Posts tonen met het label wordt vervolgd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wordt vervolgd. Alle posts tonen

dinsdag 21 januari 2014

Zes jaar Huiverinkt: tijd voor een brief aan mijn (nieuwe) lezers

Beste lezer,

Huiverinkt wordt vandaag zes jaar. Traditiegetrouw geen toeters en bellen, maar tijd om stil te staan. Ik kijk deze keer liever vooruit dan achteruit, want terugblikken deed ik al genoeg. Op eenendertig jaar met een vader en één jaar zonder. Op hoe scheuren waar de wind door waait veranderen in barsten in het glas. Op waarom Huiverinkt zo lang niet op Facebook te vinden was, maar plots toch wel, zij het met kritische voetnoten*. In het vijfde jaar van deze blog stopte ik ook met het redactiewerk voor het tijdschrift Kluger Hans, om meer en moediger te schrijven. Maar wat bedoel ik daarmee? Lees verder, het gaat misschien ook over u.

‘Moedig’ betekent alleszins niet dat ik weer vaker tegen schenen wil schrijven. De tijd dat een huiverbrief aan de Vlaamse onderwijsminister uitmondde in een Facebookgroep die met tienduizend leden snel uit haar voegen barstte, ligt ver achter ons. En het lijkt veel langer dan twee jaar geleden dat een zwakke tegenaanval de lezersreacties op GeenStijl een kwartslag naar links deed draaien - of alleszins dichter bij de kankerende realiteit die ik aan wilde klagen.

‘Moedig’ betekent evenmin dat mijn pen nooit meer uithaalt. Ze blijft scherp, maar aan 2013 hield Huiverinkt zelfs geen nieuw sprookjesfiguur over. Ik lik achter de schermen nog steeds mijn wonden. Wat de juiste zalf is, dat wordt gelukkig elke dag helderder. En die zalf is dus niet zozeer wat krom trekt en bestreden moet worden, maar ook wat goed is, wat een duwtje nodig heeft tot beter en best.

Dus vooruit met de geit (die stevige hoeven heeft om uit een steile kloof te klauteren). Wat bedoel ik met ‘vooruit schrijven’? De oplettende lezer heeft misschien wat helderblauwe vermoedens. Ik ben dit jaar meer van plan dan eindelijk teksten inzenden naar tijdschriften of op nieuwe merkwaardige uitnodigingen ingaan. Ik ga ook op zoek naar hoe een ‘ethische copywriter’ sexy kan klinken en nodig kan blijken. En uitvissen of die schoentjes mij passen en of ik daarmee niet wankel, maar wandelend de hand uitreik. Naar een wereld die ik droom. Naar een droom die we delen.

Ik wil vaker samenwerken. Dus ik heb jullie nodig en jullie mij. Het is gedaan met drie keer per week vragen als ‘Marie, ken jij misschien iemand die….?’ of ‘Marie, kan je eens onder de aandacht brengen dat…?’ in mijn inbox. Als u een verhaal heeft dat verteld moet worden maar nog niet de juiste woorden kreeg, stuur het mij dan via een privébericht op de Facebookpagina van Huiverinkt (of per mail) door.  Het mag over een vergeten celliste gaan, over een Buycott-applicatie die u vertelt waar voedsel gemaakt wordt, over tai chi lessen die u geeft en leerlingen die u zoekt, over een idee dat u heeft of muziek die u maakt en waar u handen of oren voor nodig heeft. Bij elke nieuwe vijftig Facebookduimpjes voor de pagina schrijf ik minstens één verhaal dat jullie mij influisterden. De teller staat nu ik dit schrijf op 231 en bij 300 likes verschijnen er minstens twee geschonken verhalen online.

Eén afspraak: ik moet er zelf in geloven en test zo of ik nog meer vanuit hoop kan schrijven. En zelfs of ik daar ooit een centje aan kan overhouden. Het is aan u om uit te zoeken wat verhalen u waard zijn, of welke verhalen de wereld nodig heeft. En eigenlijk doen we dat laatste samen.

En ja, ‘vanuit ontroering en verontwaardiging’ wringt al een tijdje als ondertitel voor Huiverinkt. U mag uw brein laten stormen. Speurend naar wat de ramen opent en adem geeft. Naar wat broodnodig is zonder banaal te klinken.

Dank u.

Marie

* Dat ik op Facebook enkel kan kiezen tussen geld neertellen of u uitdrukkelijk moet vragen om een duim of deel, om dit bericht gelezen te krijgen.


Die adembenemende foto van een gespiegelde wolk? Die maakte Kasper Vogelzang, de fotograaf met wie ik in 2013 fijn en intensief samenwerkte. Inderdaad, zo eenvoudig kan het zijn.

zondag 8 april 2012

Netwerkstoring

‘Heb jij mijn sms gekregen?’
‘Nee. Jij de mijne?’
‘Nee.’


Vierentwintig uur lang heeft een overijverige dj aan alle knoppen in mijn ziel gedraaid. Hij sloeg dat liedje over, zette een ander irritant lang op repeat, liet de ene herinnering in de andere faden en speelde als een kind met de volumeknop. Soms stond de muziek zo luid dat ik niets meer kon horen. Vermoeiend. Na een korte nacht vol wilde, heldere dromen werd ik wakker met het gevoel dat ik op een kruispunt sta. Dat gevoel overvalt me de laatste maanden vaker. Om de reis zo fijn mogelijk te maken, moet je goed om je heen kijken op zo'n knooppunt en voelen hoe het met je vermoeide voeten gesteld is. Is het tijd om te rusten of verder te gaan? Is er in dit onherbergzaam gebied nog een oude kennis die je op moet zoeken om bij een glas whisky een herinnering op te rakelen? Of is er niet meer nodig dan een simpel gebaar, een kus op de rimpels naast ogen, een slok uit de fles water die je op je rug meedraagt?

Maar in deze wereld is er geen echt kruispunt. Vooralsnog is er ook geen kampvuur in de buurt waar je een verward hart kan laten zwijgen. De zee ligt binnen handbereik, maar luisteren doen we aan de telefoon en niet door schelpen aan onze oren te leggen. Op zo’n knooppunt van roerselen stuur je dus sms’jes naar elkaar. De mijne waren kort. En voor mijn gevoel loepzuiver. Ik kreeg op geen enkel sms’je een antwoord. Misschien lagen de antwoorden niet binnen handbereik. Lopen de anderen, voor wie ze bestemd waren, in een geluidsdichte tunnel van glas. Of in een nauwe gang onder de grond, waar de muren al barsten vertonen maar er toch geen bereik is.

Misschien is de stilte geheel te wijten aan een stomme netwerkstoring. En worden de vogels misselijk van alle onverwerkte emoties die ze hoog in de bomen op hun bladerdak krijgen. Ik zal voor de zekerheid de ramen openzetten. Wie weet komt er straks een postduif aangewaaid. Met een brief in haar bek. Of een lucifer om een vuur aan te steken. Laat je telefoon thuis, als je me straks door de vlammen aankijkt.

zaterdag 31 maart 2012

Rauw (voor zover)

De pijl die omkeert en de letters vreet, lijkt een stilzwijgend ritueel. Wat we samen hadden is te tastbaar voor dit blad. Een schaterlach, de gek met snor en jasje zonder mouwen. Hoe hij naar het water liep, op zijn tellen terugkeerde en zich in onze nabijheid al snel veilig voelde. (Zoals het meisje met de pop, de kat die uit alle buiken de jouwe koos, de hond op het plein mijn handen). Gek bleek hij allerminst, misschien wel net als jij en ik vooral bijzonder. Of zeg ik het verkeerd, zijn we als de vreemdeling die zomaar tussen ons in paste, een boei in onze hemelsbrede zee en stuitende gelijkenis?

Sinds je wegging, valt het me makkelijker om het slot een kwartslag te draaien. Zonder regen geen roest. Ik vergat je te vragen wat het beste werkt, met of tegen de wijzers? Vermoedelijk maakt het niet uit. Wat onthield ik nog meer? Dat ik onder die broek een string moet dragen, niet mag vloeken, mijn oren open moet houden en niet in herhaling mag vallen. Dat laatste valt me zwaar. Net als de herinnering aan hoe jij geruisloos in mij schoof.

Het is niet dat ik zonder jou nog minder weet. Al sinds de hagel op het strand – of eerder nog, de gestapelde lijven in de kuil – durf ik niets zomaar te vertrouwen. Ook voel ik niet minder. Mijn hart is boordevol, mannen lopen er in stilte de kantjes vanaf maar ook in zijn eentje blijft het kloppen. En als ik echt naar de loopgraven moet, vind ik vast wel een bondgenoot zonder hoofdpijn of fantomen in zijn borstkas.

Ik droom nooit over je. Groeten uit het land waar het brood vooralsnog voedzaam is.

maandag 2 januari 2012

Sprookjesfiguren die slecht aflopen

Dat het leven geen sprookje is, weet ik al heel lang. Misschien kwam het eerste besef toen ik in de tuin van mijn grootouders velletjes van de berkenstam trok. Terwijl mijn grootvader, een wijze oud-strijder, in de moestuin de grootste pompoen van Edegem probeerde te kweken, keek ik ontzet naar mijn vingers, die de ranke stam uitkleedden zonder dat ik dat wilde. ’s Avonds kon ik niet slapen. Mijn klasgenoten staken slakken in brand. Mijn grootmoeder zweeg over haar dode zusje.

Nu weet ik stilaan ook dat ik me moet beschermen tegen de archetypes die sprookjesfiguren zijn. Dat gaat veel verder dan het hokjesdenken over man en vrouw. Daar weet ik me, als ik niet boos ben, nog best goed tegen te wapenen. Maar de sprookjesfiguren die in mijn leven voorbij komen, zijn een moeilijker geval. Laat het een les worden dat ze me altijd pijn doen. En dat enkel hij die in geen enkel vormpje past goed voor me kan zijn.

De eerste die mijn hart brak, was de Grijsaard. Hij was maar zes jaar ouder dan ik en had een jonge buik, maar ik herinner me de gesprekken over later, als hij grootvader zou zijn. Een boek, een pijp, een glaasje wijn. Op mijn favoriete foto van hem leunt hij voorover en trekt peinzend aan een sigaret. Toen hij inzag hoe turbulent mijn hart nog was – ik was net achttien – brak hij het. Hij komt gemiddeld twee keer per jaar in mijn dromen voor. Dromen waarin ik me steeds geborgen voel. De dag dat ik voor het eerst zijn naam niet uitsprak, kwam pas vijf jaar later, toen ik het tweede sprookjesfiguur ontmoette.

De Grote Boze Wolf was een geval apart en veruit de mooiste. Donkere ogen die steeds droevig stonden, nadat hij bekende een dier te hebben gedood. Die bekentenissen waren loodzwaar. Hij verbood me erover te schrijven, stal de weinige woorden die uit me sijpelden en paste ze rillend aan. Meubels schoven centimeters op als we samen waren. Het waren drie wilde jaren van draaikolken, verzingend verlangen en bedrog, bloedgeile onbereikbaarheid en krassen in een rug. Van schuld en boete, smeekbedes. Toen hij met een mes in zijn polsen sneed, stak ik een sigaret op. De opluchting die ik voelde, borrelde op als een schaterlach. Een week later was ik al best goed genezen.

Toen kwam Peter Pan. Hij dook op in een feestmassa, leidde me er doorheen en lachte toen ik onderweg de Grote Boze Wolf in zijn kloten stampte en de Grijsaard bij zijn tengere schouders greep. Aan het eind van de massa ging hij in kleermakerszit op de klinkers zitten en nodigde me uit om me op zijn spontane schoot neer te vlijen. Ik stelde voor om een ei te bakken maar we eindigden in bed en hij huilde in mijn oor. Bij Peter Pan zingt het licht, maar in het donker vindt hij de schakelaar niet. Peter Pan houdt van verstoppertje spelen. Hij is vingervlug, sierlijk en doodsbang. Terecht misschien. Was hij een jong katje geweest, ik had hem in een emmer water gezet en een deksel op zijn kop gezet. Maar hij is geen kat, hij is Peter Pan. En Peter Pan laat je buiten spelen, terwijl je zijn oorlogen voert.

Nu is het mijn beurt, Peter Pan, om in jouw oor te huilen. Hier kom je niet onbeschreven vanaf.

dinsdag 24 mei 2011

De Flamingo in het land van de Grote Vogels (deel 1)


Plots was ze daar. Vreemd, hoe snel en onopgemerkt zo’n roze schreeuwlelijkerd aan kon komen waaien. Ze streek haar veren plat en schuifelde nog wat onwennig over het speelplein, zocht naar de beste poot om niet om te vallen door de wind, die een stuk steviger blies dan in haar land van herkomst. Toen ze het evenwicht gevonden had en haar lange rechterpoot in de roze veren had geplooid, haalde ze diep adem. Ze kon de zee bijna ruiken en boven haar hoofd cirkelden een paar stevige reigers. Het was geruststellend dat er ook hier vogels waren die lekkere vis konden appreciëren. Want het was op zijn minst opmerkelijk, dat geschuifel in de kantine van die Grote Vogels. Geduldig wachtend op een halve liter melk die ze dan in één teug in hun snavel goten. Zich van geen rariteiten bewust, verdoofd op haar neerkijkend, alsof het koeien waren.

Ze had voor vertrek overwogen om haar naam te veranderen in Belgingo. Of om haar veren oranje te verven. Maar of dat iets veranderd zou hebben? Nee, ze was gewoon zichzelf en dus anders. Daar viel niks aan te doen. Toen de eerste kuikentjes zich aan haar voeten verzamelden, beantwoordde ze dan ook geduldig al hun vragen. Ja, ze voelde zich al een beetje thuis. Haar gekakel klonk misschien anders, ze vertelde dezelfde verhalen. Nee, niet alle vogels drinken daar bier op het middaguur. En de Vette Kalkoen die zo graag het land wou splitsen, viel niet bij iedereen in de smaak. Geef haar maar garnalen, bijvoorbeeld. Veel voedzamer dan vettig kippenvlees. Waarom ze haar knieën naar achteren boog? Kijk eens goed, dat zijn enkels, geen knieën. Wat je niet kan zien is soms verrassend buigzaam…

Populaire berichten