maandag 15 oktober 2012

Brief aan de Antwerpenaar


Beste Antwerpenaar,

Voor ik u vragen stel, zal ik mezelf eventjes voorstellen. Ik werd geboren in Jette maar groeide op in de stad waar Bart De Wever ter wereld kwam, Mortsel. Het enige wat ik zeker met u deel, is de tongval. Verder voelde ik me pas Antwerpenaar toen ik op mijn achttiende naar Gent verhuisde en daar om de haverklap een identiteit moest verdedigen die ik me – in tegenstelling tot zij die geen reden zien om uit ‘t stad te verhuizen – nooit bewust eigen had gemaakt. En nu ik in Amsterdam woon, laat ik me nog liefst van al Belg noemen en geen Vlaming. Ik ben recht voor de raap. Dat deel ik met de Nederlanders, maar misschien ook wel met u.

Stapte u vanmorgen trots uit bed? Dan bestaat de kans dat we niet veel meer delen dan die radde tongval en wat andere trivialiteiten. Uiteraard mag u in dit geval nog verder lezen, maar stel me niet verantwoordelijk voor die borrelende onderbuik na het lezen van mijn brief. Als u daarentegen vandaag met een flinke kater opstond zonder dat alcohol daar iets mee te maken had, delen we misschien meer dan de tongval. En dat we dan ook op zoek gaan naar de andere accenten die we met die tong leggen, dat is net iets wat ik met deze brief wil vragen.

De plannen voor een rouwmars stemmen me hoopvol. Niet omdat ik graag in het zwart gekleed ga, maar omdat ik geloof dat het nodig is om alert te blijven voor het gedachtegoed dat decennia later opnieuw Vlaanderen overspoelt, weliswaar overgoten met een sausje van valse gematigdheid en begeleid door rinkelende tv-spelletjes en vrolijke liedjes. Ik rouw, omdat met de stijgende populariteit van het Vlaams-nationalisme heel wat positieve alternatieven worden begraven, net als een aantal belangrijke lessen uit het verleden.

Sommigen brengen zaterdag het liefst een eerbetoon aan het beleid van Patrick Janssens, de tramlijnen die hij bracht, het museum dat uit de grond werd gestampt, het levendige park dat aan de spoorweg ontstond. Ik vermoed dat ik, als ik in Antwerpen zou wonen, dezelfde dankbaarheid zou voelen. Van op afstand lijkt Antwerpen meer te bruisen dan tien jaar geleden en heeft de man onmiskenbaar goede dingen gedaan. Maar zou ik daarom zaterdag een groot afscheidsfeest willen bouwen?

Waarschijnlijk niet. Want een kartel van rood en oranje samen? Dat kleurt niet mooi in ieder links hart. Ik kan me niet aan de indruk ontdoen dat Janssens zich  - met kind op de arm - bezondigd heeft aan het populisme van zijn tegenstander. Er waren heel wat linkse kiezers bereid om strategisch te stemmen, maar het deel dat meer wilde doen dan dat is schromelijk onderschat. Kan dat? Het is mijn boezem niet. Hoe het ook zij, zij die groen lachen om Doe eens normaal, man of Zet die ploat af, zij rouwen misschien om een ander, nog veel groter verlies dan de man Patrick Janssens.

Moet een rouwmars of toekomstfeest afgeblazen worden, omdat de ene er met toeters en bellen een positieve boodschap of bedankje wil zingen en de ander wil rouwen om een beangstigend verlies? Nee. Kom samen om wat jullie bindt. En als jullie samen zijn, ga dan praten over wat jullie verschillend maakt. Duik die inhoudelijkheid in, wees niet bang voor het meningsverschil. Steek kaarsen aan. Om te herinneren en een nieuw begin te maken. Om te praten.

Enkel zo kunnen er tegenstemmen ontstaan. De uniforme schreeuw? Niet nodig. Laat het polyfoon zijn. Gebruik de kleuren en geuren van een eeuwenoude havenstad. En misschien, misschien, vinden jullie samen dat echte tegenvoorstel. Dat echte vóórstel.

Succes,
Marie

zaterdag 13 oktober 2012

Brief aan Ivo Michiels


Hallo Ivo, lieve

Het is vrijdagnacht. Ik heb vandaag niet veel bijzonders gedaan. Tevergeefs geprobeerd een schots en scheef schoenenrek in elkaar te zetten. Eerst alleen. Dat frustreerde me en maakte me razend. Daarna met een vriendin. Dat was hilarisch. Uiteindelijk heb ik alle stokken maar weer in een doos gedaan. ‘Retour afzender’. Het zoveelste zinloze project. En toen ik driftig doorraasde over de foute keuzes die ik de laatste maanden heb gemaakt, belde de onderbuurvrouw aan. Of ik mijn hakken wilde uitdoen. Want ze kon niet slapen van mijn gedrentel. Dus nu zit ik hier op kousenvoeten een brief aan jou te schrijven. Probeer ik mezelf op kousenvoeten te vergeven voor alles wat ik te lang geprobeerd en in mijn haast nagelaten heb.

Het was een vreemde week. Er is best veel bijzonders gebeurd. Als je nog leven zou, zou ik al die vreemde dingen in een echte brief kunnen zetten. Maar in deze vreemde week ging jij dood en kon ik je niet mee begraven. Dus las ik in jouw naam een boodschap voor aan zij die me nooit zullen begrijpen. Ik werd eenendertig en vierde dat met vrienden, zus en moeder en de stilte van een angsthaas. Door het gat in de haag keek ik je aan. Ik huilde deze week nog vaker dan normaal.

“Wanneer ik mijn gedachten samenraap en ik zeg bij mezelf, waarom doe je dit, dit werk, ermee beginnen, altijd door, waar geef je je leven voor, dan zeg ik: Om te praten. Het is mijn vaste overtuiging dat praten belangrijk is. Praten en een gebed opzeggen zijn niet helemaal gelijk, dat is zeker waar, ik moet daar vroeg of laat nog dieper op ingaan, maar een gebed is al een zekere wijze van praten, een begin ermee, een eerste stap, een bewijs van goede wil voor iemand die nog niet (zoals ik) beseft wat praten in werkelijkheid betekent, zeg maar betekent voor de mensheid, we moeten niet bang zijn, de tong zal niet verstijven in onze mond. Voor mij is het duidelijk, met het gebed: omdat ik praten niet kan laten neem ik vaker tot het gebed mijn toevlucht als een aanloop, een soort verwittiging. Pas op, ik ben op komst, tingelingeling ga uit de weg, hier is het gebed, de rest volgt. Ze zijn erop uit om mij te doen zwijgen. Wie ze is of zijn is niet belangrijk, belangrijk is dat ze niet willen dat ik praat.” (Het boek der nauwe relaties)

Misschien was dat één van de dingen die onze twee namiddagen samen zo bijzonder maakten. We praten allebei graag, misschien nog liever dan dat we schrijven. En ook houden we van stilte. Maar die stilte, waar we allebei zo naar verlangen, vinden we ook beangstigend. Is het gek dat ik de tegenwoordige tijd gebruik? Ik denk het niet, los van de dood van de auteur heb ik je dicht bij me zitten. Ik ruik de geur van oude mannen en verwonder me over de gouden ketting, die je om je hals draagt. Het bovenste knoopje van je hemd is open. Ik kijk naar je handen. Ik kijk altijd naar handen.

Het was twee keer hartje zomer. De eerste keer was in 2002. De zomer die volgde op een briefwisseling met postzegels. Je had een typemachine gebruikt, ik mijn eerste eigen computer, waarop ik ook een essay over je Journal Brut-cyclus had geschreven. Die eerste keer zaten we buiten, op je terras aan de weg naar het kasteel. Met je vrouw, mijn vader, vriendin M. en een kat die zich normaal gezien niet liet aaien, maar die dag wel door mij. Je toonde me je schrijftafel, kunstcollectie, boekenkast. We dronken rosé, best veel, en ik schaamde me achteraf over hoe snel mijn dronken tong gerold had. Ik dacht dat ik allerlei domme dingen gezegd had, die een echt intelligente schrijfster voor zich moet houden en door het keurslijf van de inkt moet dwingen.

Jaren verstreken. Ik stuurde je heel af en toe een mailtje. Verder gebeurde er zoveel, dat contact met je houden compleet onbelangrijk leek. Tot de zomer van 2011. Ik hoorde dat mijn vader dood zou gaan en kon daar niet over schrijven. Toen ik die zomer met hem in de Provence belandde, besloot ik je op te zoeken. Mijn vader kon de heuvel niet meer op, dus wachtte hij beneden. En jij kon de trappen van je huis nog maar spaarzaam beklimmen. Dus ik kreeg een uurtje, waarin we koffie en water dronken. Je luisterde. Ik vertelde, deze keer over al die dingen die me droevig maakten en nog wat leuke verhalen tussendoor. Je antwoordde met schilderijen van Corneille, met anekdotes uit de wereldliteratuur, met je blijdschap om Kluger Hans, wat je een fantastisch tijdschrift vond.

Toen ik buiten kwam, besefte ik dat het weer was gebeurd. Als een verliefde kip had ik bijzonder weinig geregistreerd van wat je me gezegd had. Ik schaamde me om mijn hart dat ik bij je op tafel had gegooid. Over de rust die ik niet bij je kon vinden, omdat de tijd zo kort was en er negen jaren waren om bij te praten. Omdat we niet langer dan een uurtje samen konden zijn en ik daar zo veel tijd van ingenomen had.

De dag daarop kreeg ik een mailtje. “Ik was echt blij met je bezoek. Heel Le Barroux glimlacht nog.” En toen besefte ik het. Dat we het allebei begrijpen. Hoe door al dat gepraat de stilte door kan klinken. Hoe een echte schrijver tussen de regels leest. Hoe een echte vrouw dat wil benoemen en een echte man via omwegen probeert te troosten. Maar hoe het steeds de beste bedoelingen heeft. Toch bij jou, toch bij mij. Hoe klassiek of modern we ook schrijven. Hoe verward onze woorden zijn. Toch bij ons.

"In Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Nu moet iemand, de gemeente bij voorbeeld, indien er meerdere gelovigen bij elkaar zouden zijn, antwoorden met Amen. Ik ben alleen, dit ogenblik toch, er zijn voor zover ik kan zien geen broeders en zusters van dezelfde gezindte bij elkaar, ik zal noodgedwongen zelf het Amen moeten zeggen. Amen dus."

Vaarwel Ivo, lieve,

Marie

P.S. "Inderdaad een beetje 'flou', maar dat geeft niet. Je moet ze eens zien, uitvergroot op je hele scherm!"




woensdag 3 oktober 2012

Brief aan de herfst (of aan mezelf)


Liefste herfst,

Hoe vaak heb ik de voorbij vier jaar naar u geluisterd? Mijn oren gespitst, in de hoop in de verte de vleugelslag van deze brief te ontdekken. Maar de vogels vertrokken naar het zuiden en lieten in hun vlucht geen woorden los. Ik bleef al die jaren ademloos achter.

Logisch, denk ik nu. Maar het is makkelijk om achteraf te weten waarom iets loopt zoals het loopt. Op uw brief moest ik bijna vier jaar wachten omdat een brief aan u ook een brief aan mezelf is. En wat vind ik dat moeilijk. Sprookjesfiguren terechtwijzen? Een makkie. Anderen een spiegel voorhouden? Zit in mijn natuur. Maar aan mezelf schrijven? Dat is een ander paar mouwen.

Nochtans ben ik u. Ik werd in uw schoot gebaard en geniet elk jaar opnieuw volop van de noten, zwammen en wandelingen die u met u meebrengt. Ik hou van uw onbestemdheid. Deze onbestemdheid deelt u met de lente, maar ze is van een andere, meer gewortelde aard. Dat heb ik dit jaar meer dan ooit mogen ontdekken. Want in één jaar kreeg ik uw twee broers en uw ene zuster in hun meest karakteristieke gedaantes over de vloer. Ze plaatsten zich tegenover me aan tafel en keken me diep in de ogen. Ik hoop dat ik deze keer echt hun lessen heb geleerd.

Om te beginnen de winter. Wat was het koud en gebruikte ik de foute zinnen. Ik verloor al het vet rond mijn botten, lag in de sneeuw te schreeuwen en dacht dat niemand me hoorde. Toen ik weer opkeek, voelde ik zachte handen op mijn schouders. Talisvrouwen, telkens weer. Ze troostten me, wakkerden het vuur aan, gaven me warmte en kracht.

Toen ik in de lente wat aangesterkt was, kwam er een wervelwind voorbij. Daar was de zon! Daar was een huis dat de hoop heette en dat me even liet vergeten dat hij die ik het liefst zie sterven zal. “Gemaskerd in vederlichte dromen blijft u even genadeloos als andere seizoenen. Ga nooit intens houden van wat nog aan zichzelf twijfelt.” Ik hoorde de echo in mijn achterhoofd. Maar het was toch leuker om de muziek wat luider te zetten en nog een keer het glas te heffen. Op grote woorden die loos bleken te zijn. Op vlinders, op hij die vrienden probeerde te worden met mijn intuïtie maar daar roemloos in faalde.

De zomer die volgde was kort. Ik besefte dat ik geen wind in mijn zeilen nodig had, maar een stevig anker. Dat bood de zomer niet. “U was als een onhandige minnaar die met de ogen naar binnen gekeerd mijn lijf ontkent en daarbij zichzelf. Hij die nadien nog stamelt ‘ik wil je hart niet breken’ en weer wegloopt. U bent als de harde regen op mijn dak. Hoeft het echt zo theatraal? Dit lawaai staat u als keizerskleren. Het staat u niet.”

Toen kwam u. Ik keek in de spiegel en sprak af om met u wat vaker te huilen. Want deze verkramptheid, deze obsessieve herhaling, zij staan mij niet. Dus herfst, draag mij. Waai mijn bladeren weg tot fijne twijgen overblijven die zijn zoals ze zijn. Schenk me eenvoud, een pruttelende schaal in de oven en het gespin van de kat op mijn schoot. Zing mijn vrienden toe, mijn talisvrouwen. Schrijf hun dat er weer een koude winter komt. Gebruik mijn stem om ze te vertellen dat ik ze nodig heb.

Herfst, ik hou van u.

Marie

P.S. Uw portret werd geschilderd door A., die eerder dit jaar ook een brief van me kreeg.

Populaire berichten