donderdag 10 september 2020

Brief aan de brand die Moria in de as legde


Beste brand, 

 

Jij legde Moria in de as. Terwijl ‘Moriah’ de berg was waar Salomo een tempel bouwde, was het kamp op de heuvel Moria het epicentrum van het etterende, Europese asielbeleid. Een beleid dat stilzwijgend of zelfs vergoelijkend, steeds halsstarrig wegkijkend, gesteund wordt door Europese lidstaten en hun rechtse regeringen. Je was niet de eerste brand die in Moria aangestoken werd, niet de eerste die aan de gammele tentjes en provisorische barakken likte van wat tot de nacht van 9 september 2020 het grootste vluchtelingenkamp van Europa was. Maar je was wel de felste. Met opflakkeringen in de tweede nacht, veranderde je het kamp samen met de omringende olijfboomgaarden nog meer in een smeulende berg as. Jij likte niet, laat staan dat je flakkerend waarschuwde, je vrat en verwoestte, greep onstuitbaar om je heen, je verkoolde en verbrijzelde al het lelijks en troosteloze wat je tegenkwam en zette alles in een hels rood. Je smeult nog steeds en kan ieder moment weer oplaaien, tot Moria door elke levende ziel verlaten is en er werkelijk niets meer is om te verkolen. 

 

Jij stuurde dertienduizend mensen de straten van Lesbos op, waar ze verder opgejaagd worden door traangas van de politie, waar burgermilities meehelpen barricades op te werpen die hen de toegang tot de bewoonde wereld versperren. Er meerde ondertussen een cruiseschip aan, er werden wat tentjes opgezet en verlaten legerkampen werden geopend om mensen op te vangen. Maar alsnog slapen ook vannacht weer duizenden mensen onder de naakte sterrenhemel, onder wie talloze jonge wezen en diep getraumatiseerde jongeren. De Griekse regering beloofde al gauw om in de plaats van Moria een gesloten detentiecentrum te bouwen. Je bent nog niet eens gedoofd.

 

In de kranten krijg je een paar honderd woorden, op televisie een paar minuten zendtijd. Er wordt nog steeds, enigszins monter zelfs, verkondigd dat je ‘voor zover bekend’ geen dodelijke slachtoffers eiste. Mijn tijdslijn op Facebook toont een andere beeld en vult zich met radeloze hulpkreten: ik lees over ouders die hun kind niet uit de vlammen konden redden, ik verneem dat de zestienjarige muzikant Obaeed Hossani in jouw vuurzee overleed. Deze berichten worden gedeeld door mensen die in Moria trachtten te overleven of zij die voor één van de talloze hulporganisaties op Lesbos werken en die sinds de coronacrisis hun werk in nog meer erbarmelijke omstandigheden moesten doen of dat met pijn in hun hart zelfs moesten staken. 

 

We weten niet wie jou aangestoken heeft. Enkele van duizenden bewoners die al maanden in een steeds strengere lockdown bivakkeerden en die beslisten dat de maat echt vol was, nu het aantal coronabesmettingen in een kamp waar een toilet of kraantje gedeeld werd met tweehonderd anderen, schrikbarend snel aan het stijgen was? Of werd je aangestoken door eilandbewoners, al dan niet verder opgejut door extreemrechtse waanbeelden, mensen die zich al vijf jaar lang evenzeer gegijzeld voelen door het onmenselijke asielbeleid?

 

Ik wist niet wie ik precies wilde schrijven. De vierentwintigjarige Ahmed uit Syrië, die me in de prille lente via Facebook contacteerde en die me vervolgens bleef smeken om voor hem een advocaat te zoeken die hem wegwijs kon maken in de asielprocedures die sinds de lockdown volledig lam waren gelegd? Die me vertelde hoe hij zijn dochtertje van bijna een jaar oud nog nooit ontmoet had, omdat dat meisje samen met haar moeder nog vast zat in Libanon? Die maar bleef herhalen dat hij een psychiater wilde zien, omdat hij ’s nachts niet kon slapen en, ook al had hij een dochter die hij dolgraag wilde ontmoeten, non-stop naar de dood verlangde? Wilde ik deze man een brief schrijven, iemand die niet op Lesbos maar Samos in verschrikkelijke omstandigheden leefde of leeft, iemand die ik uit zelfbehoud en diepe, verlammende onmacht eind april blokkeerde? Is hij ondertussen dood? En als hij nog leeft, kan hij dan nog voelen, is er iemand die wel naar hem wil luisteren?

 

Of wilde ik een brief schrijven aan de moeder wier zwangere buik de mijne raakte, de babyhartjes klopten heel even dicht en veilig bij elkaar? Deze vrouw beviel in Moria van haar eerste kindje en ontmoette ik niet lang daarvoor, toen ik op het punt stond om in een mooi kanten jurkje en bovenal in alle vrijheid te trouwen met de man van mijn leven. Of wilde ik een brief schrijven aan de baby van drie maanden oud die ik in hetzelfde restaurantje in mijn armen hield, een kind dat bergen en waters overstak om Europa te bereiken en zichtbaar verzwakt was, een kind dat al twee keer onder het mes ging en ondanks de leeftijd nog het formaat had van een pasgeboren baby? Een baby die het koud had ’s nachts, omdat de familie over te weinig vodden beschikte om het te beschermen tegen de nachtelijke temperaturen die ook op Griekse eilanden in de herfst al onder het vriespunt kunnen duiken?

 

En als ik wist wie ik moest schrijven, wat zou ik hen nu vertellen? Dat de tomaten in onze moestuin eindelijk rood verkleuren en dat ik daar vandaag toch even blij om kon zijn? Dat de twee kittens die ’s ochtends mijn benen beklimmen slechts een Europees paspoort van nog geen twintig euro en een paar vaccinaties nodig hebben om binnenkort legaal de grens over te steken? Dat ik me ongemakkelijk voelde toen ik net op de fiets voorbij weilanden fietste waar kerstbomen worden gekweekt, dat ik steeds minder onbevangen geniet van goedgelovige feesten van geluk en vrede, dat ik me sinds je komst eindeloos onrustig voel en dat de drang om die onrust om wat jij in zo’n fel licht zette weer te luwen ver te zoeken is? Ik wist het allemaal niet, dus schrijf ik jou. 

 

Beste brand, wil jij - net als in het Hooglied - de brand zijn die de mirreberg, de wierrookheuvel bezocht? Kunnen we jou als een gebed beschouwen, kan uit jouw assen een humaan asielbeleid herrijzen? Zou het kunnen dat jij zo fel bent dat niemand nog weg kan kijken van je vlammen, niet langer kan wegduiken voor jouw allesverzengende waarheid?

 

Beste brand, niemand wijst jou met de vinger na, want je bent toch niet te volgen en jou treft geen schuld. Jij doet slechts wat vuur doet: verbranden en blootleggen tot er een smeulende vlakte overblijft. Een vlakte die ons geschonken wordt en waar wij mee verder moeten, of we dat nu willen of niet.

 

Ik buig voor je, in ontzag en verschrikking, je spiegelt mijn ziel, je spiegelt ’s werelds woede.

 

Marie

dinsdag 25 augustus 2020

Een brief aan de omgehakte kerselaar


Dag lieve kerselaar,

 

Ik huil niet gemakkelijk, dat weet jij als geen ander wezen. Ook toen ik nog onder je gebladerte speelde, ook toen ik naar verduurde, door honden stukgebeten tennisballen zocht tussen de klimop die dertig jaar geleden ook al rond je stam groeide, ook toen ik elke juni op een ladder klom om je heerlijke ‘witbuiken’ te plukken, huilde ik moeizaam. 

 

Tijdens het plukken van je fruit lachte ik vooral, want wat waren je kersen uitzonderlijk lekker. En letterlijk zeldzaam: de lokale fruitboer bood geld om ze te verkopen, maar we aten ze liever zelf, tot we buikpijn kregen.

 

Ik verzon microwerelden in het gras onder je grote kruin, maakte van de mieren die er kropen moedige verkenners, de dorre blaadjes op hun ruggen werden loodzware lasten die amper te dragen zijn, noodgedwongen enkel samen getild kunnen worden. Ik keek tussen je takken naar de wolken, las onder je kruin de meest klassieke en meest experimentele poëzie, over wolken en wormen. Ik zocht je schaduw op en keek naar de zon door jouw groene bladerdek of zocht in de koudste seizoenen naar de maan door een kale filter van knoesten en twijgen. 

 

Toen mama me vandaag een foto stuurde van je prachtige stam, die in stukken gehakt in de grote tuin van mijn ouderlijk huis ligt, welden er meteen dikke tranen in mijn ogen op. Ik schreef ‘slik’ en besloot even offline te gaan en je te schrijven, omdat enkel een brief het echte verdriet kan verwoorden. Want jij bent mijn boom, lieve kerselaar, je bent een ijkpunt uit mijn jeugd, die boom waar je een speciale band mee voelt, een zichtbare drager van fruit en jeugd en ook veel wijsheid. Ook al overtrof je de gemiddelde levensverwachting van je soort en werd je waarschijnlijk meer dan een eeuw oud, ook al was je al jaren niet meer vruchtbaar en takelde je zichtbaar af, ook al maak je ruimte voor een jonge fruitboom en heb je daar waarschijnlijk zelf vrede mee, ik zal je missen.

 

Ik weet niet wat jij nog meekreeg van de bizarre tijd waarin we leven. Er gebeurt zo ongelofelijk veel, in al die mensenlevens om me heen, er verschuift zoveel, zoveel wordt zichtbaar en ook mogelijk gedroomd, zoveel dromen worden weer doodgeknepen, vertrappeld en niet urgent genoeg geacht, zoveel hoop moet elke dag opnieuw uitgevonden geworden. Er wordt veel van ons gevraagd, we moeten op nieuwe manieren leren bewegen en communiceren. Het is zoveel, dat ik soms de helderheid mis om te verwoorden wat in mij een neerslag vindt en strak gespannen snaren raakt. Tot de dag dat jij omgehakt wordt, blijkbaar. Dan gaat er iets oerouds in mij stromen, jouw laatste sap raakt mijn tranen aan. Om bomen heb je geen verdriet? Niets is minder waar.

 

Ik beloof je dat ik ‘Het verborgen leven van bomen’ van Peter Wohlleben snel zal lezen. In de herfst, een uitgelezen seizoen om meer over jou en je soortgenoten te weten te komen. Daarnaast beloof ik je dat ik zelf met nog meer aandacht de bomen om me heen zal waarderen en liefhebben. Dat we nooit meer een tuinbedrijf op onze tuin zullen loslaten dat zon in de tuin zoveel belangrijker acht dan schaduw en de pracht en kracht van bomen. Ik zal de notelaar veel liefde geven en hopen dat hij volgende jaar weer voller loof heeft en meer walnoten. De magnolia zal ik ook buiten het korte bloeiseizoen bewonderen en ook van die gekke sierboom die ik zelf nooit zou kiezen, zal ik proberen te houden. 

 

De oprit is in coronatijd omgetoverd in een moestuin, met bessenstruiken, kruiden, aardappelplanten die maar geen bloemen krijgen en tomatenplanten die boomachtige ambities hebben en die ondertussen hoog boven me uit torenen en die ik leerde 'dieven'.

 

Ik voel steeds sterker hoe belangrijk de natuur voor me is. Voor ons is. Ik voel een steeds grotere drang om die natuur te volgen, om me zo te bewegen en te voeden dat ik haar zo weinig mogelijk schaad.

 

Meer woorden heb jij niet nodig. Een waardig afscheid wel.

 

Vaarwel, lieve kerselaar, ik omhels je mooie stam in gedachten, wuif voor de laatste keer naar je bladeren, verzin nog een keer de zoete smaak van je kersen op mijn tong,

 

Marie

 



maandag 13 april 2020

Een eerste brief aan mijn neefje Victor (een week oud)



Lieve Victor,

Je bent een week oud. Ook al zal het nog zo’n zes jaar duren voor jij zelf het eerste zinnetje van deze brief kan lezen, je krijgt nu al van je tante (tevens je meter of ‘talisvrouw’) een eerste brief. Brieven beleven in quarantainetijd een ware heropleving, ze worden met het puntje van de tong tussen de tanden en overlopende harten geschreven, vervolgens in woonzorgcentra en bij verre familieleden en diep gekoesterde jeugdvrienden bezorgd. Met brieven drukken we onze liefde uit, huilen we, verwerken we, geven we gebeurtenissen een plekje en mensen een naam. Jij bent Victor, mijn lieve, half-Boliviaanse neefje, Victor Castellon Meeusen. Victor de Tweede, die vernoemd werd naar zijn overgrootvader, of correcter nog: je kreeg de schuilnaam waaronder deze historische voorvader in de Tweede Wereldoorlog het Vlaamse verzet leidde.

Lieve Victor, de grenzen tussen Nederland en België zijn dicht, ik kan je niet ontmoeten, ik kan je verrimpelde vingertopjes niet indrukken, je bolle wangetjes niet aaien, ik kan niet voelen hoe hol je kleine onderrug is, niet weten hoe zacht je donkere donshaartjes ruiken. Ik kan je niet vlakbij mijn tepels houden, ik zal nooit weten of je in je eerste weken op deze aardbol zou proberen aan te happen, of mijn geur voor jouw piepkleine neusje vertrouwd genoeg zou zijn. Maar brieven schrijven kan ik gelukkig wel en doe ik met liefde, terwijl ik me voorstel hoe een postbode, met een mondkapje op en handschoenen aan, deze brief over een aantal dagen geruisloos door de splinternieuwe brievenbus in het pas geverfde huis in een nieuwbouwwijk op Linkeroever schuift.

Tijd is sowieso enorm relatief in coronatijd. Jij zit, samen met je mama en papa, in je moederland in een heel letterlijke kraamcocon, een ‘light lockdown’. Kraambezoek is niet welkom, omdat jou ontmoeten niet als reden voor essentiële verplaatsing wordt gezien. Als je hier in Nederland geboren zou zijn, zouden we je wel nog kunnen bezoeken, maar ook dan zouden we binnenshuis anderhalve meter afstand moeten houden, zowat de lengte van jouw kleine mama dus.  Ze vergeeft me vast de artistieke vrijheid waarmee ik haar lengte drie centimeter naar beneden afrondde.

Victor, je bent in een heel bijzondere tijd geboren. Aan de kust bij Marseille duikelen vinvissen weer dartel om elkaar heen. Er zwemmen zwanen in de grachten van Venetië. Grote bergketens worden voor het eerst weer zichtbaar in wereldsteden die al generaties lang onder dikke smog bedolven worden. In een dierentuin in Hong Kong waar de beesten al een hele tijd geen bezoek meer krijgen, kruipen veertienjarige panda’s voor het eerst bronstig op elkaar. Water krijgt weer rust en ruimte, de lucht ademt weer. De maan en sterren worden zichtbaarder, je neefje noemde de bijna volle maan aan de hemel op de avond dat je - godinzijdank op natuurlijke wijze - geboren werd, naast ‘mooi’ ook ‘lief’. Je draagt zijn wollen rompertjes en ook al was hij bij geboorte wat voller dan jij, jullie lijken ook op elkaar. Al lijk jij een stuk meer te slapen. Blijf dat vooral doen. Je hebt een heel leuk en bijzonder neefje, maar hij hoeft echt niet voor de volle honderd procent je grote voorbeeld te worden.

Maar even terug naar de planeet die je uitkoos voor je geboorte. Vissen bevinden zich in rustiger vaarwater, de aardbol trilt, beeft en schudt minder, pottenkijkers verstoren het paargedrag van dieren dus niet meer en de absurditeit van fertiliteitstrajecten bij de door de mensheid bedreigde en gekooide diersoorten is niet de enige bizarre vervorming die onder het vergrootglas wordt gelegd. Hier vlakbij liggen de zeehonden te zonnen op het strand, de plannen om de verstorende en vervuilende F1-race in de prachtige duinen van Zandvoort te houden heeft het coronavirus gelukkig ook weggeblazen. Voetbalcompetities liggen stil, het Songfestival gaat niet door. Er worden veel meer boeken gelezen en katten worden gek van de vele vogels in de tuinen en de overdaad aan knuffels, nu hun baasjes en de kinderen niet langer naar het werk of naar school kunnen gaan.

Lieve Victor, natuurlijk gebeuren er ook enorm veel nare dingen. Maar wil ik die opsommen in de brief aan een kindje dat een week oud is? Nee, lieve schat. Jij groeide in ieder geval in de buik van een prachtige moeder en werd geboren in het oog van de storm, op een bijzonder scharnierpunt in de wereldgeschiedenis, dat in het huisje van je kraamtijd extra windstil aanvoelt. Op een maandag (net als je neefje), op zes april 2020 om 23:59, om één voor middernacht. Je versterkt daarmee de noodkreet van deze planeet, die ons vertelt dat het niet vijf, maar één voor twaalf is.

Als ik je eindelijk mag zien, zal jij al veel groter zijn en waarschijnlijk nog mooier. Ook de wereld zal veranderd zijn. Natuurlijk zijn er heel veel mensen die niet kunnen wachten tot alles weer bij het oude is. Maar het ‘oude’ kan niet meer vertrouwd voelen na deze lente. En dat zou ook zo’n zonde zijn, we kunnen beter diep herbezinnen met z’n allen en vervolgens nieuwe vormen vinden, nieuwe geluiden laten horen. Een nieuwe lente, een nieuw geluid, verandering is de enige constante… heel veel bekende citaten klinken relevanter dan ooit. Binnenkort leer je vast Rupsje Nooitgenoeg kennen. Hij at veel te veel en moest zich daarna muisstil houden in een witte cocon. Toen hij daaruit naar buitenbrak, had hij kleurrijke vleugels gekregen.

Ik kan niet wachten je te ontmoeten. Maar ik moet wachten en ik wil wachten. Want enkel groot verlies maakt ruimte voor vernieuwing, enkel vanuit enorme chaos wordt een nieuwe orde mogelijk. Die transformatie is nodig, liefje. Ik hoop dat je op mag groeien in een wereld waarin we voor de meest kwetsbare wezens zorgen, een wereld waarin we voelen hoe verbonden we met elkaar zijn en hoeveel verantwoordelijkheid we zelf kunnen dragen. Want elk hapje vlees is een keuze, elk vliegtuig dat we nemen, hadden we ook op de grond kunnen laten staan.

Maar met die keuzes hoef jij voorlopig nog niet bezig te zijn. Jij mag drinken, slapen, drinken, slapen, over een paar weken voor het eerst lachen. Dan weer drinken, slapen, drinken, slapen, even proberen je mooie hoofdje op te tillen. Dan weer drinken, slapen, drinken, slapen, tussendoor veel luiers volmaken en harten vullen. En heel veel liefde voelen. Veel meer hoef jij niet te doen.

Tot de volgende brief, mijn lieve Victor,


Je tante Marie


P.S. De foto van de bijna volle maan maakte ik tien minuten voor je geboren werd. Je ‘nonkel’ en ik zaten toen buiten in de tuin.
P.P.S. Je Boliviaanse opa maakt nu nog mooiere foto’s van Boliviaanse sterrenhemels. Uiteraard moet het voor jou mogelijk zijn om naar je vaderland te vliegen. Het is, zoals ik al schreef, vooral een kwestie waar wij - die al veel vlogen en met vraatzuchtig gedrag heel wat uit balans brachten - ons over moeten bezinnen.

zondag 12 januari 2020

Een brief aan Vlaanderen, mijn geboortegrond


Vlaanderen,

U bij aanvang van deze brief meteen ‘Arm Vlaanderen’ noemen, zou niet eigen voelen, niet echt, te makkelijk, te vaak gezegd. Absoluut waar, maar verder ook niet klaar of verduidelijkend. U ‘lief’ noemen, zou weliswaar een deel van mijn nostalgische sentimenten vatten, maar het zou mijn teleurstelling en woede over wat er op uw grondgebied gebeurt maskeren, het zou een spirituele bypass zijn waar mijn verontwaardigde hart op neerkijkt en de kloof verbergen die ik al voelde toen ik in uw klei opgroeide en die sinds ik u bijna tien jaar geleden verliet voor Nederland, alleen nog maar groter is geworden. De groeiende afstand maakt me misschien ook milder, maar niet mild genoeg om u lief te noemen, zeker nu niet.

‘Beste Vlaanderen’ zou ronduit ridicuul klinken, wat u bent het beste niet, ook al wil een aanzienlijk percentage van uw bevolking dat krampachtig graag geloven. U bent onooglijk, beklemmend, u bent bekrompen en toch bent u gezellig, grappig, verrassend, verwarmend en onmiskenbaar mijn thuis, daar waar zeker niet alles, maar toch nog steeds heel wat beter is dan hier in het noorden. U bent het thuis waar mijn stempel staat, daar waar mijn blauwdruk bewaard wordt. Ik noem België mijn vaderland, corrigeer de Nederlanders die me ‘Vlaamse’ noemen. En Belg voel ik me, lekker chaotisch, met tegenstrijdige eigenschappen en innerlijke conflicten, een bizar maar gezellig samenraapsel van invloeden. Maar toch ben ik, voorbij alle schaamte en complexiteit, ook een Vlaamse. Al weet ik ‘begot’ niet hoe dat voelt, wat dat precies betekent.

Sinds ik een kind op de Nederlandse grond zette, is mijn keuze om u te verlaten veel beslissender geworden. Bij elke nieuwe keuze die we voor hem maken, is er het stemmetje in mijn achterhoofd dat fluisterend vraagt of het in Vlaanderen toch niet beter zou zijn. Het lijkt me bijvoorbeeld best handig als je kind al vanaf tweeënhalf jaar vierenhalve dag per week naar school gaat. Nu betalen we ons nog tot zijn vierde verjaardag blauw aan drie dagen kinderopvang per week en begrijp ik, hoewel ik zelf getrouwd bent met de meest ondersteunende en feministische man die ik me kon wensen, steeds beter waarom Nederland zo’n slecht cijfer scoort voor de tewerkstelling onder vrouwen. En als ons zoontje dan eindelijk naar school kan, komt hij in grote klassen terecht met dertig kinderen, op een school die de lunchpauzes uitbesteedt aan een privaat bedrijf…

Ik zou kunnen doorbomen over de dure ziekteverzekeringen, over de regeldrang in Nederland, de buitensporige reacties op het nakende vuurwerkverbod en de verkleuring van zwarte piet in tinten die geen sporen meer dragen van het diepgewortelde, racistische discours. Ik zou me druk kunnen maken over de kilheid waarmee Nederlandse tieners benaderd worden: voor het gebrek aan plekken waar ze thuis kunnen zijn, plekken waar ze feesten kunnen geven, muziek kunnen draaien en maken, vuurtjes kunnen stoken, een pintje mogen drinken. Ik zou dit allemaal kunnen omspitten en grijnzend gooien met de modder die ik opraap. Maar kijk, dan gaat ook deze brief weer over Nederland. En bovendien baseer ik me dan op een beeld dat zeker tien, misschien wel twintig jaar oud is en onvermijdelijk passé.

Deze brief is aan u gericht, Vlaanderen, de grillige streek met talloze tongvallen en bizarre hoekjes, met vlakten en heuvels, pastorijen en hoerenkoten langs de provinciale wegen… Gij zijt als een etiketje in mijn broek dat aan mijn gat blijft krabben en dat toch te essentiële informatie bevat om zomaar weg te knippen. Gij zijt als een ex-lief waar ik soms teder aan terugdenk, tot ik met een schok weer besef welke onverdraaglijke eigenschappen hij heeft, welk zelfdestructief gedrag hij vertoont.

Maar ik mis u ook. Dat merk ik elke keer als ik terugkeer: bij het ontbijtje waar we ongedwongen bij konden aansluiten, de pistolets die precies genoeg kraken en zacht zijn van binnen, de koffiekoeken die je hier echt nergens kan vinden, zeker niet in het bakkertje om de hoek. Ik mis de gastvrijheid die ik op uw grond steeds weer aantref, maar tegelijkertijd weet ik dat het meer mijn oude vrienden zijn die hun deuren openzetten en het logeerbed opmaken en schrok ik een aantal jaren geleden enorm toen ik op een lenteavond op een Gents terras met wat koppige rokers stond te praten en hoorde hoe kil en star hun woorden klonken toen ze praatten over de inwijkelingen, het vreemde, dat wat zij niet als ‘Vlaams’ beschouwen en waar ik juist zo nieuwsgierig naar ben, dat wat ik juist nodig heb om me te kunnen spiegelen en te kunnen veranderen.

Misschien wordt het tijd dat ik mijn profielfoto op Facebook verander. Weg met het gele vlak in de foto, weg met het medeleven voor de gigantische besparingen in de Vlaamse cultuursector. Misschien moet ik me niet langer verdiepen in het gerommel bij de Dossinkazerne, maar me juist druk maken over de topman van de Nederlandse belastingdienst die na de desastreuze affaire over de toeslagen van de kinderopvang doodleuk een grote functie aangeboden krijgt in Den Haag. Als ik me hier in Nederland echt thuis wil voelen, moet ik uit de cocon van het moederschap kruipen en verder kijken dan mijn geboortegrond, die de afgelopen tien jaar meer is veranderd dan ik kan snappen. Ik moet me engageren waar ik woon, het onverwachte in de straten brengen, ook hier de poëzie van het alledaagse opschrijven. Ik moet me druk maken over het onrecht dat hier gebeurt: minstens even groot, maar een stuk geruislozer, onopgemerkt. De uitholling van de sociale welvaartsstaat is hier al veel langer aan de gang, de marktwerking randt hier al jaren het onderwijs en de cultuursector aan: wordt het tijd dat ik kijk naar de plek waar ik woon en de Nederlanders #heretoo leer roepen?

Ik heb hier genoeg vriendinnen gemaakt met wie ik kan praten over het grote veld van liefde, de bron waar alles vandaan komt en weer naar terugkeert, waarschijnlijk zelfs mijn moeilijke liefde voor u. Maar ik mis vooral de gesprekken tot diep in de nacht met mijn Vlaamse vrienden, hun bereidheid om steeds de politieke dimensie van een vraagstuk te zien, nooit om de maatschappelijke context heen te fietsen, een vaardigheid die Nederlanders zo ongelofelijk goed onder de knie hebben, op brede fietspaden, in netjes aangeharkte straten, in wijken die met één visie gebouwd zijn, rechtlijnig, evenwichtig en wel vaker dodelijk saai.

Deze brief is klaar. Mijn zoontje wordt wakker en ik moet nog luisteren naar de achttiende meditatie van Deepak Chopra’s ’21 days of abundance challenge’. De bijhorende opdracht is voltooid: ‘write a letter to your homeland / government and express all your feelings towards it’. Nu ja, alle gevoelens zouden veel gevraagd zijn, maar er zit veel waarheid in de stromende woorden van een opgejaagde moeder, die in het uurtje dat haar kindje slaapt een brief aan haar geboortegrond schrijft. Dat ik deze spirituele uitdaging aanging en voltooi in een groepje van Vlaamse vrouwen, is overigens best wel grappig. Alles verandert, geen indeling klopt nog, niets is in steen gebeiteld, zeker niet de woorden van een Vlaamse die zich aan de klei onttrok en die in andere modder wortel schiet.

Ik zie u graag, hoe moeilijk dat ook is, dus tja, ik schrijf u waarschijnlijk later nog ne keer. Als alles weer anders klinkt. Als de grootvader van Prince eindelijk een kerkdienst leidt. Dat zou schoon zijn.

Liefs,
Marie

Populaire berichten