dinsdag 16 april 2013
Het antwoord van Peter Mangel Schots
In het kader van Date Ex Machina publiceerde ik zondagavond een brief aan Peter Mangel Schots, nadat ik de hele namiddag met hem in Amsterdam had doorgebracht. Vandaag verscheen zijn subtiele, juiste antwoord. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen. U misschien ook. Nu is het officieel: ik vind brieven krijgen écht net zo leuk als brieven schrijven.
Labels:
anderen,
brieven,
Peter Mangel Schots
maandag 15 april 2013
Brief aan Peter Mangel()Schots
Dag Peter,
Bij de AKO-boekhandel
in Amsterdam Centraal was ik, ondanks mijn reeds indekkende sms’je, drie
minuten eerder dan voorzien. Jij was net op tijd. Daarmee doorbraken we een slechte
gewoonte die we delen: vaak een klein beetje te laat komen. Is het de wereld
die drie minuten te veel van onze aandacht vraagt? De wind die zo hard waait
dat hij zichzelf wegblaast, een verlaten graafmachine met de schoep als uitgestoken vuist van een man die op tafel slaapt, die ene regel die onze wrevel wekt zonder dat
we weten wat we willen doorbreken?
Je pas is verend,
je lacht veel en makkelijk. Drie biertjes later keek je nog ondeugender dan
voorheen. Dat ik ook veel lach, heb je vast onthouden. Maar ook merkte je op
hoe ik naast soms oliedom veel te streng ben voor mezelf. Ik heb je niet
gevraagd waaruit je dat afleidde. Het was tout
court erg fijn dat niets hoefde en alles kon en dat in zoveel talen en
accenten. We hebben wat afgereisd in die paar uur. Van een winderig dakterras
met twee Scandinavische schrijvers naar een namiddag van Read my World over Egyptische literatuur en heroïsche
documentaires, van een museumdak dat gesloten bleek naar een boom waar ook bier
gebrouwen wordt. En tussendoor droomden we over een Portugees huis met open
ramen en dubbele vloeren, bladerden we in het Chileense boek dat je uit je tas
toverde, probeerden we al die verschillende tongen uit.
Coq au vin of
zeebaars… Als ze anders op tafel zouden zijn gezet, hadden we ze even
gemakkelijk verdeeld, dat weet ik zeker. Net zo vlot en beheerst als de drank
vloeide. Maar wat ben ik blij dat ik tijdig bedacht kreeg dat Hollandse ‘spitskool’
wel erg lijkt op onze ‘savooiekool’. Iets voorgeschoteld krijgen wat je niet
weggewerkt krijgt? Ik wens het je niet toe. We hebben onze harten vol aan onze vaders missen, bij wijlen
machteloos verzoenend door het leven dweilen en tegelijk opstandig zijn. Door onze
aders stroomt bloed dat we onmogelijk van richting kunnen veranderen. Tegen de
klok, dus linksom. Daarbij kunnen we maar beter aanvaarden dat we ouder worden.
Peter, jij bent
deelgenoot van mijn geheim. Je gelooft dat ik geen geheimen heb en dat ik wat
milder mag zijn. Kortom: dat ik moet leren koesteren wie ik ben en wie ik
kan worden. Bij jou ben ik met al die anderen in veilige handen. Daar dank ik
je voor.
Graag tot nog een
keer en liefs,
Marie x
P.S. Toon jij de
achterkant van wat we elkaar schonken? Ik pak je even samenzweerderig vast.
Deze date werd aangevuurd door Date Ex Machina, een initiatief van literair tijdschrift Deus Ex Machina.
Labels:
brief,
deus ex machina,
literatuur,
ontmoeting
vrijdag 5 april 2013
Brief aan Kurt Cobain
Liefste Kurdt*,
Bizar hoe dat
kan. Ik heb me de hele week verongelijkt gevoeld, boos, verkrampt, waanzinnig
ongelukkig. Ik heb zowat alles gevoeld wat een hart doormidden snijdt, maar nooit verdriet. Echt. Tot daarnet. Een oude schoolvriendin, die ook naar papa’s begrafenis
kwam en met haar komst mijn hart verwarmde, herinnerde me er op Facebook aan
dat gij negentien jaar geleden ne kogel door uwe kop schoot. Enfin, dat
vermoeden ze, op basis van de staat van uw lijk toen ze u op 8 april vonden. Ge zijt nogal vereenzaamd gestorven.
Soit, ik besloot
‘Dumb’ online te plaatsen en plots moest ik keihard bleiten. Met uithalen, vloekend in het Antwáárps, er was echt niets standaard aan. Ik schreef hoe
papa u altijd Kurt Koppijn noemde. En dat ik niet geloof dat er een hemel is.
En als die er wel is, vermoed ik dat jullie er om zeer verschillende redenen
niet beland zijn en dat gij nu in een meer van vuur woont. Papa vernoemde u naar pijn, maar eigenlijk denk ik dat hij u
stiekem wel leuk vond. Leuker dan Prince in ieder geval. Hoe dan ook, mijn
gedachten dwaalden af, naar zwarte stretchbroeken en zwarte nagellak, naar
houthakkershemden die mijn kleine borsten verdoezelden, naar tuinhuisjes
die we met combats in elkaar stampten zonder goed te begrijpen waarom. Maar
vooral naar de parallelle lachrimpels in uw kaken, die gij met mijn vader gemeen
had en waar ik altijd week van wordt. Naar de songteksten die hij voor mij printte. Een dikke stapel papier, bedrukt met gepixelde inkt en met gaatjes aan de randen. En plots was dát daar, waar het allemaal
om draait: verdriet.
Waarom vond ik u
toentertijd zo bijzonder? Het is een feit dat weinig blonde kerels zo lekker
zijn als gij. En echt vettig haar, dat is helemaal zeldzaam sexy. Chapeau (ik wil niet aan het hoedje rieken). Maar het was
meer dan dat blonde haar, die blik waarmee gij op het eind van die Unplugged-opname uw blauwe ogen opslaat.
Het is meer dan de tanden waarmee gij zo nerveus knarsetandde, de pen die flink
zotte en opgejutte teksten schreef die bij wijlen geniaal herkenbaar zijn.
Meer dan de vinger die gij mager op de wonde legde en die verklaart waarom mijn collega Smells like Teen
Spirit opnam in de hoorcolleges van Cultuur en Media. It’s a fucked up
world. I can't help it - I love it anyway,
En zoals het in de
kern verdriet is, gaat het nu ook meer om mij dan om u. Omdat gij raakt aan wat
mij het meest van al verdriet doet. Voor de duidelijk: van vaders moet men houden, men kan ondanks alles niet anders. Gelukkig was dat in mijn geval soms wel complex, maar nooit echt
moeilijk. Maar houden van mannen als gij, dat is een ander paar mouwen. Want
aan de ene kant vervloek ik jullie machteloos bestaan. Maar wat vind ik mezelf beangstigend bitter, dat ik dat durf te schrijven. It all comes down to love.
The finest day that I've ever had, was when I learned to cry on command.
Ja, lieve Kurt.
Ge hebt afgezien in die koude industriestad, met die rare vrouwen, de wereld
die u niet begreep, dat kind dat er plots was en de drugs die gij nodig had.
Maar waarmee gij het meest hebt afgezien, dat waart gij zelf en uw onvermogen
om met uzelf door één deur te lopen… En waarvan ik, naast het verlies van
mijn vader, nu ook afzie, is mijn drang om jullie op een vreemde
manier te herkennen, vereren en verachten tegelijk.
Jullie zijn ook
zo verdomd schoon. Die halve gekken met vuur in hun ogen en de meest ware onzin
in pacht. In mijn vreemdste dromen doe ik niets anders dan de tranen van uw
wangen likken en met een hand door uw haren te gaan omdat ik u wil kalmeren en
zeggen dat het goed komt. Maar dat doet het nooit. Of zeer zelden.
I love myself and
I don’t want to die,
Nen dikke kus anyway and a slap on that tiny ass of yours,
Marie x
* Die-hard fans schrijven dt-fouten. Ik doe niet mee aan die-hard. Of zeer zelden.
Labels:
brief,
in memoriam,
Kurt Cobain,
muziek,
verdriet
zondag 24 maart 2013
Nog een brief aan papa (op een dag na een maand later)
Dag papa,
Daarstraks vroeg
een kibbelend koppeltje me in de supermarkt welke dag het was vandaag. Ik
slikte nog net ‘op een dag na een maand geleden’ in en antwoordde compleet
sociaal aangepast ‘zondag 24 maart’.
Het lukt me
slechts gedeeltelijk, dat aangepast zijn. Nooit erg goed, dat weet ik, hou maar
op met lachen. Maar de laatste maand lijk ik er nog iets slechter in. De
snijdende wind op de fiets, de getalenteerde muzikant die zich helemaal vrijwillig kapot zuipt, de collega die op zijn borst slaat en onzin kraait
terwijl ik mijn best doe naar de stilte te luisteren, de koudste lentedagen die
volgden op de dag dat we je in de zon begraven hebben… Ze geven me allemaal een
alibi om vaker te huilen of - voor ik het zelf in de gaten heb - uit te halen, af
te schermen en af te zeggen. Maar dat vaker huilen vind ik moeilijk en de
waarheid achter de alibi’s ook.
‘Je ziet er goed
uit, Marie’, hoor ik ze zeggen. ‘Gezien de omstandigheden’, zie ik ze denken.
Men verbaast zich met gepaste lichtzinnigheid over die paar kilo’s die er
alweer bij zijn, over het feit dat ik dwars door alles heen kan dansen, zingen,
lesgeven, eten, schrijven, herschrijven, slapen, ontwaken, vrijen en zalven,
zelfs lachen.
Zelf verbaast
weinig mij. De donkere en lichte stenen misschien, die ik van mijn nachtkastje
naar de kist verhuis en weer terug. Dat ik ze zelf kocht, dat verbaast me een
beetje. Gelukkig is er wel veel troost als ik mijn hart wat open. De sjamane
die me maanden geleden in de trein geschonken werd en die me deze week op kwam
zoeken. De boeken die nu veel harmonischer over de ruimte verdeeld zijn. Het
kussentje dat ik voor weinig geld in huis heb gehaald om wat zachter te landen.
Ik denk dat het
pas echt goed met me zal gaan op de dag dat ik opnieuw écht verbaasd kan zijn.
Over de warmte van een ander hart, bijvoorbeeld, of hoe lichamen perfect in
elkaar passen. Over de overlevingsdrang van peterselie op een balkon en hoe een
duif haar ogen sluit in de zon. Af en toe rijmen mijn zinnen. Dat is niets om
verbaasd over te zijn, maar het maakt het wel wat zachter allemaal.
Censureren, dat
doe ik ook. Foto’s op Facebook van een dansende Marie die zich vooral
toeschouwer voelde. Maar de foto’s waarnaar ik met mijn beste oog kijk en waarvan ik vind dat ze een deel van de waarheid spreken, die blijven. Want de waarheid, die doet
weinig anders dan waarheid blijven.
Censureren en
geen afsluiter vinden. Vandaag niet.
Een kus dan maar,
een hele droeve,
Marie x
zaterdag 9 maart 2013
Nog een brief aan papa (net geen twee weken later)
Dag papa,
Een kort briefje
maar. Ik heb in die twee weken na je dood nog niet zoveel woorden
teruggevonden en zocht liever de randen dan harten van de drukte op. Wel heb
ik het boek van Connie Palmen besteld, over rouwen enzo. Ik denk dat je het me
wel vergeeft dat ik Stephen Fry’s spitsvondig woordgebruik eventjes too much vind, te veel voor wat zo klein
en groot tegelijk in mij omgaat, mijn buikwanden aftast en mijn hart omvat. Te
veel, net zoals die twee whiskey-cola’s na de wijn gisteren en de stapel werk
die in Amsterdam op me wachtte.
Ik heb ontzettend
veel mails, kaartjes en brieven gekregen. Sommige heb ik al beantwoord, sommige
nog niet en eentje wil ik niet beantwoorden. Net zoals ik heel je afscheid
rustig heb meegemaakt, maar het plots niet kon verdragen dat zo’n doodgraver je
urne in de grond zou steken. Hij zag eruit alsof hij op de N-VA stemde. Dus ik
heb het zelf gedaan en daarna hebben we je samen – zonder die vreemde snuiters
– begraven.
Sommige dingen
overvallen me. Sommige dingen overvallen ook op een fijne manier. Zoals die aanwezigheid
van bijna vijftig vrienden uit alle fases uit mijn leven. Er waren collega’s, die nu
beter begrijpen waarom ik vloek tegen computers en kopieerapparaten. Er waren
talisvrouwen, zeldzame vrienden, exen en de dochters van jouw vrienden. En nu
vind ik troostende mannenstemmen in de brievenbus. En kaartjes, waar heel vaak
een boom op staat of een pluisje, blad of bloem. Rivieren ook en vlinders en
vogels. Maar nergens bergen of vuur. Vreemd.
Naar de bergen ga
ik voorlopig niet. Wel naar Berlijn, met Pasen. Met Irina, op bezoek bij de
drummer met de prachtige achternaam. Blijkbaar lust mijn zus ook pure
chocolade. Wist jij dat? Ik denk dat het wel één van de mooie dingen is aan de
dood. Als iemand die heel graag gezien is wegvalt, leren we nog beter te kijken
naar de anderen die samen met ons overblijven. Ik geloof dat dat uiteindelijk
tot nog meer liefde leidt.
We zorgen voor
elkaar.
Liefs,
Marie
P.S. Dit zat - weliswaar in de naaktere versie - ook
tussen de troostende mannenstemmen die vandaag uit mijn brievenbus klonken. Het
is er eentje voor je broer. We gunnen het hem samen.
zaterdag 2 maart 2013
Afscheid van mijn vader, Wim Meeusen (1945-2013)
Je weet dat het
voor mij niet moeilijk is om woorden te vinden. Wel om ze te schrappen. Wat
vertel ik nu? Voor een anekdote was onze band te bijzonder, te complex, te
divers. Vaders worden niet in sprookjes geklasseerd, maar in levens herinnerd. In
het bloed gevoeld.
Drie dagen voor
je stierf, kreeg je nog een brief van me. Wat ben ik blij dat ik in de Amsterdamse
avondkou nog een postbus zocht. Het waren geen laatste woorden in die brief,
het was niet meer dan veel liefs en andere dingen uit het leven. Het was
broodnodig en overbodig.
Ik heb je altijd
ongezouten verteld wat er in me om ging en you
loved me for it. Je noemde me – toen ik op mijn negentiende twee maanden in
de politiek ging – op de affiche ‘ne vranken teut’ en in je memoires ben ik ‘Marie
met het hart dat altijd overloopt’. En ik kan nu vertellen dat de vierde
hondendrol die ik de voorbije week tegenkwam, de eerste was waarover ik
uitgleed. Het was geen nepdrol, zoals de drollen die je met kerstmis gniffelend
cadeau deed aan je neven en nichten. En zoals het geen nepdrol was, ben jij nu
niet nepdood. Je bent keidood. ‘Alleen een steen kan kei zijn,’ hoor ik je
tegenwerpen. ‘En dan enkel keihard.’
Als ik nu nog
eindeloos wil bediscussiëren of gedichten moeten rijmen, zal ik dat in herinneringen
doen. Ik zal er vanaf nu de toehoorders, die zich verwonderen over de schijnbare
zinloosheid van onze discussie, bij moeten verzinnen. Maar wij zullen knipogen naar
elkaar en begrijpen dat het niet iets is van winnaars en verliezers, maar meer
iets als met opzet/expres verdwalen in een bos. Of toch nog een keer die zwarte
piste doen, terwijl je net te veel vov hebt gedronken en het al schemert. Geen
kwestie van echt gevaar, hoogstens jezelf uitdagen en dat in alle vrijheid met
elkaar doen.
Papa. Jij was meer
dan de verstrooide professor met ene skifrak (die koppig alle modes overleefde)
en twee schoenen. Meer dan de man die niet kon zoeken maar wel kon zingen. Meer
dan hij die vrouwen voor lief nam terwijl hij ze liefhad. Jij was meer dan
koppig en kwetsbaar, een conservatieve open geest die met zijn linkerpoot
voetbalde. Nors en sentimenteel, een selectief gezelschapsdier dat tegelijk
bedachtzaam en onhandig authentiek (of bot) was. Je was meer dan de vader die
nooit ziek was, behalve dan die ene vreselijke keer.
Jij was mijn
vader. Die me op het eind van de avond, als je iets te veel gedronken had, op
je schoot trok. Ik spartelde tegen, maar je wist dat ik niets liever deed. Je
toonde me het mooiste van de hele wereld, een vuurwerk op de 14 Juillet. Je
speelde trompet en leerde me zingen dat ik bij de jonge garde van het
proletariaat hoorde, terwijl ik opgroeide in een groot huis vol boeken. Boeken
die we elkaar aan hebben geraden en waar we verrukt over waren, jij bedeesd en
ik uitbundig.
Je wees me de
sterren en ik vergat hun namen, zodat je ze opnieuw voor me kon herhalen. Je
leerde me vuurvliegjes zien, naar krekels luisteren, cantharellen vinden. Je
wreef op de berg iets te hard mijn handen warm toen ik het koud had en gaf me
tegelijk het gevoel dat ik niet zo mocht zeuren, als dat ik het moedigste
meisje op alle zwarte pistes van de wereld was. Je leerde me dat ik nieuwsgierig
genoeg was om vissen te vangen, maar niet koudbloedig genoeg om ze te doden. Je
vond dat ik niet met een streepje blote rug de kou in mocht stappen (en altijd
moest die sjaal om), maar je wilde zelf geen morfine toen je naar adem hapte. ‘Zachtjes
ingeslapen’ schreven we op je brief. Maar dat kwam niet door de morfine. Je
sliep geruisloos in, nadat je gedurende de laatste 24 uur alle emoties
doorleefd leek te hebben. En ik met jou. Zonder filter.
Wat een voorrecht
om van alle vrouwen in je leven de oudste dochter te zijn. Ik was alles
tegelijk voor jou en jij was alle mannen voor mij. En ook al zal ik me af en
toe nog boos om je maken, ik zal je nooit iets echt kwalijk nemen. Net zoals ik
jou, ondanks al mijn sotternijen,
nooit teleurgesteld heb.
Je hebt je die
laatste dag druk gemaakt, terwijl ik je ogen zocht om je terecht te wijzen én
lief te hebben, terwijl ik door mijn tranen heen naar je lachte en je over je
bol aaide. Jij keek en vroeg begrip maar wist ook dat ik je al begrepen had. Ik
keek dwars door je heen, of keek jij door mij? Ik weet het niet, soms voelen we
als een.
Lieve papa, als
je nu sterrenstof bent en ongrijpbaar door de tijd, dan hoop ik toch dat daar
de zwarte panter naast je loopt. Trek hem op je schoot en streel hem plagend
over zijn buik. Luister naar de vleugelslag van de adelaar en laat ons samen
rustig worden. We kunnen het, want jij bent mijn enige papa en ik je enige
Marie Pipi. Geef me een kus. Of twee. Eentje die onhandig hard is, waarbij je
baardharen in mijn nek prikken. En dan de allerzachtste.
Ik hou van u.
vrijdag 8 februari 2013
Brief aan mijn grootmoeder (in memoriam Rachel Souritz - II)
Lieve bomma, lieve Rachel Souritz,
Over een paar dagen, op maandag, zijt gij vijftien jaar dood. Normaal gezien ben ik vrij exact met data en de dagen waarop ze in inkt herinnerd worden, maar dat is nu allemaal een beetje anders. Want maandag ben ik moeër dan vandaag, dat weet ik nu al. Op maandag heb ik weer een paar dagen voor papa gezorgd. Misschien weet gij dat ook wel, weet gij ook hoe droevig ik ben, al durf ik daar niet zeker van te zijn.
Maar ik schrijf
dus nu. Want ik kijk naar buiten. De hele dag al speelt de zon een spel met
smeltende sneeuw. Ik twijfel tussen een boom zoeken, daar onder gaan zitten en mijn arm rond mijn knieën slaan, een visietekst herschrijven of een brief aan u. Ik kies in de eerste plaats voor de brief. Niet omdat ik daar per se
gelukkiger van word, maar omdat ik zo het meest bij mezelf blijf op een dag
waarop dat nodig is. Daar is soms daadkracht voor nodig, voor dat ‘bij jezelf
blijven’. Vooral als je naast borsten en billen een heel pfff-verhaal met je
meedraagt en daar graag uit wil ontsnappen. Maar waarschijnlijk leidt dat bij
jezelf blijven wel tot meer geluk, als vanzelf dus, al is het met een krop in
de keel.
Ik kijk graag
naar de foto op uw doodsprentje. Niet lang voor ge dood ging, heeft mijn nicht die foto’s van u gemaakt, op het terras van die
vijfde verdieping. Ze hoorden dus niet bij een van die vele reportages over de oorlog, maar waren net als deze brief een blijk van bewondering van een kleinkind. Toen de foto’s gemaakt werden,
was ik al lang niet meer het jongetje dat in de lift de vijf al wist staan,
maar ik was ook nog lang niet de vrouw die ik nu ben. En hoe gij op die foto in
die camera kijkt, dat durf ik nu nog niet.
Trots, is het. En
kracht. Ik voel weliswaar vulkanen in mijn lijf en watervallen die onder de
donderwolken soms nog schoner lijken. Ik heb er vertrouwen in dat ik nog veel ga
lachen en dat ik op een dag een vent ga vinden die wel raad weet met al dat
natuurgeweld. Daar twijfel ik eigenlijk niet aan.
Maar als er een camera op mij gericht is, dan kijk ik daar toch nogal schaapachtig
naar. Of ik probeer een beetje mysterieus te kijken. De mooiste foto’s van mij
worden stiekem gemaakt, of in het midden van een verhaal waarin ik opga. Maar
nooit zo open en bloot.
Als ge d’r nu nog
zou zijn, zou ik u dat willen vragen. Hoe dat ge dat doet, zo ongelooflijk
straf kijken. En daarnaast zou ik u willen vragen waar ge spijt van hebt, als
er dingen zijn die ge betreurt. In mijn vastberadenheid om hier sterker uit te
komen, probeer ik toch ook zacht te blijven. Ik probeer mensen dus dichtbij te
laten komen, maar zij die liegen tegen zichzelf hou ik steeds verder van me
weg. Ik ben daar wat strenger in geworden en vraag me soms af of dat me een ‘straffe
madam’ maakt of vooral een stuk eenzamer. Dat zou ik u allemaal willen vragen,
hoe dat ge dat in godsnaam allemaal overleefd hebt, dat verraad, dat overlijden
zo dicht bij u, dat leven met een man die in zowat alles anders was, behalve de
wereld willen verbeteren. En om welke dingen ge ’s avonds in bed het meest gehuild hebt.
Mijn blik
verschuift. De foto van hem is aan een meer gemaakt. In de zon, vandaar het licht. Hij lijkt
de kwetsbare van de twee, de zachtste, het vrouwtje bijna. Schijn bedriegt
waarschijnlijk, hij was diegene die de codes kraakte en strategieën bedacht, hij
hield van redeneren en niet van muziek. Gij zong de longen uit uw lijf, zelfs
toen dat niet meer goed lukte, en liet zo veel mensen met hun mond vol tanden
staan. Maar ook dat vraag ik mij soms af, hoe dat écht was. Niet in de
portretten van jullie twee, niet in de woordenwisselingen, niet in de minnaars en minnaressen om de kloof te dichten. Maar in de wijze waarop gij dingen in zijn oren
fluisterde. En hoe zacht hij uw rug moest strelen. Of ge daarom vroeg of het op
u af liet komen.
Maar daar zouden
zelfs geen woorden voor zijn, als ik het toch zou kunnen vragen.
Bomma, ik zie u
graag. Over vijf jaar schrijf ik u zeker weer. Misschien eerder. Denk aan mij,
ik denk aan u.
Slaap zacht,
mammele.
Labels:
brief,
grootouders,
in memoriam
Abonneren op:
Berichten (Atom)


