Posts tonen met het label dood. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dood. Alle posts tonen

zaterdag 8 april 2023

Afscheidsbrief aan Luuk (1978-2023)


Lieve Luuk,
 
Sinds die vermaledijde woensdagochtend in maart dat ik online las dat je hart je in je slaap overmeesterd en tegelijkertijd in de steek gelaten had, wil ik je al een brief schrijven. We zijn nu bijna een twijfelende lentemaand verder. Je miste paasbloemen in de berm van de weg en het koppeltje futen dat in het water gestaag een nest bouwt, met bladeren van modder en twijgjes die alle kanten op vertakken. Je miste ijzige slagregens en verrassende nachtelijke kou. De maan werd voor het eerst sinds je geboorte vol zonder dat je haar invloed voelde. Ook miste je het eerste onmiskenbare lentegevoel en de eerste Goede Vrijdag, een bizarre naam voor een dag waarop een man aan het kruis genageld en gestenigd werd. Maar misschien is Goede Vrijdag wel de meest geschikte dag om in de stad die jij in je hart sloot afscheid van jou te nemen. Jij, eindeloos Goede Ziel.
 
Je hebt mij meerdere keren gezegd dat je jaloers was op mijn pen, noemde mij – ik citeer - ‘één van de zeldzame scribenten die ervoor kan zorgen dat ik kippenvel krijg.’ ‘Ik ben daarvan zeer onder de indruk’, schreef je, ‘mij lukt dat voor geen meter’. Toen ik antwoordde dat ik jouw sprankelende taalspel en spitsvondige humor in het Nederlands én Engels benijdde en in dat opzicht niet eens tot je kwetsbare enkels kwam, weerlegde je droog dat complimenten niet nodig waren. Ik was tenslotte diegene die zonder enige ironie schreef en dat moest jij duidelijk nog afleren. Je wilde dapper schrijven, met open vizier. Want, ‘ironie is juist het doekje voor het bloeden, de fopsneus waar je je als schrijver achter verschuilt’. Nogmaals dankjewel, lieve Luuk, maar ik vraag me die hele, of toch bijna volle, grillige lentemaand regelmatig af of het me ooit gelukt is om jou een compliment te geven dat je niet tien keer versterkt naar me terugkaatste. 
 
Misschien is dat ook de reden dat onze vriendschap de laatste zes jaar in stilte verwaterde, op wat sporadische appjes na, nadat eind 2016 de Liefde met hoofdletter in mijn leven kwam. De reden van onze verwijdering lijkt me niet de vleselijke belichaming van deze liefde, maar eerder dat liefde van de zachte, stromende soort, werkelijk iedereen in het zonlicht plaatst. En om de een of andere reden scanden jouw ogen, als we samen waren, meteen waar mijn schaduw viel, leek het koelste plekje jou het meest veilig en vertrouwd. ‘Ik ben een tiny grasshopper in jouw aanwezigheid’, grapte je, terwijl ik jou als stevige rots zag waarop insecten uitrusten en hun nat geworden vleugels in het zonlicht laten drogen. Ik zag een hart dat voor iedereen ruimte maakte. En dat is, hoe cliché het ook klinkt, ontzettend zeldzaam en dus ongelofelijke schoon, Luuk. In mijn herinneringen heb ik dit onevenwicht ook uitgesproken en hoef ik mezelf niet voor mijn kop te slaan, omdat ik dit pas in een brief aan een dode opschrijf. Maar jij was bovenal de rots, het zonlicht. Luuk, de bron van warmte en steun, in zoveel levens. Nog meer dan een scherp en grappig brein was jij een gouden hart op pootjes. Neil Young kan zijn zoektocht staken.
 
Luuk Van Huët. Wat zal ik nog over jou schrijven? Welke anekdotes vertellen tussen de regels het meest, bestaan er ook anekdokters, waar vindt het licht zijn weg? En tussendoor, waarom heb jij op Facebook twee puntjes op de ë in je familienaam geplaatst? Zonderling, wat is daar het tegenovergestelde van, Luuk? Is dat de meerling, de zielsverwant waar we eeuwig naar op zoek zijn? Jij weefde een netwerk van zielsverwanten in deze stad, spon draden tussen verschillende werelden. Ik weet niet hoe eenzaam je je gevoeld hebt en hoe ik je had kunnen helpen. Die kwetsbare afstand bewaakte je goed, behalve die ene keer in september 2016, toen je gevoelige hart door een koortsaanval harder moest werken en je in het ziekenhuis belandde voor onderzoeken en naalden die je aders niet wisten te vinden. Je reikte angstig naar me uit en vroeg of ik naast grommende panterkrachten ook zachte reiki op afstand kon geven, om jou rustig te maken. In die hulpvraag zat geen greintje ironie of ongeloof. 
 
Elke keer dat je het gevoel had dat jij kon helpen, was je daar. Toen Prince overleed, een paar dagen nadat mijn arm na een verkeersongeluk werkeloos in een mitella belandde, kwam je een lekkere, paarse schotel van wilde rijst voor me maken. Uiteraard zorgde je voor een portie voor de dag erna en eentje om in te vriezen. Je vond het heerlijk om een verdwaalde Belg op sleeptouw te nemen, de microfoon in haar handen te duwen en ik leerde met jouw ogen bruisende en duistere en duister-bruisende plekjes in Amsterdam kennen. Tot mijn verbazing leerde ik dat Loesje niet één vrouw met een jaloersmakend scherp pennetje is, maar een wisselende groep van leuke mensen bij wie het hart nét iets linkser in de borstkas het bloed rondpompt. Met jou schrijvend aan mijn zijde werd ik zelf ook Loesje.
 
Lieve Luuk. Ik heb zo genoten van je loyale vriendschap, van je grapjes, lieve attenties en hilarische uitspraken. Toen ik na de dood van mijn vader een tijd – oh ironie! - onder een mannelijk alter ego schreef, vond ik op een blauwe maandag een ros opplaksnorretje in mijn brievenbus. Zonder afzender. Pas later schreef je de tekst erbij: ‘Wat betreft rosse snorren is het net als met een sausage fest: if you can't beat them, join them!’ Enkele gevleugelde uitspraken zou ik zo, met Delfts blauw omrand, op tegeltjes in de toiletruimtes van deze stad willen ophangen. Zodat mensen tijdens hun moment van intieme ontlading, jouw grappige wijsheden kunnen blijven savoureren, ook als ze heerlijk multi-interpretabel zijn. ‘Trollen die onder de brug uit komen om met hun knotsen te zwaaien, verdienen het om te verstenen als ze in de zon komen.’
 
Of wat je zei over Occupy Amsterdam, in de tijd dat we elkaar leerden kennen. Toen de reputatie van het stelletje rebellen op het Beursplein ‘in het doucheputje der linksige vaagheid dreigde te verdwijnen’ en er steeds meer heftige interne discussies ontstonden, schreef je: ‘De gast met de Indianentooi was een rots in de branding. Dat zegt wel wat.’ En even later, een uitdrukking die nog veel breder van toepassing blijkt. ‘Lichtpuntjes zijn er hopelijk nog wel te vinden, al blijken ze soms de koplampen van een aanstormende bus te zijn.’
 
Je nam me mee naar bijeenkomsten van de We Are Here groep, naar demonstraties tegen de zoveelste oorlog, naar General Assembly’s in het Maagdenhuis. Je stimuleerde me om, naar analogie met de winden van verandering die door de universiteitsgangen bliezen, mensen te verzamelen in ‘Rethink HvA’, omdat ook broertjes met een minderwaardigheidscomplex over rebelse gedachten kunnen beschikken die stoffige systemen en holle macht flink op kunnen schudden, zoals vrouw Holle dat met haar kussen kan. 
 
Jij begreep dat het kon sneeuwen in april en voelde met me mee toen ik in dieppaarse rouw belandde, je gaf me krijt om poëzie op tegels te kalken toen ik zoveel keelpijn had van het machteloos schreeuwen, dat ik geen woord meer uit kon brengen. ‘Ik ken het gevoel voor zover je het gevoel kan kennen bij iemand anders. En ik blijf me afvragen hoe ik in jouw geval (en dat van anderen) kan helpen.’ Het lijkt terugblikkend, je levenscredo. Altijd weer klaarstaan, mensen steunen, schrijvers helpen, omdat - weer jouw woorden – ‘schrijvers elkaar niet moeten afbekken, maar elkaar moeten helpen.’
 
Daar zijn waar dingen in beweging komen, waar het schuurt en knarst, waar de lucht naar revolutie ruikt, waar er galmend gelachen of flink gegriezeld wordt, waar het toegestaan is om groots te dromen. En ook: daar zijn waar er pijn is, waar zachtheid nodig is, waar de taart niet eerlijk verdeeld wordt, daar waar een grapje kan helen, een hand kan helpen. Een hand op de schouder, een hand op het kwetsbare hart. Ik gebruik de tegenwoordige tijd, omdat we daar allemaal zoveel van kunnen leren. Van jou.
 
Ik groet je, lieve Luuk, ik zie je graag. En eindig met de eerste woorden die jij mij ooit schreef. Ze zijn volgens mij bedoeld voor iedereen die ze kan gebruiken.
 
‘Sterkte met alles’.
 
Liefs,
Marie

vrijdag 31 maart 2023

Nog een brief aan papa (meer dan tien jaar later)



Lieve papa,

 

Het is vandaag de laatste dag van maart in het jaar 2023. Deze brief komt ruimschoots een maand te laat in het dodenrijk aan. Werd hij bezorgd door een mankende panter of was het Kerberos’ maandje niet, blafte hij elke vreemde bezoeker ver bij de poort vandaan? Of heeft ook de onderwereld last van harde besparingen, die naast postbodes en bewakers de mieren vertrappelen die ongezien tussen gaten en kieren naar andere werelden weten te sluipen? Hoe het ook zij, ik schrijf je te laat en weet gelukkig ook steeds vaker te grinniken om de harde gedachten die me om deze reden al meer dan een maand geselen. Je was dit jaar verdomme tien jaar dood, een mijlpaal! Toch voor mij, jij kent al meer dan tien jaar geen tijd meer. Ik heb dus last van mezelf. Jij bent het niet die mij zo streng aankijkt.

 

Tijdens je leven hield jij ervan te spelen met tijd, getallen en symbolen. Thuis bedacht je op zondagmiddag ellenlange wiskundige formules in de woonkamer, terwijl er luide opera of jazz door de woonkamer klonk. De aanblik van die cijfers alleen al liet me nietig tollen op mijn aardse benen. Je spelletjes met tijd en getallen namen op het einde steeds wanhopigere vormen aan. Van intens genieten van ‘A brief history of time’ tot het registreren van Belgische nummerplaten, toen je getroffen werd door dezelfde terminale ziekte die de visionaire fysicus en astronoom velde, merkwaardig genoeg pas vijf jaar na jouw overlijden. In de memoires die je met veel moeite met verlamde vingers tikte in de maanden voor je stierf, schreef je dat je je vastklampte aan uitkijken naar de nieuwe batch nummerplaten. A brief fight with time.

 

Op 30 december 2012, twee maanden voor je dood, schreef je op de laatste pagina dat je op de terugkeer van de FNAC een nieuwe letter had gespot: ‘Ik had vlug prijs: 1-EJL-xxx. Ze zijn dus ondertussen aan de E-batch begonnen. De ‘mnemonic’ was vlug gevonden. Jack London, één van de favoriete auteurs van mijn vader.’ Op de laatste pagina van jouw zelfgeschreven afscheid gaf je een respectvolle knipoog aan je vader. Ik vond als kind 'White Fang' onverdraaglijk saai en slecht, gooide het boek zelfs geïrriteerd in de hoek van de kamer. Toen later Londons racistische ideeën onder het voetlicht van de literatuurkritiek kwamen, verklaarde ik daarmee terugblikkend mijn kinderlijke afkeer. Ik snap nu beter waarom mijn afwijzing jou toen pijn deed. Het is echt heel moeilijk om je af te zetten tegen je vader, zeker als je zoveel geluk met hem had.

 

Dit tellen van nummerplaten, een opstootje van atypisch bijgeloof, liet jou tot op de laatste bladzijde hopen op een medisch wonder, waarmee jouw doodsvonnis net zoals in de laatste minuut van een Amerikaanse film van de Tafel des Oordeels zou worden geveegd. ‘Sorry, foutje, u kan nog even blijven leven, u mag uw schoonzonen nog ontmoeten en uw drie kleinzonen in uw pezige, gebruinde armen wiegen.’ 

 

In de loop van deze lente wordt de derde kleinzoon geboren. Is dat niet wonderlijk? Jij verwekte geen zoon. Op haar beurt stopt de vrouwenlijn vooralsnog bij de twee zussen die jouw dochters zijn. Verklaart dit mede waarom ik bij de bloedende maan steeds wilder naar mijn onderbuik grijp? Misschien is er net iets te veel pijn van generaties joodse vrouwen in mijn baarmoeder beland. Erg handig was het bovendien niet, dat die zwaarbeladen baarmoeder vijf jaar terug op tien minuten opengesneden en weer haastig dichtgenaaid werd. Maar het prachtige jongetje dat er in die tien minuten uitgetrokken werd, is wel nogal een exemplaar. Amai. 

 

Ik kan het niet vaak genoeg herhalen. Je oudste kleinzoon kent je niet, maar ik mis jou ook in zijn plaats. Hij had bij jou zijn diepvoelende hart kunnen openzetten en zijn breeddenkende brein kunnen laten uitdagen. Mijn fascinaties gaan vooral uit naar de grenzen van taal, hoe die opgerekt kunnen worden, hoeveel werelden zo verzonnen en verbonden kunnen worden. Ik word blij van nieuwe woorden verzinnen en schaduwen in stralend licht zetten. Hij houdt net als jij van getallenreeksen, van punten verbinden tot ze een kloppend geheel vormen, binnenkort gaat zijn liefde ongetwijfeld ook naar algoritmes en formules uit. Gelukkig leert hij steeds beter lezen en raak ik hem tijdens de talige omzwervingen minder snel kwijt. Het is een heerlijke metgezel tijdens het breinreizen, dat kleinkind van jou. Niet zo verwonderlijk.

 

Papa, heb je iets van de komst van Wim de Bie in het dodenrijk meegekregen? Nee? Tja, dat is het grote probleem met intelligente atheïsten, ze missen door hun onwil om in het ontastbare te geloven (tenzij het om fractalen en irrationele getallen gaat), ook een stukje verbinding en die ene sprankel magie die meer ruimte aan de longen schenkt. En nu mis jij dus ook de allerlaatste aflevering van Keek op de Week, de Keek op het Leven. Papa, toen we samen op zondagavond naar VPRO keken, was ik amper een tiener. Ik vond Dirk toen de leukste, de zwalkende clochard die op zijn helderste momenten zijn stijve spiegelbeeld uitkafferde. Maar nu geniet ik vooral van de portrettering van VVD’er Rutte, voor deze amorele gladjanus zelfs maar verscheen op het glasharde, neoliberale politieke toneel van Nederland. Of de ongelofelijk geraffineerde mimiek waarmee de Bie de frustratie toont van een perfectionist die er niet in slaagt om het laatste minuscule onderdeel aan een modelvliegtuigje te plakken. Meesterlijk. Godverdomme. Alles kapot. Alles aan stukken, versnipperd en verscheurd. 

 

Papa, weet je welke primeur vandaag bekend werd gemaakt? Donald Trump wordt als eerste voormalige president aangeklaagd, door een prostituee die lang voor hij president werd een affaire met hem had. Het zwijggeld dat haar uitbetaald had voor hij verkozen werd, is op een nogal onhandige manier in de boekhouding terecht gekomen. Ik weet dat jij Trump hoogstens gekend hebt als malafide vastgoedontwikkelaar en dolgedraaide, racistische mediamagnaat. Pas drieënhalf jaar na jouw dood werd hij president van Amerika. Het is werkelijk waanzinnig, wat er mogelijk is, hoe ver angsten en onvermogen om mee te bewegen de mensen kunnen drijven. Bij de provinciale verkiezingen in Nederland kwam de BBB (nee, niet Borsten, Billen, Buik) als grootste partij in alle provincies uit de bus. Gesponsord door de agro-industrie. Nee, ik mocht niet stemmen en ik ben ook niet van plan om ooit een Hollandse te worden. Mijn tong weigert nog altijd zich in noordelijke bochten en harde klanken te wringen. Maar ik slis wel steeds meer. Dat heeft te maken met wijsheidstanden, die onderhuids invloed uitoefenen, ook al zijn ze nooit doorgebroken. Wijsheid die geen ruimte krijgt, wroet en wrikt maar verder. Dan gaat alles schots en scheef staan en kan je je minder goed vastbijten in wat er toe doet. 

 

Laat ik daarom maar verder ploeteren met het boek. Ik vind het gruwelijk moeilijk, papa, het is heftig om te ontdekken hoe laconiek mijn spiegelbeeld naar me kijkt tijdens het schrijven. Ze haalt haar wenkbrauwen op, zie je dat? Wat een stomme trut is het toch. Zou je mijn spiegelbeeld willen vertellen dat ze haar mond moet houden en dat ze gewoon mee moet schrijven, als mijn duistere schaduw desnoods? Omdat schrijven toch is wat ook zij kan. 


Trouwens, papa, vraag me alsjeblieft niet om mijn taal te laten rijmen. Ik ben weliswaar te verleiden tot enige vorm van symmetrie en evenwicht, maar schrijven is meer dan een streven naar een regelmatig ritme of een mooie slotzin. Taal biedt meer dan eindsommen. Het zou je echt helpen als je daarin zou geloven. Ook postuum. Dan kunnen we in die zeer abstracte toekomst nog vaker samen spelen en rekenen tot in de oneindigheid. 


Jij kan me nog steeds veel leren. Want jij weet zoveel zaken waar ik niets van af weet. Zeker nu, al kunnen we niet met stellige zekerheid beweren dat er nog zoiets is als een door ons gedeelde werkelijkheid.

 

Papa, ik mis je en hou van je,

Marie


P.S. Waarom die afbeelding van een poedelnaakte kabouter met een paard bij een kerktoren? Geen idee, wil jij dat er even bij verzinnen?

vrijdag 25 februari 2022

Nog een brief aan papa (negen jaar later)


 

Dag lieve papa,


‘Help de zee! Heb je al je eigen boodschappentas mee?’ Deze sticker plakt op één van de laatste verkeerslichten die ik onderweg naar de praktijkruimte tegenkom. Vandaag, negen jaar na je overlijden, trok de boodschap voor het eerst écht mijn aandacht. Ik glimlachte even, een moedeloze opwaartse beweging van de mondspieren. Dit is meer een dag van harde hagel dan van het waterzonnetje dat ijs laat smelten. Gisterenochtend is Rusland met grof geweld een oorlog in Oekraïne gestart. Omdat geen enkel woord wil rijmen op ‘oorlog’, zou de sticker die bij deze oorlog hoort misschien zo klinken: ‘Stop het oorlogsgeweld. Heb je al je centen voor inductiekookplaten geteld?’

 

Oorlog maakt machteloos. Het stelt meninkjes op scherp, we kissebissen over de juiste woorden en informatiebronnen, maar kunnen in de kern helemaal niks. We kunnen demonstreren voor vrede, profielfoto’s in de kleuren van de aangevallen vlag omlijsten, heftige documentaires kijken of juist onze ogen sluiten en kiezen voor een extra luchtige film voor het slapengaan. Misschien zijn er nog mensen die nadenken over de quasi ongebruikte slaapkamers in huis. Misschien zijn er anderen die zich schamen over een achtste Russisch bloed en die zich vervolgens schamen voor deze reductionistische gedachte. Misschien groeit de groep mensen die beseft dat wat de natuur nodig heeft, ook echt hetzelfde is wat de mensheid ten goede komt: een duurzame energietransitie. Ik hoop het.

 

We moeten zo snel mogelijk van het gas af, papa. Niet meer boren in Noorwegen of Groningen, geen giftige deals sluiten met een al even moordlustig Amerika en afhankelijk worden van hun ‘fracked gas’. Fucking gas. Fucking wereld. Fucking klotedood.

 

Je weet dat ik cijfers maar moeilijk vind, maar dat ze toch wat houvast bieden. Ik rouw al tellend, ondertussen negen jaar. De oorlog in Syrië begon in 2011, een paar maanden voor de neuroloog vertelde dat ALS je dood zou betekenen. En tja, de oorlog in Afghanistan: wanneer is die al begonnen? De Russen zaten er al toen jij nog broeken met olifantenpijpen droeg. En nee, die eindeloze oorlog is ook zeker niet voorbij. 

 

Mijn zoontje was jouw eerste kleinzoon (er zijn er nu twee), zijn vader mijn grootste liefde sinds jouw dood (er is er, terugblikkend, maar één in mijn leven, maar dat is makkelijk praten achteraf en dus een vorm van geschiedvervalsing). Sinds je dood kwamen er drie nieuwe katten in ons huis – eentje ligt al onder de groene zoden in de achtertuin. Sinds jouw dood is dit de eerste oorlog die potentieel ongelofelijk veel groter kan worden en nog een stuk dichterbij kan komen. Sowieso wordt het de meest voelbare oorlog. En nee, Rutte, niet enkel in de portemonnee. Voelbaar in bestaanszekerheid maar ook in zingeving. Want in de eerste plaats en bovenal groeit de groeiende onvrede met deze wereld en haar vernietigende systemen. Het lijkt bijna oorlog in mijn hoofd. Zo hard knettert het, loodzwaar zinkt mijn hart.

 

Er is na negen jaar zoveel dat ik niet meer met je kan delen. Onze nieuwe meningsverschillen vechten we uit in mijn gedachten, hoogstens gemakzuchtig weergegeven op dit kille scherm. Maar gelukkig gebeuren er ook steeds vaker dingen waarvan ik denk: ‘wat fijn dat papa hiervan gespaard blijft’. De oprichting van Forum van Democratie, toen al actief tegenstander tijdens het Oekraïnereferendum (2015), de vluchtelingenstromen op de Middellandse Zee, de oranje bergen van slechte drenkelingsvestjes, de liefdesverklaring van John Cleese aan Bart De Wever (2019). Ja, er zijn gelukkig ook heel veel gebeurtenissen die je gemist hebt.

 

Vorige week trok je oudste kleinzoon aan de snorharen van Moon, onze jongste en meest speelse kat. Ik berispte hem en zei dat snorharen belangrijk zijn voor katten om hun evenwicht te bewaren. Twee dagen pulkte hij aan zijn prachtige, eindeloze wimpers. Toen ik hem wederom op de vingers tikte, antwoordde hij: ‘Ja, mama, ik weet het, ik heb mijn wimpers nodig om rechtop te blijven en niet om te vallen.’ Lange wimpers en snorharen, manieren om niet om te vallen, momenten om de ogen te sluiten en even weg te dromen. Ik wens ze de mensheid toe en vooral zij die nu in schuilkelders en metrostations nagelbijtend voor hun leven vrezen.

 

Ik geef je in gedachten een wimperkus. Je weet wel, een vederlichte streling van mijn wimpers tegen jouw magere, bebaarde en in de zomer olijfbruine wangen. 


Ik mis je en hou van je.

 

 

Liefs, Marie 

zaterdag 13 april 2019

Afscheidsbrief aan Roland Zeldenrust





Lieve Roland, kanjer,

Je overleed donderdagavond, exact een jaar nadat Jimmy werd aangereden, het wilde, rossige katje dat bij mijn man op schoot kroop in een visrestaurant op Lesbos en dat hij vervolgens in een truttig mandje naar het voor haar veel te keurige, brave Nederland meenam. Een dolende, dollende en liefdevolle geest, steeds klaar om tijdens het spelen vuur te spuwen. Onstuimige Jimmy hield ervan stoute dingen te doen, zoals met haar nagels wild om zich heen slaan tijdens het ravotten en dus ook op een ochtend in april buitelend de randweg oplopen terwijl de auto’s voorbij raasden. En dit jaar ging jij, meneer Zeldenrust, op dezelfde datum, de drummer met de meest geniale en toepasselijke naam denkbaar… Ja, de gedachte dat jullie ronkende, duivelse energieën elkaar gevonden hebben in een nieuwe vorm, brengt troost. Voor beiden voelt de verleden tijd gebruiken naast onwennig ook oneerlijk. Aangezien ik jou niet in mijn tuin kan begraven en geen bizarre, gretig groeiende plant op je lijf kan planten zodat je wildheid in een andere vorm doorleeft, zit er niks anders op dan je aan een razend tempo een laatste brief te schrijven. En voor zover het kan kloppen, klopt dit ook, mijn afscheid aan jou, een ratelende solo in de leegte, geschreven op het ritme van het hart.

Ook al hoorde ik pas vrijdag dat je donderdagavond overleden was, ik wist het donderdagavond intuïtief al. Je zocht me die nacht urenlang op in mijn dromen en vroeg me zelfs of je een gids van me mocht worden tijdens het geven van reikibehandelingen. Die nieuwe samenwerking moest uiteraard op jouw voorwaarden gebeuren: je zou geen blad voor de mond nemen en me steeds de waarheid vertellen, zonder zweverigheid of de stinkende wonden die zachte heelmeesters achterlaten. We lachten onze grote tanden bloot om deze heerlijke tegenstrijdigheid. In de gesprekken met de dode Roland is werkelijk alles mogelijk, onze schaamteloze vriendschap die twee jaar duurde kan verder bestaan in een nog vrijere vorm. Dus tuurlijk mag het, lieve kanjer, natuurlijk mag je een brutale gids van me worden. En ik zal de weinige keren dat ik haring eet, aan jou denken. Ik zal aan je denken met een zilte smaak in mijn mond, of tijdens de meest onverwachte, aardse momenten.

Lieve Roland, shit. Ik voel me verweesd, kan mijn gevoel maar moeizaam duiden, de tranen zijn er maar weigeren voluit over mijn wangen te stromen. Waarschijnlijk was ons contact de laatste vier jaar te verwaterd om nu aan anderen te vertellen dat ik een goede vriend verloor. Maar toch was je mijn vriend, de eerste die nu doodgaat. Er stierven klasgenootjes, leiders van de scouts, vrienden van vrienden maakten een eind aan hun leven, er werden baby’s dood geboren, in de herfst verongelukte een leeftijdsgenoot met wie ik enkele zomers terug naar een huwelijk in Zuid-Frankrijk reisde. Ja, ik ben ondertussen al wel met zo’n dertig doden op Facebook bevriend. Maar dat jij me nooit meer zal zeggen dat je me mist, dat je me nooit meer zal vertellen dat ik stomme keuzes maak, dat je nooit meer zal verklappen hoe bang je bent voor wat komen zal of boos om wat gebeurde, dat je nooit meer zal tikken dat je me wil beschermen en dat ik alles tegen je kan zeggen, dat vind ik nu plots moeilijk om te aanvaarden, ook al was ons contact de laatste jaren erg minimaal.

Er ratelt iets in mijn hart en dat maakt me al twee dagen onrustig. Ik vermoed dat ik je harder mis dan verwacht. En dat is niet verwonderlijk. Je stond heel dichtbij toen het leven me naar adem liet happen, toen ik rilde van de kou en doorholde om de pijn maar niet te voelen. Het begon op het einde van 2012: je stuurde een vriendschapsverzoek op Facebook, toen de wereld toch niet verging, maar mijn vader wel op sterven lag en jij al enkele jaren bezig was met je strijd tegen kanker, je ‘worsteling op leven en dood’. Iets – ik weet niet meer wat - was uit mijn pen gerold en had je aandacht getrokken: daarom wilde je me leren kennen, niet om de gemeenschappelijke vrienden. De klik was er meteen en we deelden veel: een besef van hoe duister het leven is balancerend op de randen van de dood, een wil om te benoemen wat niet klopt, Joodse wortels en intergenerationeel oorlogstrauma, een liefde voor muziek, een haat-liefde verhouding met Amsterdam, een geloof in hoe de passies van mensen de wereld draaiende en brandende houden. Het vonkje was meteen groot genoeg om samen online de diepte in te duiken, niet veel later ook ‘onlife’. We knuffelden elkaar steeds warm en streken bij elke ontmoeting steevast over elkaars benige rug.

Ik ging in de begintijd van onze vriendschap elke week een paar dagen naar mijn vaderland België, om voor mijn papa te zorgen die verlamd was door ALS, toen al voeding kreeg via een sonde en zijn vermogen om te praten kwijt was geraakt. De vastberadenheid waarmee voor mijn vader gezorgd werd, raakte je diep. Je was zelf net aan de dood ontsnapt en je wist hoe relaties in zware tijden in een ander licht komen te staan. Terwijl mijn vriendinnen de luiers van hun baby’s verschoonden, was ik in een wekelijkse strijd met mijn vader verwikkeld, die te trots was om de zorg te aanvaarden die hij in flink hulpeloze staat nodig had. Ik vloekte in de chat, ik wanhoopte en riep met uitroeptekens dat ik het niet meer aankon. Jij luisterde, belde als dat nodig was ook laat in de avond, draaide je geen seconde weg voor de rauwe, onsmakelijke verhalen die ik vertelde. Je was de vriend die er toen het meest voor me was, na slapeloze nachten waarin ik angstvallig luisterde naar de ademhaling van mijn vader was je vaak de enige buitenstaander die bleef vragen of ik in die helse nachten zelf een beetje geslapen had. En ik wist ook wat het zwaarst op jouw schouders drukte.

Een paar weken na het overlijden van mijn vader zocht ik je samen met mijn zus op in het besneeuwde Berlijn. Na afloop droegen alle poppen van je toen vierjarige dochter onze namen. We kregen grauwe tanden van de rode wijn die we samen dronken, we wreven elkaars handen warm, luisterden met je dochter naar icaros uit de Amazone tot ze zacht in slaap viel op je borst. Ik herinner me dat ik toen al de tweestrijd in mezelf voelde die onze vriendschap van in het begin bemoeilijkte. Ik deelde je boosheid en vond het net als jij makkelijker om te zien wat voor de ander goed was dan helder te doen en laten wat voor mezelf nodig was. En toch wilde ik ook streng voor je zijn, de sigaretten uit je handen trekken, je eigenhandig naar kundige sjamanen in de Andes sturen, ik zocht naar manieren om je zo lang mogelijk in leven te houden, je te motiveren nog beter voor jezelf te zorgen, zonder dat ik daarbij te belerend overkwam. Dat lukte amper. En terwijl je in het begin steeds als eerste de boze open brieven die ik schreef las, ging je me na een tijd minder aanvuren en stonden we verder van elkaar: ik postte muziek die jij zielloos vond, jij verkondigde politieke meningen die mij teleurstelden. Nadat ik een keer wat over Nirvana schreef, zette je alle Facebookmeldingen uit. Dat ik naar zo’n ‘oppervlakkige’ muziek luisterde, vond je onbegrijpelijk, of dat maakte je mij en jezelf in ieder geval wijs. Misschien verdroeg je van mij minder omdat je me graag zag, zo gaat dat vaak. Ik heb het je nooit gevraagd. En omdat ik zeker was van onze warme basis, maakte ik me ook niet druk over de afstand die ontstond. Of toch te weinig, denk ik nu.

Nadat je twee jaar lang heel trouw de wisselende berichten over je oorlog met de zich door je lijf verplaatsende en soms tijdelijk verdwijnende kanker met me deelde, werd het stiller. Toen ik stapelverliefd werd op de man die nu de vader van mijn kind is hadden we al geen contact meer. Ja, toen ik eindelijk de man vond die je me gunde, konden we samen ook niet langer lachen om mijn mislukte romances. Ik wilde niet meer boos zijn en zeker niet meer op jou. Ons contact stokte, je reageerde niet meer op mijn laatste berichten en ik kreeg enkel nog op je tijdslijn hoogte van de stand van zaken. Met pijn in het hart las ik hoe de kanker de laatste jaren verder woekerde, hoe je strijdvaardigheid steeds meer terrein verloor aan het onvermijdelijke.

Lieve Roland, uiteraard is deze brief een surrogaatkus, een lapkus. Dat snap je toch wel? Uiteraard zou ik je het liefst nog een keer in mijn armen hebben gehad. Maar dat kan nu niet meer, ouwe rakker. Beloof je me snel nog eens te komen spoken in mijn dromen? Wees dan wel voorzichtig als je uit het raam van mijn slaapkamer glipt. Op de randweg rijden de auto’s hard. Ik weet te weinig over het leven na de dood om uit te sluiten dat spoken harde klappen kunnen krijgen. Kom gerust onaangekondigd langs, of als ik geroffel op de deuren hoor, zal ik weten dat het jouw drumsticks zijn.

En weet dat ik je naast rust ook toewens wat je gretige hart wil. Desnoods een mooie portie rusteloosheid, desnoods de kans om steeds opnieuw te dolen en thuis te komen bij wie jou liefheeft. Ik ben één van die velen, niet ondanks, nee, zonder gemaar, zonder concessies. Lieve meneer Zeldenrust, ik zie je graag. En nu rest me niks anders dan je vaarwel te zwaaien met deze pen van mij, die vanavond geen wapen, maar een veer is waar droeve inkt uit druipt.

Sterkte ook aan je nabestaanden, je kinderen, je moedige geliefde die je zo bleef steunen en verzorgen, je vrienden, al wie zich aan je vuur kon warmen en mocht branden.

Dikke kus, kanjer,
Ik heb je lief,

Marie
x

donderdag 25 februari 2016

Nog een brief aan papa (drie jaar later)



Lieve papa,

Ik heb deze week te luid gepraat en draag een constant gapende honger met me mee, de honger van een panter die rusteloos langs tralies draalt. Dit wijst net als wijde pupillen op vermoeidheid, op adrenaline in overdrive, op nood aan vakantie. Maar het is ook verwant met wat vandaag onvermijdelijk alweer drie jaar geleden is: jouw dood. En dat het - tegen alle onderhuidse, standaard rouwregels in - nog steeds af en toe verschrikkelijk zwaar is om daar ruimte voor te maken en het verdriet te delen. Ik doe wat ik kan en maak er maar weer een verhaal van.

In Amsterdam valt je sterfdatum samen met de herdenking van de Februaristaking in 1941. Of de eenmaligheid van dat gebeuren in de oorlog een blijk is van heldenmoed, of net van lafheid, ach, laten we deze vraag behendig omzeilen. Deze brief wil liever nog eens onderzoeken hoe verdriet voelt, ook drie jaar later, omdat ik nog steeds rouw en dat doe in een wereld die de dood het liefst negeert, het leven mijlenver boven de dood plaatst. Je sterfdatum valt overigens ook bijna, op drie dagen na, samen met een volle maan die ‘sneeuwmaan’ wordt genoemd. De waarheid van de sterren doet er in deze geschreven speelruimte niet toe. Als ik over je dood schrijf, vind ik enkel gevoel, een sneeuwmaan en oud zeer dat op moeizame dagen nog altijd een overweldigend kluwen vormt. Ik sluip soms als een kat rond het verdriet, wil het bij zijn nekvel grijpen, verlammen, tracht het voor te zijn door het in de kiem te smoren. Maar ook dat nekvel blijkt het mijne te zijn, het kippenvel, het verdriet, de kousenvoeten, het lawaai: ik ben het allemaal. Elk beeld schiet tekort en flitst zijn doel voorbij. Alles is lachwekkend waar en tot in de onbenulligheid vaak herhaald.

Vandaag werden rukwinden afgewisseld door lichte sneeuwval, stil strelende regen, dan weer felle zon. Het weer ging echt alle kanten op en ik stak onbewust mijn tong uit toen ik tussen twee schoolgebouwen over straat liep, ving een smeltende sneeuwvlok op, en daarna nog één. Ik lachte om de eenvoudige smaak van water, om mijn eigen schaamteloze gedrag. Verdriet maakt ouder, maar soms ook een beetje minder volwassen. Alleen kinderen en dieren steken toch hun tong uit als ze daar zin in hebben? In jouw nabije afwezigheid ben ik beide. Ik vond het natuurlijk ook schoon, dat het uitgerekend vandaag sneeuwde. Want sneeuw, dat is bergvakantie. Dat zijn de skiliften van februari, hoogtevehikels waarin we jaar op jaar tussen tijd en ruimte zweefden, herinneringen ophaalden, terugblikten op het voorbije jaar en een balans opmaakten die toekomstbestendig was. Sinds drie jaar maak ik die balans zonder jou op, voor het eerst ben ik in Amsterdam op je sterfdatum, voor het eerst voel ik vandaag voorzichtig dat een open wonde langzaam dicht lijkt te groeien. En toch weet ik me weer geen houding te geven.

Er is één weerbarstig toeval waar ik een uitgesproken mening over heb: je sterfdatum valt samen met de uitbreiding van het Facebookduimpje. Naast de ‘like’ is er nu een hartje. Daarnaast is er een smiley die met open mond de ogen dichtknijpt en een smiley die misschien dood is, of met volle goesting aan orale seks wil beginnen. Ik weet het niet goed wat ze moeten voorstellen, voor welk gereduceerd gevoel ze moeten staan. Er is ook nog een mannetje dat links een traantje laat (of rechts, het is maar met welke ogen je kijkt) en een ander wezen dat last lijkt te hebben van een rood aangelopen schedel, misschien omdat hij net als wij vaak op z’n hoofd krabt.

Wat moet ik met die mannetjes, papa? Zijn ze niet gruwelijk obsceen in hun simplisme? Laat ik even één beeld doortrekken. Stel dat verdriet in deze brief sneeuw is die op je tong smelt. Delen we het verdriet dan als we zeggen: ‘Hé, wist je dat sneeuw water wordt op je tong?’ Nee, dat heet herkenning. Die herkenning konden we al kwijt met een ‘like’; een gebaar van aandacht dat volstond zonder meteen te betekenen dat iets in de kern gedeeld en begrepen wordt. Want als je écht met elkaar wil delen, dan moet je openstaan voor wat anders voelt. En die verschillende sneeuwkristallen, het unieke aan verdriet, daar zijn geen smileys voor. Zolang we mens zijn, papa, rest ons nog zoveel dat enkel met fijne kanttekeningen verteld kan worden, met engelengeduld en soms duivels veel moeite. We hebben taal nodig die grenzen opzoekt, ruimte biedt. Daarmee wordt alles bespreekbaar: naast verdriet ook het grootste verschil. Jij snapt het wel, dat ik je daarom brieven blijf schrijven… voorbij de herhaling alle beelden samen probeer te brengen tot ik er vat op krijg en ze met mezelf deel.

Ik ga afsluiten en naar ons favoriete Dylan-liedje luisteren. De dichter Dylan bezingt in The Ballad of Hollis Brown het verhaal van een hongerige man die zo radeloos werd van de armoede dat hij zijn vrouw en kinderen vermoordde. There’s seven people dead on a south Dakota farm. Somewhere in the distance there’s seven new people born. Het gaat maar door, daar is geen enkele smiley tegen bestand, papa. En dat onontkoombare, dat steeds maar terugkerende, dat vormt één van de vele universele verhalen die door hart en ziel snijden, als je met je dochter door bergwegen slingert en naar cassettebandjes luistert, terwijl buiten de kou een gevecht levert met de zon die door wil breken.

Ik mis je. Godverdomme. Ik vloek in duizend talen vandaag. Ik heb je blasfemisch lief.

Kus,
Marie



P.S. Lieve meelezers, laat die virtuele tranen dus maar links liggen. Vertel me liever over jouw bergen, uitgestoken tongen, kristallen. Of deel muziek met elkaar, die stil doet vallen.

Populaire berichten