkou nog een postbus zocht. Het waren geen laatste woorden in die brief, het was niet meer dan veel liefs en andere dingen uit het leven. Het was broodnodig en overbodig.

Ik heb je altijd ongezouten verteld wat er in me om ging en you loved me for it. Je noemde me – toen ik op mijn negentiende twee maanden in de politiek ging – op de affiche ‘ne vranken teut’ en in je memoires ben ik ‘Marie met het hart dat altijd overloopt’. En ik kan nu vertellen dat de vierde hondendrol die ik de voorbije week tegenkwam, de eerste was waarover ik uitgleed. Het was geen nepdrol, zoals de drollen die je met kerstmis gniffelend cadeau deed aan je neven en nichten. En zoals het geen nepdrol was, ben jij nu niet nepdood. Je bent keidood. ‘Alleen een steen kan kei zijn,’ hoor ik je tegenwerpen. ‘En dan enkel keihard.’

Als ik nu nog eindeloos wil bediscussiëren of gedichten moeten rijmen, zal ik dat in herinneringen doen. Ik zal er vanaf nu de toehoorders, die zich verwonderen over de schijnbare zinloosheid van onze discussie, bij moeten verzinnen. Maar wij zullen knipogen naar elkaar en begrijpen dat het niet iets is van winnaars en verliezers, maar meer iets als met opzet/expres verdwalen in een bos. Of toch nog een keer die zwarte piste doen, terwijl je net te veel vov hebt gedronken en het al schemert. Geen kwestie van echt gevaar, hoogstens jezelf uitdagen en dat in alle vrijheid met elkaar doen.

Papa. Jij was meer dan de verstrooide professor met ene skifrak (die koppig alle modes overleefde) en twee schoenen. Meer dan de man die niet kon zoeken maar wel kon zingen. Meer dan hij die vrouwen voor lief nam terwijl hij ze liefhad. Jij was meer dan koppig en kwetsbaar, een conservatieve open geest die met zijn linkerpoot voetbalde. Nors en sentimenteel, een selectief gezelschapsdier dat tegelijk bedachtzaam en onhandig authentiek (of bot) was. Je was meer dan de vader die nooit ziek was, behalve dan die ene vreselijke keer.

Jij was mijn vader. Die me op het eind van de avond, als je iets te veel gedronken had, op je schoot trok. Ik spartelde tegen, maar je wist dat ik niets liever deed. Je toonde me het mooiste van de hele wereld, een vuurwerk op de 14 Juillet. Je speelde trompet en leerde me zingen dat ik bij de jonge garde van het proletariaat hoorde, terwijl ik opgroeide in een groot huis vol boeken. Boeken die we elkaar aan hebben geraden en waar we verrukt over waren, jij bedeesd en ik uitbundig.

Je wees me de sterren en ik vergat hun namen, zodat je ze opnieuw voor me kon herhalen. Je leerde me vuurvliegjes zien, naar krekels luisteren, cantharellen vinden. Je wreef op de berg iets te hard mijn handen warm toen ik het koud had en gaf me tegelijk het gevoel dat ik niet zo mocht zeuren, als dat ik het moedigste meisje op alle zwarte pistes van de wereld was. Je leerde me dat ik nieuwsgierig genoeg was om vissen te vangen, maar niet koudbloedig genoeg om ze te doden. Je vond dat ik niet met een streepje blote rug de kou in mocht stappen (en altijd moest die sjaal om), maar je wilde zelf geen morfine toen je naar adem hapte. ‘Zachtjes ingeslapen’ schreven we op je brief. Maar dat kwam niet door de morfine. Je sliep geruisloos in, nadat je gedurende de laatste 24 uur alle emoties doorleefd leek te hebben. En ik met jou. Zonder filter.

Wat een voorrecht om van alle vrouwen in je leven de oudste dochter te zijn. Ik was alles tegelijk voor jou en jij was alle mannen voor mij. En ook al zal ik me af en toe nog boos om je maken, ik zal je nooit iets echt kwalijk nemen. Net zoals ik jou, ondanks al mijn sotternijen, nooit teleurgesteld heb.

Je hebt je die laatste dag druk gemaakt, terwijl ik je ogen zocht om je terecht te wijzen én lief te hebben, terwijl ik door mijn tranen heen naar je lachte en je over je bol aaide. Jij keek en vroeg begrip maar wist ook dat ik je al begrepen had. Ik keek dwars door je heen, of keek jij door mij? Ik weet het niet, soms voelen we als een.

Lieve papa, als je nu sterrenstof bent en ongrijpbaar door de tijd, dan hoop ik toch dat daar de zwarte panter naast je loopt. Trek hem op je schoot en streel hem plagend over zijn buik. Luister naar de vleugelslag van de adelaar en laat ons samen rustig worden. We kunnen het, want jij bent mijn enige papa en ik je enige Marie Pipi. Geef me een kus. Of twee. Eentje die onhandig hard is, waarbij je baardharen in mijn nek prikken. En dan de allerzachtste.

Ik hou van u.

zaterdag 13 oktober 2012

Brief aan Ivo Michiels


Hallo Ivo, lieve

Het is vrijdagnacht. Ik heb vandaag niet veel bijzonders gedaan. Tevergeefs geprobeerd een schots en scheef schoenenrek in elkaar te zetten. Eerst alleen. Dat frustreerde me en maakte me razend. Daarna met een vriendin. Dat was hilarisch. Uiteindelijk heb ik alle stokken maar weer in een doos gedaan. ‘Retour afzender’. Het zoveelste zinloze project. En toen ik driftig doorraasde over de foute keuzes die ik de laatste maanden heb gemaakt, belde de onderbuurvrouw aan. Of ik mijn hakken wilde uitdoen. Want ze kon niet slapen van mijn gedrentel. Dus nu zit ik hier op kousenvoeten een brief aan jou te schrijven. Probeer ik mezelf op kousenvoeten te vergeven voor alles wat ik te lang geprobeerd en in mijn haast nagelaten heb.

Het was een vreemde week. Er is best veel bijzonders gebeurd. Als je nog leven zou, zou ik al die vreemde dingen in een echte brief kunnen zetten. Maar in deze vreemde week ging jij dood en kon ik je niet mee begraven. Dus las ik in jouw naam een boodschap voor aan zij die me nooit zullen begrijpen. Ik werd eenendertig en vierde dat met vrienden, zus en moeder en de stilte van een angsthaas. Door het gat in de haag keek ik je aan. Ik huilde deze week nog vaker dan normaal.

“Wanneer ik mijn gedachten samenraap en ik zeg bij mezelf, waarom doe je dit, dit werk, ermee beginnen, altijd door, waar geef je je leven voor, dan zeg ik: Om te praten. Het is mijn vaste overtuiging dat praten belangrijk is. Praten en een gebed opzeggen zijn niet helemaal gelijk, dat is zeker waar, ik moet daar vroeg of laat nog dieper op ingaan, maar een gebed is al een zekere wijze van praten, een begin ermee, een eerste stap, een bewijs van goede wil voor iemand die nog niet (zoals ik) beseft wat praten in werkelijkheid betekent, zeg maar betekent voor de mensheid, we moeten niet bang zijn, de tong zal niet verstijven in onze mond. Voor mij is het duidelijk, met het gebed: omdat ik praten niet kan laten neem ik vaker tot het gebed mijn toevlucht als een aanloop, een soort verwittiging. Pas op, ik ben op komst, tingelingeling ga uit de weg, hier is het gebed, de rest volgt. Ze zijn erop uit om mij te doen zwijgen. Wie ze is of zijn is niet belangrijk, belangrijk is dat ze niet willen dat ik praat.” (Het boek der nauwe relaties)

Misschien was dat één van de dingen die onze twee namiddagen samen zo bijzonder maakten. We praten allebei graag, misschien nog liever dan dat we schrijven. En ook houden we van stilte. Maar die stilte, waar we allebei zo naar verlangen, vinden we ook beangstigend. Is het gek dat ik de tegenwoordige tijd gebruik? Ik denk het niet, los van de dood van de auteur heb ik je dicht bij me zitten. Ik ruik de geur van oude mannen en verwonder me over de gouden ketting, die je om je hals draagt. Het bovenste knoopje van je hemd is open. Ik kijk naar je handen. Ik kijk altijd naar handen.

Het was twee keer hartje zomer. De eerste keer was in 2002. De zomer die volgde op een briefwisseling met postzegels. Je had een typemachine gebruikt, ik mijn eerste eigen computer, waarop ik ook een essay over je Journal Brut-cyclus had geschreven. Die eerste keer zaten we buiten, op je terras aan de weg naar het kasteel. Met je vrouw, mijn vader, vriendin M. en een kat die zich normaal gezien niet liet aaien, maar die dag wel door mij. Je toonde me je schrijftafel, kunstcollectie, boekenkast. We dronken rosé, best veel, en ik schaamde me achteraf over hoe snel mijn dronken tong gerold had. Ik dacht dat ik allerlei domme dingen gezegd had, die een echt intelligente schrijfster voor zich moet houden en door het keurslijf van de inkt moet dwingen.

Jaren verstreken. Ik stuurde je heel af en toe een mailtje. Verder gebeurde er zoveel, dat contact met je houden compleet onbelangrijk leek. Tot de zomer van 2011. Ik hoorde dat mijn vader dood zou gaan en kon daar niet over schrijven. Toen ik die zomer met hem in de Provence belandde, besloot ik je op te zoeken. Mijn vader kon de heuvel niet meer op, dus wachtte hij beneden. En jij kon de trappen van je huis nog maar spaarzaam beklimmen. Dus ik kreeg een uurtje, waarin we koffie en water dronken. Je luisterde. Ik vertelde, deze keer over al die dingen die me droevig maakten en nog wat leuke verhalen tussendoor. Je antwoordde met schilderijen van Corneille, met anekdotes uit de wereldliteratuur, met je blijdschap om Kluger Hans, dat je een fantastisch tijdschrift vond.

Toen ik buiten kwam, besefte ik dat het weer was gebeurd. Als een verliefde kip had ik bijzonder weinig geregistreerd van wat je me gezegd had. Ik schaamde me om mijn hart dat ik bij je op tafel had gegooid. Over de rust die ik niet bij je kon vinden, omdat de tijd zo kort was en er negen jaren waren om bij te praten. Omdat we niet langer dan een uurtje samen konden zijn en ik daar zo veel tijd van ingenomen had.

De dag daarop kreeg ik een mailtje. “Ik was echt blij met je bezoek. Heel Le Barroux glimlacht nog.” En toen besefte ik het. Dat we het allebei begrijpen. Hoe door al dat gepraat de stilte door kan klinken. Hoe een echte schrijver tussen de regels leest. Hoe een echte vrouw dat wil benoemen en een echte man via omwegen probeert te troosten. Maar hoe het steeds de beste bedoelingen heeft. Toch bij jou, toch bij mij. Hoe klassiek of modern we ook schrijven. Hoe verward onze woorden zijn. Toch bij ons.

"In Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Nu moet iemand, de gemeente bij voorbeeld, indien er meerdere gelovigen bij elkaar zouden zijn, antwoorden met Amen. Ik ben alleen, dit ogenblik toch, er zijn voor zover ik kan zien geen broeders en zusters van dezelfde gezindte bij elkaar, ik zal noodgedwongen zelf het Amen moeten zeggen. Amen dus."

Vaarwel Ivo, lieve,

Marie

P.S. "Inderdaad een beetje 'flou', maar dat geeft niet. Je moet ze eens zien, uitvergroot op je hele scherm!"




zaterdag 24 maart 2012

Kaarsrecht

Een dag als een gat, brandend als de afdruk op de huid die de bloedzuiger naliet. Verstoord gestamel van hij die nooit leerde lezen. Letterlijk staat hier: ik sliep slecht en droomde dat je al de anderen werd. Mijn buik zocht een rug vannacht. Ik hoorde mijn kreten. Ik wilde haar troosten maar kon geen kanten op.

Maar hier staat ook dat wat gezegd moet worden geen daglicht verdragen kan. Nochtans is het al wat ik ooit wilde, het als helder water laten klateren en daarmee domweg tevreden zijn. Dat er niets tussen ons in stond. Geen huid, geen angst, geen leugen. En dat het zo mooi was, dat ik er geen woorden voor vond.

Men kan geen draai geven aan de belevenissen. Ze staan kaarsrecht en klaar om te vallen. Muziek. En een traan.

dinsdag 17 januari 2012

REWIND - vierenhalf jaar

18 juli 2007. Rewind? De geblinddoekte vrienden die hun monden aanbieden doen geen vlieg kwaad. De massa op het plein mag blijven zwalken. De Irish coffee mag stomen, ongeduldig aangedragen worden en de dronken vingertoppen verbranden... Draai je enkel om op de kasseien en lach om het hart dat luidkeels in je borstkas rammelt. Vandaag wordt alles anders. Vandaag zoek je een man met een fluit. Je wapen? Een schelle stem, stoere praat, een korte rok en t-shirt met een alfabet waarmee alles mogelijk is. STOP – bewaar dit alles. Tot zover is nog niets gebroken of vergooid.

Al die woorden over wanneer het leven je naar de strot grijpt. Slik ze gauw weer in voor iemand ze hoort. What was I saying? Right, Hollanders zijn gekke wezens – Vlamingen belachelijk en Belgen compleet overbodig. HAHAHA. Ik denk dat ik met je wil vrijen. Maar als dat niet lukt, bak ik een ei op je buik. Rewind. Ik was dronken. Ik bak een ei op je buik en verder niets.

Schouders die trillen onder ongelovige vingers. Een voet die als een vloek tussen benen belandt. Twee verschillende schoenen. De liefste lach die je ooit zag. Een schoot op de kasseien. Een stem die fluistert: “Ik doe je geen pijn. Hier is het rustig.” Een fiets die tussen tramsporen haakt. REWIND. Een woord dat niet gehoord wordt. “Wat zei je?” Het maakt niets uit. We hoeven elkaars taal niet te begrijpen – zolang ons lichaam zingt. I could never take the place of your man.

Een hand die rusteloos naar de juiste muziek zoekt. Luister liefste, zo zingt mijn volk. Zo neemt het afscheid. Laat me rusten, opnieuw in je schoot. Ik wil niets anders dan ruiken en voelen en ruiken en voelen. Een traan valt zacht in mijn oor. REWIND/REWIND/REWIND. Een hand die ondeugend naar 1995 teruggrijpt. Maakt niet uit wat die kaaskop vindt, vannacht doen we het op geile beats. Niet meer of minder. Dwingend duwt het oor de traan naar boven. Een druppel zweeft in de lucht, vindt een oog, sluit zich ongezien op.

zaterdag 31 december 2011

2011: een balans

Ik herinner me 2011 als een jaar dat begon met ruzie. We zaten in een huis, in een straat die haar naam nog waarmaakte, en aten Nederlandse soep uit blik en een Belgisch hoofdgerecht dat uren had staan pruttelen. Bij de buren werd een vrouw in het gezicht geslagen. Misschien een mes. Sirenes, een man die de benen neemt. Ik zoek mijn lief om me vast te houden. Hij kust de andere mensen eerst. Het onheilspellende gevoel dat me bekruipt, wijt ik aan mijn schrijvershoofd en ietwat bange buik.

Ik herinner me 2011 als het jaar waarin ik met succes de Nederlandse podia beklom. Een jaar waarin de taartballon die ik voor mijn negenentwintigste verjaardag kreeg naar beneden zakte en de grote bananenboom een bloem kreeg en stierf. Een jaar waarin ik over protest schreef, voor het eerst drieënvijftig kilo woog en roze laarzen kocht die rond mijn kuiten spanden. Vriendinnen werden zwanger en bevielen van een bundel onschuld. Ik herinner me de avond waarop ik aan een kampvuur met een vijfjarige praatte. En ‘La chanson des vieux amants’ zong terwijl baby’s tegen mijn schouder in slaap vielen.

Ik herinner me eind april. Mijn lief belde me op terwijl ik naar de fitnesszaal huppelde. Hij zei ‘Het is fijn dat je de laatste dagen zoveel lacht.’ Ik sprak uit gelukkig te zijn en beet op mijn tong. Ik herinner me begin mei. Mijn vader komt op bezoek en begint te huilen. Mijn vingers die drie letters in de zoekbalk tikken. A – L – S. Ik herinner me een lief dat mijn angst probeert te kaderen. Een man die steeds verder van me wegkroop en elke week hetzelfde lijstje verwijten aan me presenteerde. Een toverformule waaruit een vrouw ontstond die ik steeds minder goed herkende.

Ik herinner me 6 juli. Prince kwam naar Gent. I was going to party like it was 1999 – met hem die in dat jaar mijn hart brak. Die warme ochtend zou de angst verdwijnen. Maar dat deed ze niet. Ze werd verdriet dat nergens heen kon. Stilte aan de andere kant van de lijn. Veel ‘kop op’, ‘hou je taai’ en ‘geniet van wat rest’. Veel tranen in een krib die plots benauwd leek. Geen bergen of duinen in de buurt. Een moeder die me zegt dat ook zij verlamd zal raken. Een moeder die nog steeds niet luistert. Een zus die tegen mijnbouw vecht in een ander deel van de wereld.

Ik herinner me vijf maanden keihard ‘bikkelen’. Overuren maken en noodkreten die niemand hoort. Een relatietherapeut die me vertelt dat ik de teugels in handen moet nemen en mijn verdriet een plek moet geven. Ik herinner me 2011 als ‘lijnen op een plein’. Ik schreef niet minder, maar voelde me ongelezen. Ik praatte veel en kreeg geen vat op wat onbegrensd uit me stroomde, in me vrat.

Ik herinner me de laatste nacht van 2011. De kat sliep voor het eerst bij me in bed en drukte haar trillend lijfje tegen mijn buik aan. Ik werd steeds opnieuw wakker van mijn eigen kreten. Ik herinner me mijn lichaam in de spiegel. Ik ken deze achtenveertig kilo goed, maar ze zijn veel ouder geworden. Boosheid werd wanhoop, mijn blond zonnekind een eenzame soldaat, een lafaard met knellende hoofdpijn. Ik herinner me de bel die gaat terwijl ik de balans opmaak. Uit een grote doos komt een nieuwe ballon. Een vlinder. De brief die aan het touwtje hangt, zorgt ervoor dat de vlinder niet kan opstijgen. Deze weegschaal is uit balans.

Ik neem een trein. Een nachttrein naar Lissabon, een dagtrein naar Antwerpen. Op de laatste avond ga ik wat me nog rest in mijn armen koesteren. Op de laatste avond ga ik troosten.

Voor wie na het lezen van dit bericht behoefte heeft aan troostende woorden: lees wat Anna schreef.

zondag 25 december 2011

Een soldaat zonder naam

Voor het verhaal begint - de soundtrack.

Daar staat mijn soldaat. Ik zou hem er uit de duizenden uit kunnen halen. De helm die zwaar op zijn hoofd drukt, doet zijn fijne trekken onrecht aan en laat ze kinderlijk lijken. Mijn soldaat is kleiner dan de rest en een stukje breder. Zijn borst steekt vooruit. Dat is niet zozeer een blijk van trots, maar een logisch anatomisch gevolg van zijn spieren, die ter hoogte van zijn buik een plateau vormen maar hoger op de ribbenkast dik gestapeld zijn. Zelfs als hij een week moet zweten en niet eten kan door de griep, blijven zijn schouders en borst die niet bedoelde trots bewaren. Bovenop zijn schouders staan twee knobbels, die nu verstopt zitten in het uniform.

Ik heb de laatste dagen goed voor hem gezorgd. Geen enkele vrouw, moeder of zus ziet haar soldaat graag vertrekken. Ik heb broodjes gebakken en vis in de oven gezet. Met veel groenten, want die krijg je niet zomaar in een oorlog. Ik heb ook veel gehuild. 'Kijk,’ heeft hij me voor het afscheid gezegd. ‘Ik heb mijn ogen getraind, zodat ze sneller drogen. Tranen vertroebelen je zicht als je een dier moet doden.’ Ik antwoordde dat het knap was en vocht tegen de aandrang om wasknijpers op zijn oogleden te zetten, zodat hij me eeuwig aan moet kijken.

Hij heeft lappen gekocht. Die zijn nodig om zijn knokkels te beschermen tegen het glas. In het land waar hij heen gaat, staan spiegels. Wat een soldaat met die spiegels moet doen, verschilt per missie en valt op voorhand niet te vertellen. Misschien moet hij ze op zijn schouders binden en ergens anders plaatsen. In dat geval komt de brede rug goed van pas. Het kan ook zijn dat hij zonder knipperen in de spiegels moet kijken. Dat klinkt eenvoudig, maar die goed getrainde ogen zal hij nodig hebben. Misschien krijgt hij de opdracht van een Generaal Zonder Naam om al die spiegels stuk te slaan. Dan heeft hij maar beter doeken rond zijn vuisten gebonden. Want ’s avonds in het kamp is er geen vrouw om het bloed op te zuigen. De pleisters zijn schaars in het Kamp Zonder Naam.

Niet iedereen vindt het verstandig van me om vroegtijdig in de rouw te gaan. Wie weet komt hij levend terug? Ik zal hem herkennen, zeggen ze, aan de sproeten op zijn rug als hij met ontbloot bovenlijf zijn tanden poetst. Ja, dat klopt. Misschien zullen er wat nieuwe sproeten zijn ontstaan, maar de tekening blijft gelijk. Ik kan ze uit duizend andere besproete ruggen herkennen. Maar ik heb hem zien veranderen en dat doet zeer. Niet enkel zijn trekken werden ietwat harder, ook zijn nek werd alvast wat stijver om die helm te kunnen dragen. Zijn handen zijn steeds vaker in knuisten gebald. Zelfs zijn logica veranderde. De tijd die ons voor zijn vertrek beloofd was, kortte - onder invloed van wetten die ik niet kende - aanzienlijk in. Een hele week werd een verlengd weekend.

Misschien komt hij terug. Maar hij wil op dit moment de oorlog in. Strijden voor een land dat misschien nooit van zijn vader was en dus ook niet van hem zal worden. De grenzen van het land kent niemand, het heeft niet eens een naam. En dat hij kiest voor dat naamloze, laat het mij zo zinloos lijken. Maar wie ben ik, als vrouw. Ik kan niet anders dan in mijn eigen handen bijten. Ik heb geen ogen die getraind zijn tegen weer en wind. Ik zal mijn eigen oorlog vechten. In stilte. Of met een pen misschien.

donderdag 20 oktober 2011

Lijnen op een plein

We hebben ons verzameld op een reusachtig plein. Er waait een sterke wind en het is zo koud, dat onze lippen blauw geworden zijn. Misschien zou het helpen om wat dichter bij elkaar te staan. Maar dat blijft toch altijd schrikken, huid op huid en merken dat de ander het nog kouder heeft dan jij. Dus we blijven op een veilige afstand van elkaar staan.

Gelukkig is de opdracht voor vandaag heel eenvoudig: een paar lijnen op de grond tekenen. Ik neem een wit krijtje uit mijn zak om een eerste grens te trekken. Dat kan ik goed, het initiatief nemen. Maar door de kou slaag ik er niet in om het krijtje vast te houden. Het breekt in tweeën op de stenen grond.

Plots staat hij achter mij. Zijn handen, die onverklaarbaar warm zijn, omkapselen de mijne. Hij sust me: “Rustig, ik zal ervoor zorgen dat je je krijtje opnieuw vast kan houden.” Vol afgrijzen kijk ik naar mijn handen. De warmte was afkomstig van dikke stroop, die nu mijn vingers aan elkaar kleeft. Ieder protestgebaar ziet er vanaf nu potsierlijk uit. Als ik mijn duim en wijsvinger tegen elkaar zou plaatsen en heel luid “Va fan culo!” zou roepen, dan blijven mijn vingers tot in de eeuwigheid in die protestpositie staan. Er zit niets anders op dan de zoete stroop van mijn handen te likken.

Nu stapt zij naar voor. Ze heeft net als ik een krijtje meegebracht, dat even rood is als haar lippenstift. Driftig somt ze alles op. Conclusie? Ze heeft een cirkel nodig waar veel ingestouwd kan worden. In één beweging tekent ze een grote, rode cirkel op het plein. De rode lijn raakt bijna mijn tenen en komt ook heel dicht bij alle andere voeten.

Ik roep. “Nee! Wij hebben ook ruimte nodig!” Plots begint het heel hard te regenen. Heb ik die regen opgeroepen? Alleszins niet met opzet. De dikke, rode lijn vervaagt. Het lijkt wel alsof er een jager voorbij is gekomen met een bloederige haas op zijn schouder. Met de zware regenval komt er ook een bord naar beneden gewaaid dat op een meter voor mij landt. “Wij zijn 99%!” staat er op het bord. Ik knik. Zo vol zijn onze hoofden.

Misschien moeten we op zoek gaan naar dat ene procent dat overblijft. Van daaruit onderhandelen vooraleer we grenzen trekken. Of is het beter om al die strepen te vergeten en heel dicht op een hoopje te gaan staan? Kunnen we dan nog wel ademen?

De opdracht voor vandaag leek nochtans niet zo moeilijk. Een paar lijnen trekken op een plein.

En wat muziek die hier goed bijpast. Dank je, Nora.

dinsdag 2 augustus 2011

Gebrekkige beeldspraak

Met z’n vieren stonden ze naar de grond te kijken. Een grijze man, een man van middelbare leeftijd in maatpak en een jong stel. Misschien broer en zus. Of was er geen enkel verband tussen deze vier mensen? Hadden drie van hen gewoon besloten om mee op zoek te gaan naar het verloren voorwerp dat ergens op de kasseien ligt. Een lens waarschijnlijk. Al kan het ook wat anders zijn. Een trouwring, een bidprentje, een stoute muis die naar de gracht rent.

Ik weet niet op welke manier, maar dit tafereel past bij me, op dit moment. De metafoor die ik niet helemaal kan interpreteren sluit naadloos aan op mijn gebrekkige beeldspraak. Ik worstel met taal. Want waar ik op het internet niet over wil schrijven, vertel ik wel op een podium omringd door vrienden. En voor het eerst in jaren pen ik wat in een boekje neer. Ik glimlach als ik naar de geschreven letters kijk. Ze zijn naakt, ontdaan van elke literaire glans lijken ze naïef zelfzeker. En dus ook in die letters kan ik weinig van de radeloosheid kwijt die af en toe door mijn lijf raast.

Misschien ben ik ook niet radeloos. En is deze verhevigde vorm van kwetsbaarheid doodnormaal. Maar hoewel ik op zoek ben naar gelijkgestemde zielen, mag niets hiervan ‘doodnormaal’ genoemd worden. Dat zou afbreuk doen. Aan wie hij is voor mij. Aan waarom ik de hele dolle zomer mijn nagels lak en nog meer dan ooit tevoren op mijn allermooist wil zijn. (Hoewel dat niet meer kan en in zijn ogen ook nooit echt nodig is).

Ik lees ‘Schaduwkind’ en mijn hart stokt. Nu snap ik de grijze waas die over de schrijver hing met wie ik enkele weken geleden het podium deelde. Enfin, ik snap het niet. Zijn verdriet komt uit een andere werelddeel, maar af en toe leunt het met een kubieke millimeter huid tegen mijn verdriet aan. Die flinterdunne gelijkenis biedt troost.

Dus ik bijt in de stem die zegt dat ik vrolijke boeken moet lezen. Ik verbrand in gedachten de handen die me ongeduldig op de schouders slaan. Ik vervloek de mond die dronken het vreugdevuur wil aanblazen. Nee, rust, een strandwandeling met schoenen aan, een droevig boek, de kat in mijn armen, een dromende man tegen me aan en steeds weer naar die plek om herinneringen te verzamelen. Dat is wat ik nu nodig heb.

Populaire berichten