Leg mijn naam op tafel, tussen de gangen
van het kaartenhuis dat ons beiden te klein is.
Gun me de keerzijde die dit allemaal niet waard is.
Zet me klem in de zwaartekracht van de kaarten:
de schoppen drie, het hoogste goed en twee koninginnen:
die van de nacht en van het bloedrode hart.
Ik ben een verhaal zonder einde. Steeds weer.
Maar wees gerust: ik ken de rol die ik spelen moet.
Uw portret hangt al ingelijst in deze koude kamer.
Mijn vingers kennen het stof dat zich ophoopt
tussen de offers die ik eerder verbeeldde.
Dus sla mij lam, ik zal u smalend eren.
Smeek om meer en laat me ontkomen.
Posts tonen met het label bedenksels. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bedenksels. Alle posts tonen
zondag 23 oktober 2011
zaterdag 8 januari 2011
Polderlicht

Ik krijg in Nederland af en toe een flinke klap op mijn schouders. Of een kusje op mijn voorhoofd. De boodschap is gelijk: we hoeven ons heus niet zo klein te voelen, wij Belgen. We hebben genoeg hoffelijkheid en zachte poëzie te bieden, dus het wordt tijd dat we een regering vormen en dat minderwaardigheidscomplex overboord gooien. Meestal ga ik hier niet op in, maar grinnik ik wel stilletjes. Want eerlijk gezegd – Nederlanders en Belgen kunnen er allebei wat van.
De Belg uit dit in een gefrustreerde houding tegenover de lawaaierige noorderbuur – vaak compleet ongegrond en bijna altijd overgoten met een dikke saus van ‘eerdere ervaringen met Ollanders’ en een heleboel vooroordelen. De Nederlander van zijn kant kijkt maar al te graag in de spiegel om zich er luidop van te vergewissen dat hij er nog is. Even checken of hij daar nog staat, de botte lul met brede schouders, die zichzelf een eerlijke hufter noemt en daar zelfs in de serenere tv-programma’s van Nederland 2 ernstig onderzoek naar doet, gespalkt door meningen van filosofen, cultuurwetenschappers, onderbouwd door Meningen met grote M. Het viel me vandaag op dat twee ‘commercials’ in hetzelfde reclameblok beginnen met “Wij Nederlanders”. Wij Nederlanders houden van soep en wij Nederlanders letten graag op ons geld. Het zal allemaal wel – maar wie is het nu het zekerst van zijn stuk? De stille foeteraar die zich in een kudde laat meevoeren door een lillend stuk Vlaams vlees (en als hij niet meeloopt, komt hij evenmin in opstand)? Of de Nederlander – recht voor de raap en niet te beroerd om te vertellen wie in het pashokje zijn stem heeft gekregen… De Nederlander – voor wie de Tweede Wereldoorlog de eerste was en allang geen enkele invloed meer heeft op wie hij nu is.
Zoals wel vaker wordt de inleiding langer dan wat ik wou vertellen. Maar dat komt misschien doordat er weinig woorden zijn voor wat ik nog wou zeggen. Vorige week liet ik me door een collega meeslepen naar Polderlicht. “Licht- geluid en videokunst op verschillende adressen in de Amsterdamse Oosterparkbuurt.” Polderlicht@home heette de editie van dit jaar, waarin de kunstenaars gericht iets hadden gemaakt wat ze bij het stulpje van de bewoners vonden passen. Het hart van deze buurtactie lag in de Vrolikstraat. Een straat die de moord op een 12-jarig meisje in de jaren '90 als startsein aangreep om in samenwerking met buurtcorporaties de buurt van haar grimmige imago af te helpen. En dat lijkt wonderwel gelukt. Dat Theo van Gogh een paar jaar geleden om de hoek vermoord werd, is niet meer dan een voetnoot in een lange geschiedenis van een straat met een bloeiende, kleurrijke buurtwerking.
Op zich mag deze achtergrondinformatie geen doorslaggevende factor zijn in de beleving van de toeschouwer-wandelaar. Maar wat in kunst niet mag, wordt stiekem toch beslissend. Ik moest dus een paar keer flink slikken, toen ik het enthousiasme zag van de mensen die hun huis uitleenden aan de kunst. En de gedrevenheid waarmee een handje vrijwilligers en kunstenaars vorm en inhoud gaven aan het hele gebeuren. Veel ervan was niet mijn ding. Wel keek ik met ingehouden adem naar de videobeelden waarin Femke Moedt twee omgedraaide wijnglazen aan haar voeten had gebonden en voorzichtig maar zeker leerde lopen op glas dat niet mocht breken. De gastvrouw vertelde enthousiast dat Femke zich liet inspireren door de geisha's en zelf een echte rijzige Hollandse is. In een ander huis stemden twee reusachtige vioolconstructies zich op elkaar af. “Het huwelijk” heette het geheel, en beide instrumenten hadden sensoren. Bij de minste beweging van de toeschouwer streek een strijkstok subtiel over een grotee snaar. Achteraan in de ruimte vertelden een heleboel krantenknipsels het kleurrijke verhaal van de Oosterparkbuurt.
Toen het donker werd, gingen we met bevroren vingertoppen nog een laatste woning binnen - het laatste punt van ons parcours. Een forse vrouw van achteraan in de dertig of begin veertig troonde ons mee naar de zolder, die net zoals de rest van het huis verbouwd werd. Ze drukte op een knopje en voor onze neus begon een verlicht treintje aan zijn wonderlijk parcours. De rails gleden onder glas van allerlei vormen en kleuren, mandjes en een winkelwagentje. Wanneer het treintje voorbijkwam, schenen de wonderlijkste schaduwen op de zoldermuren. Mijn lief, de collega en ik keken ademloos. En drukten nog vijf keer op het knopje. Een man kwam naast ons staan. Warrig haar en lieve ogen. De kunstenaar natuurlijk (1 van de 2, bleek later). Ik wou hem bij zijn schouders grijpen en hem vertellen hoeveel deugd dit me deed. Een oase in het midden van al dat lawaai en 'o zo hard proberen'. Atypisch was dit, niet hip en daardoor zo menselijk en herkenbaar. Ook dat hebben we gemeen. Maar ik zei niks, behalve dat ik zou proberen er een stukje over te schrijven.
De foto plakte in een mail die ik achteraf van Polderlicht-organisatoren John Prop en Loes Diephuis kreeg. Weet niet wie de fotograaf is.
vrijdag 5 november 2010
Lancering website Voordekunst
Beeldende kunst en ik hebben een moeizame relatie. Ik laat het op mijn weg komen, maar ga er zelden uit eigen initiatief naar op zoek. En net omdat het niet mijn primaire medium is, hou ik erg van de momenten waarop ik bij de keel gegrepen word door een foto, beeld, collage of installatie. Niets is zo heerlijk als gedesoriënteerd naar adem happen. Wat mij van mijn sokken blaast, kan erg mooi zijn of getuigen van een doorgedreven, bijna dwangneurotisch vakmanschap. En wanneer al die elementen niet aanwezig zijn, val ik ook te overtuigen door noodzakelijkheid. Wanneer een kunstwerk dwingt om een perspectief te verschuiven - als is het maar een nanometer - dan is het noodzakelijk.
Nu de kaasschaaf op de Nederlandse kunst gezet wordt (zoals een collega het erg Hollands noemde), krijgt die kunst een inherente noodzakelijkheid opgeplakt. Lekker handig. Maar hier moet nog wat aan toegevoegd worden. Door kunst in een hoekje te zetten, er naar te wijzen en te zeggen: “Kijk hoe bedreigd de kunst is”, wordt die kunst maar een heel klein beetje noodzakelijk. De echt noodzakelijke kunst rukt met volle kracht aan tralies, deelt na een mokerslag ook een echte linkse uit, maakt de toeschouwer net iets wilder en bewuster. Noodzakelijke kunst heeft niks weg van een ‘elitaire, linkse hobby’ waarvoor ze in deze crisistijd versleten wordt.
Maar dat soort noodzakelijkheid was gisteren op de lancering van de Voordekunst-website in Amsterdam ver te zoeken. Voordekunst is een fundraising-platform. De toeschouwer die een bepaald kunstproject uitgevoerd wil zien, kan hiertoe een kleine of grote financiële bijdrage doen. Fair enough. Geen bijster origineel concept, maar wel nieuw in Nederland. En ook wel noodzakelijk, dus ik was absoluut van plan om op zijn minst het minimumbedrag van tien euro aan een project te schenken waarin ik geloofde. Hartkloppingen konden me een pak dieper in de buidel laten tasten, luidde mijn welgemeende extra voornemen.
Aan de inkleding van de avond valt niet te tornen. De bezoeker werd warm verwelkomd en kreeg meteen een glaasje prosecco in de handen geduwd: het eerste van drie gratis drankjes en dat zonder entree. Het Hirschgebouw aan het Leidseplein ademt -ondanks de verhakkelde staat waarin het zich bevindt - verhalen en geschiedenis. Toevallig hingen er in een donker hoekje al een paar indrukwekkende foto's die deel uitmaakten van een tentoonstelling die later deze week geopend zou worden.
Maar terug naar Voordekunst. Nieuwsgierig keek ik naar het openingsfilmpje dat boven een klein podium geprojecteerd werd. Niets mis mee, al is het filmpje weinig origineel en kan het ook gebruikt om een nieuwe verzekeringsmaatschappij of biermerk te promoten. De vrouw die vervolgens het project toelichtte in naam van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, las haar uitgeschreven speech aarzelend voor. Toen de rechtse bezuinigingsmaatregelen ter sprake kwamen, keek ik nieuwsgierig om me heen. Een bejaard koppel luisterde hoofdschuddend, maar veel meer dan de kreetjes van twee afgeborstelde homootjes die elkaar op maniëristische wijze om de hals vielen, was er niet te horen. Het ontsteld gegrom dat uit het publiek opsteeg was heel stil vergeleken met de schreeuwerige commotie die op mijn werk ontstond toen besloten werd om bij elke betaling met de pinpas vijf cent aan te rekenen voor de transactiekosten. (De maatregel is na een maand aanhoudend protest afgevoerd).
Wat is het hier stil, dacht ik droevig. En hoe spijtig is het dat een noodzakelijke speech, die erg vurig zou kunnen zijn, zo gelaten klinkt. Wat valt die notoire Nederlandse mondigheid soms toch vreselijk tegen.
Na de opening ging ik vol goede moed op zoek naar een interessant kunstproject. Ik sprak een jongen aan die pannenkoeken bakte voor een grote tent. Er hingen een paar foto’s die vreemdsoortige constructies op een gekke plek toonden. De jongen, die Leonard van Munster bleek te heten, vertelde me dat hij in Amsterdam een eiland wil laten verrijzen waarop hij een plek gaat creëren waar je graag zou willen zijn. Een “onbereikbaar” eiland midden in Amsterdam Nieuw West. Best aardig, dacht ik bij mezelf. Maar echt overtuigd was ik niet, dus ik liet de kunstenaar verder pannenkoeken bakken.
Daarna botste ik op een meisje dat een muziekproject voor me wou toelichten. Het Koninlijk Concertgebouworkest wil samenwerken met de singer-songwriter Patrick Watson en zoekt daarvoor 67.500 euro. Ik wachtte tevergeefs op wat meer uitleg, maar het meisje repte met geen woord over de zware bezuinigingen die doorgevoerd zullen worden in de klassieke muzieksector. En tot wat voor muzikaal moois deze samenwerking zou zorgen, bleef ook onduidelijk.
Ik heb bijna overal mijn oor te luisteren gelegd, maar voelde geen enkele opwinding, laat staan dat ik last kreeg van hartkloppingen. Veel hostesses van dienst zagen er best kunstzinnig uit met hun asymmetrische kapsels, maar in hun uitleg ontdekte ik geen enkele passie ‘voor de kunst’. Het zou een mooie avond zijn geweest om een prijs voor bizarre, hippe kleding uit te delen, maar deze weerbarstigheid vond ik nergens terug op inhoudelijk niveau. “Sorry, maar een boek over mensen met de achternaam Cohen vind ik echt niet origineel”, hoorde ik een jongen mopperen. “Het is nochtans een best interessant concept, wierp het meisje tegen, “want het is een joodse naam.” Daarna zwegen beiden en liep de jongen weg.
Uiteindelijk heb ik tien euro gestort voor een lichtinstallatie waarmee morgenavond in het Tropenmuseum de Museumnacht geopend zal worden. Het project zelf leek me allesbehalve noodzakelijk, maar wel mooi en poëtisch. En het meisje dat naast de oude projector stond, vertelde met vuur over het lichtspel dat uit de analoge beamer zou komen die nu een beetje haperde. Toen ze me na haar redevoering de mecenasbroche opspelde, zag ik fonkelingen in haar ogen en ik wist dat dit de beste manier was om te betalen voor de prosecco en twee glazen witte wijn.
Mooi initiatief dus. Nu moet het nog echt noodzakelijk blijken. Het is droevig om dit te moeten zeggen, maar hopelijk zal over een paar jaren deze periode van kunstverkettering zinvol blijken. Fingers crossed. Misschien bent u makkelijker te overtuigen op de website van Voordekunst.
Nu de kaasschaaf op de Nederlandse kunst gezet wordt (zoals een collega het erg Hollands noemde), krijgt die kunst een inherente noodzakelijkheid opgeplakt. Lekker handig. Maar hier moet nog wat aan toegevoegd worden. Door kunst in een hoekje te zetten, er naar te wijzen en te zeggen: “Kijk hoe bedreigd de kunst is”, wordt die kunst maar een heel klein beetje noodzakelijk. De echt noodzakelijke kunst rukt met volle kracht aan tralies, deelt na een mokerslag ook een echte linkse uit, maakt de toeschouwer net iets wilder en bewuster. Noodzakelijke kunst heeft niks weg van een ‘elitaire, linkse hobby’ waarvoor ze in deze crisistijd versleten wordt.
Maar dat soort noodzakelijkheid was gisteren op de lancering van de Voordekunst-website in Amsterdam ver te zoeken. Voordekunst is een fundraising-platform. De toeschouwer die een bepaald kunstproject uitgevoerd wil zien, kan hiertoe een kleine of grote financiële bijdrage doen. Fair enough. Geen bijster origineel concept, maar wel nieuw in Nederland. En ook wel noodzakelijk, dus ik was absoluut van plan om op zijn minst het minimumbedrag van tien euro aan een project te schenken waarin ik geloofde. Hartkloppingen konden me een pak dieper in de buidel laten tasten, luidde mijn welgemeende extra voornemen.
Aan de inkleding van de avond valt niet te tornen. De bezoeker werd warm verwelkomd en kreeg meteen een glaasje prosecco in de handen geduwd: het eerste van drie gratis drankjes en dat zonder entree. Het Hirschgebouw aan het Leidseplein ademt -ondanks de verhakkelde staat waarin het zich bevindt - verhalen en geschiedenis. Toevallig hingen er in een donker hoekje al een paar indrukwekkende foto's die deel uitmaakten van een tentoonstelling die later deze week geopend zou worden.
Maar terug naar Voordekunst. Nieuwsgierig keek ik naar het openingsfilmpje dat boven een klein podium geprojecteerd werd. Niets mis mee, al is het filmpje weinig origineel en kan het ook gebruikt om een nieuwe verzekeringsmaatschappij of biermerk te promoten. De vrouw die vervolgens het project toelichtte in naam van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, las haar uitgeschreven speech aarzelend voor. Toen de rechtse bezuinigingsmaatregelen ter sprake kwamen, keek ik nieuwsgierig om me heen. Een bejaard koppel luisterde hoofdschuddend, maar veel meer dan de kreetjes van twee afgeborstelde homootjes die elkaar op maniëristische wijze om de hals vielen, was er niet te horen. Het ontsteld gegrom dat uit het publiek opsteeg was heel stil vergeleken met de schreeuwerige commotie die op mijn werk ontstond toen besloten werd om bij elke betaling met de pinpas vijf cent aan te rekenen voor de transactiekosten. (De maatregel is na een maand aanhoudend protest afgevoerd).
Wat is het hier stil, dacht ik droevig. En hoe spijtig is het dat een noodzakelijke speech, die erg vurig zou kunnen zijn, zo gelaten klinkt. Wat valt die notoire Nederlandse mondigheid soms toch vreselijk tegen.
Na de opening ging ik vol goede moed op zoek naar een interessant kunstproject. Ik sprak een jongen aan die pannenkoeken bakte voor een grote tent. Er hingen een paar foto’s die vreemdsoortige constructies op een gekke plek toonden. De jongen, die Leonard van Munster bleek te heten, vertelde me dat hij in Amsterdam een eiland wil laten verrijzen waarop hij een plek gaat creëren waar je graag zou willen zijn. Een “onbereikbaar” eiland midden in Amsterdam Nieuw West. Best aardig, dacht ik bij mezelf. Maar echt overtuigd was ik niet, dus ik liet de kunstenaar verder pannenkoeken bakken.
Daarna botste ik op een meisje dat een muziekproject voor me wou toelichten. Het Koninlijk Concertgebouworkest wil samenwerken met de singer-songwriter Patrick Watson en zoekt daarvoor 67.500 euro. Ik wachtte tevergeefs op wat meer uitleg, maar het meisje repte met geen woord over de zware bezuinigingen die doorgevoerd zullen worden in de klassieke muzieksector. En tot wat voor muzikaal moois deze samenwerking zou zorgen, bleef ook onduidelijk.
Ik heb bijna overal mijn oor te luisteren gelegd, maar voelde geen enkele opwinding, laat staan dat ik last kreeg van hartkloppingen. Veel hostesses van dienst zagen er best kunstzinnig uit met hun asymmetrische kapsels, maar in hun uitleg ontdekte ik geen enkele passie ‘voor de kunst’. Het zou een mooie avond zijn geweest om een prijs voor bizarre, hippe kleding uit te delen, maar deze weerbarstigheid vond ik nergens terug op inhoudelijk niveau. “Sorry, maar een boek over mensen met de achternaam Cohen vind ik echt niet origineel”, hoorde ik een jongen mopperen. “Het is nochtans een best interessant concept, wierp het meisje tegen, “want het is een joodse naam.” Daarna zwegen beiden en liep de jongen weg.
Uiteindelijk heb ik tien euro gestort voor een lichtinstallatie waarmee morgenavond in het Tropenmuseum de Museumnacht geopend zal worden. Het project zelf leek me allesbehalve noodzakelijk, maar wel mooi en poëtisch. En het meisje dat naast de oude projector stond, vertelde met vuur over het lichtspel dat uit de analoge beamer zou komen die nu een beetje haperde. Toen ze me na haar redevoering de mecenasbroche opspelde, zag ik fonkelingen in haar ogen en ik wist dat dit de beste manier was om te betalen voor de prosecco en twee glazen witte wijn.
Mooi initiatief dus. Nu moet het nog echt noodzakelijk blijken. Het is droevig om dit te moeten zeggen, maar hopelijk zal over een paar jaren deze periode van kunstverkettering zinvol blijken. Fingers crossed. Misschien bent u makkelijker te overtuigen op de website van Voordekunst.
maandag 8 maart 2010
De laatste woorden voor de winter
Deze winter blijft ons lang bij, omdat hij zo lang bij ons bleef.
Dat voel je in de natte sneeuw die nog aan onze ribben kleeft.
De strenge cadans van regen op de golfplaten daken.
Dit ineengedoken ademen doet ons stilaan wanhopen.
Luister winter: je kan de kloven zien in onze huid. Soms bloeden we
en ons haar waait al maanden knetterend op. We worden moe.
Al doen we nochtans ons best; verpakken onze vingers krampachtig
in natte wanten en draaien de kachel nog wat hoger. We dobbelen
en drinken liters wijn. Maar besef: uw laatste streken sieren niet.
Verderop slaapt de zon rood achter de bergen. Een handvol vrouwen
stampt de aarde aan. Het feest is klaar om te beginnen, klanken stijgen
en vlinders vouwen hun gerimpelde vleugels uit. We zullen u verjagen.
Dat voel je in de natte sneeuw die nog aan onze ribben kleeft.
De strenge cadans van regen op de golfplaten daken.
Dit ineengedoken ademen doet ons stilaan wanhopen.
Luister winter: je kan de kloven zien in onze huid. Soms bloeden we
en ons haar waait al maanden knetterend op. We worden moe.
Al doen we nochtans ons best; verpakken onze vingers krampachtig
in natte wanten en draaien de kachel nog wat hoger. We dobbelen
en drinken liters wijn. Maar besef: uw laatste streken sieren niet.
Verderop slaapt de zon rood achter de bergen. Een handvol vrouwen
stampt de aarde aan. Het feest is klaar om te beginnen, klanken stijgen
en vlinders vouwen hun gerimpelde vleugels uit. We zullen u verjagen.
dinsdag 2 maart 2010
De lente op de weg naar huis
Ik ken de weg tussen het huis en het werk en het huis, een stukje ring rond Gent, ondertussen als mijn broekzak. Dat is nodig om hem de baas te kunnen. Slechtziende angsthazen als ik overleven immers enkel als ze elke bobbel en put van het wegdek uit hun hoofd leren. Bovendien is er veel dat afleidt: het gonzen dat plots snorren wordt, drie gele snoeppapiertjes naast elkaar, een platgereden handtas die – o paniek - van ver op een dode kat lijkt. Of nog: de ganzen de terugkeren, een balorige jongen in het kleine skateboardpark. De in zichzelf verpakte eenden op het water geven een volledig nieuwe invulling aan het begrip ‘op de rug slapen’.
Vanmorgen was ik een beetje overmoedig. De hemel leek zo zacht dat ik de handschoenen thuis liet. En hoewel ik de vrieskou voelde bijten, wist ik het zeker. De gaten op de brug zijn eindelijk gedicht en de lente komt eraan. Alle voorbijgangers knepen voor het eerst om zonnige redenen hun ogen dicht. Alles bewoog anders en de noten reikten verder tijdens mijn dagelijks zang-betrapt-schaam-hehe-moment. Het wordt echt lente. Nu het opengebarsten gelzadel nog vervangen.
(Zoals jullie merken schrijf ik even wat vaker kleine observaties of dromen op. Het is nodig om uit de winterimpasse te geraken)
Vanmorgen was ik een beetje overmoedig. De hemel leek zo zacht dat ik de handschoenen thuis liet. En hoewel ik de vrieskou voelde bijten, wist ik het zeker. De gaten op de brug zijn eindelijk gedicht en de lente komt eraan. Alle voorbijgangers knepen voor het eerst om zonnige redenen hun ogen dicht. Alles bewoog anders en de noten reikten verder tijdens mijn dagelijks zang-betrapt-schaam-hehe-moment. Het wordt echt lente. Nu het opengebarsten gelzadel nog vervangen.
(Zoals jullie merken schrijf ik even wat vaker kleine observaties of dromen op. Het is nodig om uit de winterimpasse te geraken)
vrijdag 15 januari 2010
Lezen na acht a.m.
Ik heb met mijn laatste krachten wat klanken door de blender gehaald.
Zodat je morgen vol goede moed en met een frisse kijk op de wereld
de slaap uit je ogen kan wrijven, een been uit bed zal zwaaien.
Ondermeer geschrapt: het kattengejank of gekrab aan deuren
die sowieso gesloten blijven. Het opentrekken van rolluiken
uit het bouwjaar drieënnegentig. Dat alles klinkt niet in de ochtend.
Een haan mag kraaien, maar enkel op vier kippenhokken afstand.
Een dorp verder dus. Wat jou wekt is verontrustend stil,
zoals het gesis van een gedicht dat stiekem werd geschreven.
In de nacht. Of beter nog: een kleine kus om half zeven.
Zodat je morgen vol goede moed en met een frisse kijk op de wereld
de slaap uit je ogen kan wrijven, een been uit bed zal zwaaien.
Ondermeer geschrapt: het kattengejank of gekrab aan deuren
die sowieso gesloten blijven. Het opentrekken van rolluiken
uit het bouwjaar drieënnegentig. Dat alles klinkt niet in de ochtend.
Een haan mag kraaien, maar enkel op vier kippenhokken afstand.
Een dorp verder dus. Wat jou wekt is verontrustend stil,
zoals het gesis van een gedicht dat stiekem werd geschreven.
In de nacht. Of beter nog: een kleine kus om half zeven.
vrijdag 21 augustus 2009
de warmste dag
Ik ben vanmorgen opgestaan, het was nochtans erg heet. Een huig schuurde over lakens, stoutmoedig knipte ik ogen open, smeet benen over de bedrand. Er klonk gestommel op de trap. Glas buitelde in emmers, een stem zei “Er wordt hagel vannacht verwacht.” Ik dronk zure melk, gaf er niet om, trok een rokje aan en zon door open ramen. De storm zou zwart zijn, niet te temmen.
Wakker worden: een rasp. Als je je gezicht tegen het metaal aanschuurt, vang dan de schilfers in je hand. Kantel ze. Ze vormen patronen. Het is blind en heeft nog geen naam. Onder de stoel op zoek naar stoffer en blik. De kat krult zich pas vanavond weer op. Donderdag 8:29. Een scherf prikt door de dikke vuilniszak.
Ik wist niet dat er in zee een kind zou verdrinken.
Wakker worden: een rasp. Als je je gezicht tegen het metaal aanschuurt, vang dan de schilfers in je hand. Kantel ze. Ze vormen patronen. Het is blind en heeft nog geen naam. Onder de stoel op zoek naar stoffer en blik. De kat krult zich pas vanavond weer op. Donderdag 8:29. Een scherf prikt door de dikke vuilniszak.
Ik wist niet dat er in zee een kind zou verdrinken.
zaterdag 25 juli 2009
kat en vlinder
Mijn kat heeft vlinders in haar buik.
Wel achttien vleugels telde ik tussen haar ribben.
De brokjes vlees laat ze al even staan.
Daar komen wormen van. Ze springt al dagen
naar een tak die zoete geuren draagt.
Brengt haar prooien sierlijk binnen in haar bek.
Legt ze voor mijn voeten neer.
Misschien wil ze een gedicht en laat ze die vlinders
daarom zo kleurrijk flapperen alvorens ze
onder haar kussentjes langzaam plat te duwen.
Haar snorharen lijken tegen het einde van de feesten
vast op meeldraden, gevoeliger dan de voelsprieten
die ze nu al zijn.
p.s. Ik wou over de feesten schrijven... maar dit viel me het meest van allemaal op. Net weer. Net weer. Net weer.
Wel achttien vleugels telde ik tussen haar ribben.
De brokjes vlees laat ze al even staan.
Daar komen wormen van. Ze springt al dagen
naar een tak die zoete geuren draagt.
Brengt haar prooien sierlijk binnen in haar bek.
Legt ze voor mijn voeten neer.
Misschien wil ze een gedicht en laat ze die vlinders
daarom zo kleurrijk flapperen alvorens ze
onder haar kussentjes langzaam plat te duwen.
Haar snorharen lijken tegen het einde van de feesten
vast op meeldraden, gevoeliger dan de voelsprieten
die ze nu al zijn.
p.s. Ik wou over de feesten schrijven... maar dit viel me het meest van allemaal op. Net weer. Net weer. Net weer.
woensdag 24 juni 2009
Zomerding
Sluit het raam maar.
Het klappertandt hier heftig
en onder de kast kruipt een tocht
van mieren.
We moeten de zomer buitenhouden
de tanden scherpen en hoe hellend
dit ook is – vlak graait de hand
maalt het koren.
Het klappertandt hier heftig
en onder de kast kruipt een tocht
van mieren.
We moeten de zomer buitenhouden
de tanden scherpen en hoe hellend
dit ook is – vlak graait de hand
maalt het koren.
zondag 10 mei 2009
het donkere mannengangetje
Het gangetje tussen de twee zalen is de perfecte schuilplaats voor wilde beesten. Soms waggelen ze en stinken ze een beetje. De opschriften op hun t-shirts getuigen van beperkte literaire aspiraties. Sommigen zijn zo donker dat hun hongerige ogen het enige lichtpuntje vormen in het duister. Anderen hebben een doorschijnende huid en wallen waarin jaren nine to five doorwegen. En eindeloze ruzies met het vrouwtje dat thuis de slaap niet kan vatten.
Voor de vrouwelijke exemplaren is het cruciaal om fluks een weg te vinden tussen de horden testosteron. Niet treuzelen, kin omhoog en borsten vooruit. ‘Hier wandelt een bezette vrouw, die niet van plan is om zich prinses te laten noemen door onbekende mannen.’
Plots wordt ze bij haar schouder gegrepen. Geërgerd draait ze zich om, klaar om de aanvaller van een geducht weerwoord te voorzien. Als dat niet helpt, dan komen zo haar vriendinnen. Niets zo leuk als ’s nachts met z’n drieën lekker gevat te zijn.
Vanonder lange wimpers staren een paar piepjonge ogen haar aan. De strakke kaaklijn trilt een beetje. Hooguit twintig is hij. Mocht dit een omgekeerde wereld zijn, waarin vrouwen zich hopeloos in het gangetje verdringen om een snaak te vinden die hun bindingsangsten met hen wil wegdansen… Maar nee, zo is het niet.
Hij blijft haar intens aankijken, heeft haar schouder nu al zeker zeven seconden vast. Ze denkt razendsnel na en bedenkt dat haar bezette status nu niet het beste antwoord is. Aarzelend zoekt hij naar woorden. ‘Euh, ik wou je zeggen, ik vind je…’ Ze onderbreekt hem abrupt, rukt zich los, legt dan haar handen om zijn wangen. ‘Lieve jongeman, je bent nog zo jong! Misschien zelfs tien jaar jonger dan ik!’
Hij stamelt verbijsterd ‘sorry, mevrouw.’ Ze laat hem los en verdwijnt snel in de massa. Zoekt haar vriendinnen op, slurpt ietwat beteuterd van haar whiskey cola en bespreekt het voorval met haar vriendinnen.
Was dit nu een compliment?
Voor de vrouwelijke exemplaren is het cruciaal om fluks een weg te vinden tussen de horden testosteron. Niet treuzelen, kin omhoog en borsten vooruit. ‘Hier wandelt een bezette vrouw, die niet van plan is om zich prinses te laten noemen door onbekende mannen.’
Plots wordt ze bij haar schouder gegrepen. Geërgerd draait ze zich om, klaar om de aanvaller van een geducht weerwoord te voorzien. Als dat niet helpt, dan komen zo haar vriendinnen. Niets zo leuk als ’s nachts met z’n drieën lekker gevat te zijn.
Vanonder lange wimpers staren een paar piepjonge ogen haar aan. De strakke kaaklijn trilt een beetje. Hooguit twintig is hij. Mocht dit een omgekeerde wereld zijn, waarin vrouwen zich hopeloos in het gangetje verdringen om een snaak te vinden die hun bindingsangsten met hen wil wegdansen… Maar nee, zo is het niet.
Hij blijft haar intens aankijken, heeft haar schouder nu al zeker zeven seconden vast. Ze denkt razendsnel na en bedenkt dat haar bezette status nu niet het beste antwoord is. Aarzelend zoekt hij naar woorden. ‘Euh, ik wou je zeggen, ik vind je…’ Ze onderbreekt hem abrupt, rukt zich los, legt dan haar handen om zijn wangen. ‘Lieve jongeman, je bent nog zo jong! Misschien zelfs tien jaar jonger dan ik!’
Hij stamelt verbijsterd ‘sorry, mevrouw.’ Ze laat hem los en verdwijnt snel in de massa. Zoekt haar vriendinnen op, slurpt ietwat beteuterd van haar whiskey cola en bespreekt het voorval met haar vriendinnen.
Was dit nu een compliment?
woensdag 4 maart 2009
Op latten
Ik vertrek voor heel even naar mijn zusje, die in Grenoble studeert, én naar de sneeuw. Skiën is de enige sport waar ik echt echt echt gelukkig van word. Het is een klein snipperskireisje, maar ik hoop toch opgeladen terug te komen. Ik hoop op goede sneeuw, op twee dagen knalzon en een neus die eerst rood wordt, maar nadien met sproetjes bedekt is. Ik hoop op keisteile zwarte pistes.
Want hierbinnen botst het, reken maar. Ik wil zoveel zeggen, in verdekte termen of het van de daken schreeuwen. Maar waarschijnlijk ligt de ontstopper op dezelfde plek als mijn verdwenen skisokken en fototoestel.
Tot later!
Want hierbinnen botst het, reken maar. Ik wil zoveel zeggen, in verdekte termen of het van de daken schreeuwen. Maar waarschijnlijk ligt de ontstopper op dezelfde plek als mijn verdwenen skisokken en fototoestel.
Tot later!
woensdag 3 december 2008
hap slik weg
zoals een kleuter die te krachtig
zijn eerste glas vastpakt
de melk kolkt vervaarlijk
nergens een loodzwaar middelpunt
waarop het terug kan vallen
de toekijkers vrezen drama
een overdaad aan glitters
en bloed dat niemand stelpen kan
met natte wangen op de korstjes wachten
(daar krijg je later borsten van)
maar zo gaat het niet altijd
(vergeef me dit, het is hier veel te stil...)
zijn eerste glas vastpakt
de melk kolkt vervaarlijk
nergens een loodzwaar middelpunt
waarop het terug kan vallen
de toekijkers vrezen drama
een overdaad aan glitters
en bloed dat niemand stelpen kan
met natte wangen op de korstjes wachten
(daar krijg je later borsten van)
maar zo gaat het niet altijd
(vergeef me dit, het is hier veel te stil...)
woensdag 15 oktober 2008
de Kamer voor ongelukkige Kindjes
Het huis naast het mijne is erg bijzonder. Op de eerste verdieping bevindt zich de Kamer voor ongelukkige Kindjes, slechts een flinterdunne muur gescheiden van mijn slaapkamer. Ik weet niet of er geesten onder de bedden wonen. Hoe het ook zij, het is de perfecte plek voor kleuters om een hele nacht door te janken. Aangezien mokerslagen op de muur waarschijnlijk de kindjes nog ongelukkiger zouden maken, luister ik ondertussen al anderhalf jaar geduldig naar het gehuil dat 's nachts door de muur dringt. Het klinkt zo dichtbij, dat ik al vaker dacht dat zo'n ongelukkig Kindje naast mij in bed ligt. Of dat ik zelf opnieuw zo'n kindje ben. De problemen van slapeloze kleuters zijn me helemaal niet vreemd.
Toen de vorige bewoners van het huis met de Kamer voor ongelukkige Kindjes naar andere oorden vertrokken, hoopte ik op stoere bewoners die alle eventuele geesten onder het bed vandaan zouden jagen. Groot was dus mijn vreugde toen bleek dat twee prille dertigers van het mannelijke geslacht het huis introkken. Enkele weken terug echter klonk er opnieuw gehuil, dat onmogelijk uit een mannelijke strot kan komen. En jawel hoor, één van die stoere ridders heeft twee kindjes, die opnieuw in de Kamer te slapen gelegd worden.
Om drie uur vannacht werd ik gewekt door een ritmisch 'papaaaaaaa'. Zo'n vijf seconden interval, steeds dezelfde intonatie en dat tot zes uur 's ochtends. Mijn biologisch klokje ging opmerkelijk trager tikken. Even overwoog ik om terug te roepen: 'Als je zo doorzeurt komt mijn papa. Hij is politieagent en jij mag zaterdag niet op mijn verjaardagsfeestje komen'. De eerste bewering is echter niet correct en de tweede wil ik liefst zo houden.
Het slechte nieuws is dat ik dus met zeer kleine oogjes naar mijn eerste werkdag trok. Op de Gentse Hogeschool ben ik immers sinds vandaag met twee collega's verantwoordelijk voor het uitbouwen van een taalbeleid. Dat ik daarbij ook deeltijds les mag geven, is helemaal super. Al gaat het over vakken die ik zelf even in het woordenboek moest opzoeken. Ook leuk is het feit dat m'n kersverse collega's echt wel leuk zijn. Elise blogt zelfs. What a coincidence.
De algemene windstilte op deze blog duidt naast een recente verslaving aan Facebook-spelletjes ook op een toevoer van voedsel voor de geest. En nieuwe ideeën, mogelijkheden, grotere projecten. Alles wat ik voorbarig uitspreek of neerschrijf, sterft doorgaans een stille dood. Dus nog eventjes snaveltjes toe.
Toen de vorige bewoners van het huis met de Kamer voor ongelukkige Kindjes naar andere oorden vertrokken, hoopte ik op stoere bewoners die alle eventuele geesten onder het bed vandaan zouden jagen. Groot was dus mijn vreugde toen bleek dat twee prille dertigers van het mannelijke geslacht het huis introkken. Enkele weken terug echter klonk er opnieuw gehuil, dat onmogelijk uit een mannelijke strot kan komen. En jawel hoor, één van die stoere ridders heeft twee kindjes, die opnieuw in de Kamer te slapen gelegd worden.
Om drie uur vannacht werd ik gewekt door een ritmisch 'papaaaaaaa'. Zo'n vijf seconden interval, steeds dezelfde intonatie en dat tot zes uur 's ochtends. Mijn biologisch klokje ging opmerkelijk trager tikken. Even overwoog ik om terug te roepen: 'Als je zo doorzeurt komt mijn papa. Hij is politieagent en jij mag zaterdag niet op mijn verjaardagsfeestje komen'. De eerste bewering is echter niet correct en de tweede wil ik liefst zo houden.
Het slechte nieuws is dat ik dus met zeer kleine oogjes naar mijn eerste werkdag trok. Op de Gentse Hogeschool ben ik immers sinds vandaag met twee collega's verantwoordelijk voor het uitbouwen van een taalbeleid. Dat ik daarbij ook deeltijds les mag geven, is helemaal super. Al gaat het over vakken die ik zelf even in het woordenboek moest opzoeken. Ook leuk is het feit dat m'n kersverse collega's echt wel leuk zijn. Elise blogt zelfs. What a coincidence.
De algemene windstilte op deze blog duidt naast een recente verslaving aan Facebook-spelletjes ook op een toevoer van voedsel voor de geest. En nieuwe ideeën, mogelijkheden, grotere projecten. Alles wat ik voorbarig uitspreek of neerschrijf, sterft doorgaans een stille dood. Dus nog eventjes snaveltjes toe.
donderdag 2 oktober 2008
Zonnebloem
Er staat een droge zonnebloem op mijn vensterbank, de binnenste. Ze heeft nu een diepgele kleur en haar verdriet is slechts een kwestie van interpretatie. Ik kreeg haar zo’n twee weken geleden van een vriendin. Ik vind haar best mooi staan bij oktober. Zou haar bijna willen strelen, maar enkel in woorden dan.
woensdag 1 oktober 2008
Tussendoor
Hou van me als van een achterhaalde gedachte. Een kronkel in je hoofd die vertrouwd maar fout aanvoelt. Bemin me braaf en burgerlijk. Zet me desnoods op de schoorsteenmantel. Laat me stof slikken en poets me (( als ik te luidruchtig hoest )) af en toe wat op. Niet vergeten worden doet geen pijn. Hier kan ik rustig zoemen en wat kinderliedjes in je oren zingen.
dinsdag 30 september 2008
G.B.W. nogmaals
Ze kende ooit een jongen. Men noemde hem een Man. Hij vond zichzelf maar klein. En daarom harkte hij de bloemen uit haar handen. Hij beminde met schuim op de lippen en hield van schouders breken. En beloven dat er vleugels komen. Temde zijn angst door dromen omver te lopen. Daar lag het paard gekanteld in het bos. Rond het lijk groeien zwammen.
Toen gooide hij haar armen weg en schrok hij centimeters op. Een huilend gebrek aan rechtmatigheid. De eigenaar, verward, fluisterde hem klein en ongeschonden. Dichtte ogen toe. ’s Ochtends gaven ze elkaar weer sprookjesnamen. Want de uren na de strijd waren roze en veelbelovend. Na het paard kwamen er drie zonen met wilde haren, een dochter met een blik die door water brak. Ze streelden elkaars spieren, bouwden denkbeeldige huizen aan het water. Ze stonden stijf. En rond het kadaver zwommen sterren.
In tijden van stilte is het enige dat uit mijn pen rolt blijkbaar veeleer van therapeutisch van aard. En ach, dat mag ik delen, want het valt te relativeren en de tijdschriften overtuig je hier niet mee. Moeilijke mannen uit het verleden lenen zich misschien goed als literaire obsessie, in het echte leven spoel je ze makkelijk door met goede wijn en nieuwe verhalen.
Tot zover dus, tussendoor bereid ik me voor op m'n nieuwe job, jaag ik er stapels verbeterwerk door en speel ik zinledige computerspelletjes. Daarnaast betreur ik de dood van de zomer en ben ik blij geen aandelen te bezitten. Arrivederci !
Toen gooide hij haar armen weg en schrok hij centimeters op. Een huilend gebrek aan rechtmatigheid. De eigenaar, verward, fluisterde hem klein en ongeschonden. Dichtte ogen toe. ’s Ochtends gaven ze elkaar weer sprookjesnamen. Want de uren na de strijd waren roze en veelbelovend. Na het paard kwamen er drie zonen met wilde haren, een dochter met een blik die door water brak. Ze streelden elkaars spieren, bouwden denkbeeldige huizen aan het water. Ze stonden stijf. En rond het kadaver zwommen sterren.
In tijden van stilte is het enige dat uit mijn pen rolt blijkbaar veeleer van therapeutisch van aard. En ach, dat mag ik delen, want het valt te relativeren en de tijdschriften overtuig je hier niet mee. Moeilijke mannen uit het verleden lenen zich misschien goed als literaire obsessie, in het echte leven spoel je ze makkelijk door met goede wijn en nieuwe verhalen.
Tot zover dus, tussendoor bereid ik me voor op m'n nieuwe job, jaag ik er stapels verbeterwerk door en speel ik zinledige computerspelletjes. Daarnaast betreur ik de dood van de zomer en ben ik blij geen aandelen te bezitten. Arrivederci !
vrijdag 26 september 2008
De toekomst en Hans Andreus
Sein. Flits. Een paar lettertjes kruipen onwillig op een blanco blad. De schrijfstilte vindt het voorlopig niet erg om niet helemaal gebroken te worden. Want het hoofd waarin ze woont, raakt voller en voller. De wielen draaien door en binnenkort tikken de vingers vast weer sneller.
Tussendoor ben ik heel opgetogen. Ik vond een nieuwe job die me heel interessant lijkt en daarom ook beangstigt. Er is nog geen contract getekend. Dus ik deel mijn enthousiasme nog niet meteen concreet...
Nog één ding, voor ik me weer in stilte hul. Google Reader leidde me enkele dagen geleden naar Traliewoud, de blogspot van Jurgen Smit. Hij bracht een ontzettend maffe documentaire over Hans Andreus onder de aandacht. Mocht u een halfuurtje tijd vinden, geniet dan van dit filmpje. Graag hoor ik of u even gebiologeerd keek.
De rand van waanzin. Van kinderspel en poëzie. Ontzettend interessant vind ik het. Dit kwam in me op nadat ik de documentaire gezien had. De oplettende kijker kan vast het ‘citaat’ plaatsen.
‘Mama ik hoor helemaal niks
Als zij der doorheen roept’
Knip.
En na het kind
kwam de dichter weer
Met geschaafde knieën
zijn haar in de war.
Later met een sigaret
als James Dean
die naar platte velden staart.
Hij omhelst de fysica.
Laat atomen rommelen.
Spreekt over het hier en nu
en wat daar tegenover staat.
Wat mogelijk is.
Tussendoor ben ik heel opgetogen. Ik vond een nieuwe job die me heel interessant lijkt en daarom ook beangstigt. Er is nog geen contract getekend. Dus ik deel mijn enthousiasme nog niet meteen concreet...
Nog één ding, voor ik me weer in stilte hul. Google Reader leidde me enkele dagen geleden naar Traliewoud, de blogspot van Jurgen Smit. Hij bracht een ontzettend maffe documentaire over Hans Andreus onder de aandacht. Mocht u een halfuurtje tijd vinden, geniet dan van dit filmpje. Graag hoor ik of u even gebiologeerd keek.
De rand van waanzin. Van kinderspel en poëzie. Ontzettend interessant vind ik het. Dit kwam in me op nadat ik de documentaire gezien had. De oplettende kijker kan vast het ‘citaat’ plaatsen.
‘Mama ik hoor helemaal niks
Als zij der doorheen roept’
Knip.
En na het kind
kwam de dichter weer
Met geschaafde knieën
zijn haar in de war.
Later met een sigaret
als James Dean
die naar platte velden staart.
Hij omhelst de fysica.
Laat atomen rommelen.
Spreekt over het hier en nu
en wat daar tegenover staat.
Wat mogelijk is.
donderdag 18 september 2008
'Vergeten Straat' door NTGent
Ach Boon. Bij u hoeft het niet, aansprekingen. U verkiest de vraag boven het antwoord. Of klopt dit niet?
Boontje. De ‘gij’ boven de ‘u’. Dat roept ge mij in ’t Oilsjters toe. En toch. Ik zwaai niet zomaar met mijn benen, niet bij nen viezentist als gij. De schommel heeft wat duwtjes nodig. De mond van Roza is een wonde. Ik luisterde en herkende de personages uit het boek dat ik tien jaar geleden las.
Het NTGent speelde ‘Vergeten Straat’, onder leiding van Johan Simons. Dat had ge moeten zien. Als ge daarboven nog ogen hebt, dan moet ge dit Knackartikel alvast eens lezen. In deze brief op Huiverinkt, een brief die niets wil zijn, komt voor het eerst de middenweg, de twijfel van André. Zachtmoedig zonder golven.
In de recensie van Lauwaert worden poppenkoppen van de acteurs verschillende versies van jouw hoofd genoemd. Ik zag het mannetje van Liegebeest in die gedrochten, hoe heet hij alweer? Mijn buurman Blaise vroeg zich misschien af hoeveel zweet er onder de maskers vloeide. Wie van ons liegt het meest?
Vieze, die slechts voelt als hij niet drinkt? Hij heeft een pluchen penis in het stuk en ook al neukt hij vaak, hij blijft het zachtst. Hij neemt meer dan de anderen zijn masker af. Dat vond ik mooi. Wie niet denken kan, mag het hoofd in eigen handen houden. Lieg ik nu en zijt gij meer Gaston? Hij die op korte beentjes doordraaft en zijn hart niet voelt kantelen. Dikke Wis en Saedeleer zijn gierig, dom, de belgen van Jacques Brel. In kleine letters.
Wie is Roza? Jonge meisjes vindt gij in al uw boeken het gevaarlijkst. Enkel zij krijgen van u vlees rond hun botten. Levend vlees. Geen vet. Is Roza een zusje van dat lollytrutje? Is ze nog gevaarlijker omdat ze niet krijgt wat ze wil? Doet Lolita dat trouwens wel? Roza kust Gaston. En dan volgt de helleput. Of lieg ik nu?
Ik miste nog een vlinder uit het boek. Die over muren vliegt en doodgeknepen wordt. Het maakt niet uit door wie. Hij was er niet. Misschien zijn vlinders de enige soort die sterft in vergeten straten. De anderen blijven hangen, maar er dwarrelt niets. Het valt als blokken aarde op ons. Wat daar leeft.
Bedankt, Boon. Wat was u groot, wat schreef u klein en juist.
(hij die moppert dat ik de ploeg moet bejubelen; lees opnieuw, dat deed ik al)
Boontje. De ‘gij’ boven de ‘u’. Dat roept ge mij in ’t Oilsjters toe. En toch. Ik zwaai niet zomaar met mijn benen, niet bij nen viezentist als gij. De schommel heeft wat duwtjes nodig. De mond van Roza is een wonde. Ik luisterde en herkende de personages uit het boek dat ik tien jaar geleden las.
Het NTGent speelde ‘Vergeten Straat’, onder leiding van Johan Simons. Dat had ge moeten zien. Als ge daarboven nog ogen hebt, dan moet ge dit Knackartikel alvast eens lezen. In deze brief op Huiverinkt, een brief die niets wil zijn, komt voor het eerst de middenweg, de twijfel van André. Zachtmoedig zonder golven.
In de recensie van Lauwaert worden poppenkoppen van de acteurs verschillende versies van jouw hoofd genoemd. Ik zag het mannetje van Liegebeest in die gedrochten, hoe heet hij alweer? Mijn buurman Blaise vroeg zich misschien af hoeveel zweet er onder de maskers vloeide. Wie van ons liegt het meest?
Vieze, die slechts voelt als hij niet drinkt? Hij heeft een pluchen penis in het stuk en ook al neukt hij vaak, hij blijft het zachtst. Hij neemt meer dan de anderen zijn masker af. Dat vond ik mooi. Wie niet denken kan, mag het hoofd in eigen handen houden. Lieg ik nu en zijt gij meer Gaston? Hij die op korte beentjes doordraaft en zijn hart niet voelt kantelen. Dikke Wis en Saedeleer zijn gierig, dom, de belgen van Jacques Brel. In kleine letters.
Wie is Roza? Jonge meisjes vindt gij in al uw boeken het gevaarlijkst. Enkel zij krijgen van u vlees rond hun botten. Levend vlees. Geen vet. Is Roza een zusje van dat lollytrutje? Is ze nog gevaarlijker omdat ze niet krijgt wat ze wil? Doet Lolita dat trouwens wel? Roza kust Gaston. En dan volgt de helleput. Of lieg ik nu?
Ik miste nog een vlinder uit het boek. Die over muren vliegt en doodgeknepen wordt. Het maakt niet uit door wie. Hij was er niet. Misschien zijn vlinders de enige soort die sterft in vergeten straten. De anderen blijven hangen, maar er dwarrelt niets. Het valt als blokken aarde op ons. Wat daar leeft.
Bedankt, Boon. Wat was u groot, wat schreef u klein en juist.
(hij die moppert dat ik de ploeg moet bejubelen; lees opnieuw, dat deed ik al)
donderdag 28 augustus 2008
De tafelpoot brokkelt,
het brood bakt aan,
ik speel dinsdag cricket.
Wat is het heerlijk
dat te kunnen melden.
En dat ik straks mijn regels krijg
is vast ook niet onbelangrijk.
het brood bakt aan,
ik speel dinsdag cricket.
Wat is het heerlijk
dat te kunnen melden.
En dat ik straks mijn regels krijg
is vast ook niet onbelangrijk.
donderdag 14 augustus 2008
Moleskine
"Jij hebt toch zeker een pen bij?" Op deze vraag moet ik meestal ontkennend antwoorden. Schrijven doe ik het liefst op computer en daarom ben ik het meisje dat twee minuten voor de trein vertrekt nog op zoek gaat naar een pen.
Zo kon het niet verder. Het zit zo: de laatste tijd ben ik niet zo gek op mijn gedichten. Ze doen plots zo zwaar aan. En sinds een goede vriend me er attent op maakte dat ze vaak in hetzelfde staccato een weg naar het brein van de lezer zoeken, besloot ik om al die zware beelden even te laten voor wat ze zijn. Gewoon een beetje schrijven, dat lijkt me leuk. Ik loop natuurlijk het risico om te vervallen in de alledaagsheid waar ik andere bloggers van beticht, maar dat moet dan maar. Even terug leren ademen, zo lijkt het wel.
Maar wie wat eenvoudiger wil schrijven, heeft natuurlijk een notitieboekje nodig. Aangezien ik deze week in Amsterdam ben en bovendien overdag alleen ben, leek het me gisteren een mooie queeste om op zoek te gaan naar een notitieboekje. De pen stak ik alvast in mijn handtas. Opgewonden nam ik tram 1 van de Overtoom naar het centrum en luisterde naar de andere passagiers. Een blonde jongen van een jaar of 12 zei tegen zijn vriendje "Ik hou niet van verdriet". Misschien heb ik dit verzonnen. En zelfs als dat laatste niet zo is, dan blijft het natuurlijk een droevige waarheid waaruit weinig poëzie te halen valt.
Goed, na de lunch (waarom gaan achter de lekkerste namen vieze dingen schuil? hoe onthoud ik dat ik gorgonzola echt niet lust?) bezocht ik enkele boekenwinkeltjes, verwonderde me over het heksenweer en verschenen op drie uur tijd twee regenbogen voor mijn neus. Een origineel notitieboekje heb ik niet gevonden. Dus deed ik het op z'n allerbanaalst. In boekhandel Athenaeum op het Spui een Moleskine kopen, kan het erger? Gelukkig is het er per ongeluk één met ruitjes.
Hoe het ook zij, een dag later ziet het boekje er al behoorlijk beduimeld en toch nog te maagdelijk uit. Misschien keer ik als ik terug in België ben wel weer terug naar de gedichten. Voorlopig moet u het hiermee doen.
En btw, ik hou van Amsterdam. Maar niet van Moleskine. Of gorgonzola. Op een schone tafel kan men niet schrijven.
Zo kon het niet verder. Het zit zo: de laatste tijd ben ik niet zo gek op mijn gedichten. Ze doen plots zo zwaar aan. En sinds een goede vriend me er attent op maakte dat ze vaak in hetzelfde staccato een weg naar het brein van de lezer zoeken, besloot ik om al die zware beelden even te laten voor wat ze zijn. Gewoon een beetje schrijven, dat lijkt me leuk. Ik loop natuurlijk het risico om te vervallen in de alledaagsheid waar ik andere bloggers van beticht, maar dat moet dan maar. Even terug leren ademen, zo lijkt het wel.
Maar wie wat eenvoudiger wil schrijven, heeft natuurlijk een notitieboekje nodig. Aangezien ik deze week in Amsterdam ben en bovendien overdag alleen ben, leek het me gisteren een mooie queeste om op zoek te gaan naar een notitieboekje. De pen stak ik alvast in mijn handtas. Opgewonden nam ik tram 1 van de Overtoom naar het centrum en luisterde naar de andere passagiers. Een blonde jongen van een jaar of 12 zei tegen zijn vriendje "Ik hou niet van verdriet". Misschien heb ik dit verzonnen. En zelfs als dat laatste niet zo is, dan blijft het natuurlijk een droevige waarheid waaruit weinig poëzie te halen valt.
Goed, na de lunch (waarom gaan achter de lekkerste namen vieze dingen schuil? hoe onthoud ik dat ik gorgonzola echt niet lust?) bezocht ik enkele boekenwinkeltjes, verwonderde me over het heksenweer en verschenen op drie uur tijd twee regenbogen voor mijn neus. Een origineel notitieboekje heb ik niet gevonden. Dus deed ik het op z'n allerbanaalst. In boekhandel Athenaeum op het Spui een Moleskine kopen, kan het erger? Gelukkig is het er per ongeluk één met ruitjes.
Hoe het ook zij, een dag later ziet het boekje er al behoorlijk beduimeld en toch nog te maagdelijk uit. Misschien keer ik als ik terug in België ben wel weer terug naar de gedichten. Voorlopig moet u het hiermee doen.
En btw, ik hou van Amsterdam. Maar niet van Moleskine. Of gorgonzola. Op een schone tafel kan men niet schrijven.
Abonneren op:
Posts (Atom)
Populaire berichten
-
Woord vooraf: Deze brief kreeg de meeste reacties ooit op Huiverinkt, maar nooit een antwoord van de geadresseerde. Uiteraard werd ik op Gee...
-
Bepakt met een tas vol poëzie verliet ik gisteren de pendelbus die me naar het festivalterrein van het uitverkochte Beyond-festival in...
-
Lieve papa, Je weet dat het voor mij niet moeilijk is om woorden te vinden. Wel om ze te schrappen. Wat vertel ik nu? Voor een...
-
Op mijn bureaublad staan twee gedichtenmappen: 'Klaar ofzo' en 'In progress'. Spijtig genoeg is de laatste map veel groter d...