Dat het leven geen sprookje is, weet ik al heel lang. Misschien kwam het eerste besef toen ik in de tuin van mijn grootouders velletjes van de berkenstam trok. Terwijl mijn grootvader, een wijze oud-strijder, in de moestuin de grootste pompoen van Edegem probeerde te kweken, keek ik ontzet naar mijn vingers, die de ranke stam uitkleedden zonder dat ik dat wilde. ’s Avonds kon ik niet slapen. Mijn klasgenoten staken slakken in brand. Mijn grootmoeder zweeg over haar dode zusje.
Nu weet ik stilaan ook dat ik me moet beschermen tegen de archetypes die sprookjesfiguren zijn. Dat gaat veel verder dan het hokjesdenken over man en vrouw. Daar weet ik me, als ik niet boos ben, nog best goed tegen te wapenen. Maar de sprookjesfiguren die in mijn leven voorbij komen, zijn een moeilijker geval. Laat het een les worden dat ze me altijd pijn doen. En dat enkel hij die in geen enkel vormpje past goed voor me kan zijn.
De eerste die mijn hart brak, was de Grijsaard. Hij was maar zes jaar ouder dan ik en had een jonge buik, maar ik herinner me de gesprekken over later, als hij grootvader zou zijn. Een boek, een pijp, een glaasje wijn. Op mijn favoriete foto van hem leunt hij voorover en trekt peinzend aan een sigaret. Toen hij inzag hoe turbulent mijn hart nog was – ik was net achttien – brak hij het. Hij komt gemiddeld twee keer per jaar in mijn dromen voor. Dromen waarin ik me steeds geborgen voel. De dag dat ik voor het eerst zijn naam niet uitsprak, kwam pas vijf jaar later, toen ik het tweede sprookjesfiguur ontmoette.
De Grote Boze Wolf was een geval apart en veruit de mooiste. Donkere ogen die steeds droevig stonden, nadat hij bekende een dier te hebben gedood. Die bekentenissen waren loodzwaar. Hij verbood me erover te schrijven, stal de weinige woorden die uit me sijpelden en paste ze rillend aan. Meubels schoven centimeters op als we samen waren. Het waren drie wilde jaren van draaikolken, verzingend verlangen en bedrog, bloedgeile onbereikbaarheid en krassen in een rug. Van schuld en boete, smeekbedes. Toen hij met een mes in zijn polsen sneed, stak ik een sigaret op. De opluchting die ik voelde, borrelde op als een schaterlach. Een week later was ik al best goed genezen.
Toen kwam Peter Pan. Hij dook op in een feestmassa, leidde me er doorheen en lachte toen ik onderweg de Grote Boze Wolf in zijn kloten stampte en de Grijsaard bij zijn tengere schouders greep. Aan het eind van de massa ging hij in kleermakerszit op de klinkers zitten en nodigde me uit om me op zijn spontane schoot neer te vlijen. Ik stelde voor om een ei te bakken maar we eindigden in bed en hij huilde in mijn oor. Bij Peter Pan zingt het licht, maar in het donker vindt hij de schakelaar niet. Peter Pan houdt van verstoppertje spelen. Hij is vingervlug, sierlijk en doodsbang. Terecht misschien. Was hij een jong katje geweest, ik had hem in een emmer water gezet en een deksel op zijn kop gezet. Maar hij is geen kat, hij is Peter Pan. En Peter Pan laat je buiten spelen, terwijl je zijn oorlogen voert.
Nu is het mijn beurt, Peter Pan, om in jouw oor te huilen. Hier kom je niet onbeschreven vanaf.
Posts tonen met het label Grote Boze Wolf. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Grote Boze Wolf. Alle posts tonen
maandag 2 januari 2012
zondag 25 april 2010
De Grote Tedere Revolutie
Lang, lang geleden, in een tijd waarin grote wolven nog betrouwbaar waren, lag er een meisje met haar oor op een grote, harige borstkas te luisteren naar een lied. Het was 25 april. En dat was een dag waarop de wolf en het meisje geen tijd hadden voor strubbelingen in eigen of ander hart. Neen, op die dag zwollen hun harten en ontstond er diep vanbinnen een geluid, dat via de luchtpijp met een hevige kracht naar boven werd gestuwd. Het meisje luisterde op de borstkas heel stil naar de verhalen die de wolf vertelde, over soldaten met rode anjers in de lopen van hun geweer. Haar ogen werden vochtig toen ze ook een berichtje van haar vader kreeg, die vroeg of ze er wel aan dachten. Dat het die dag de verjaardag was van de Grote Tedere Revolutie. Uiteraard wisten ze dat, daarom maakten ze van hun handen een schelp en schepten brokken droge aarde over hun strijdbijl. En deden ze de hele dag niet veel meer dan luisteren naar de geluiden die hun lichamen maakten.
De strijdbijl van het meisje en de wolf ging echter elke dag meer glanzen en werd uiteindelijk zo scherp, dat de draad die tussen hun harten liep, bruusk doorgesneden werd. Jaren later heeft het meisje nog maar weinig pijn, maar ze heeft wel een scherpe neus voor andere wolven gekregen, die ze nu hartsgrondig kan verachten. Daar wordt ze nog steeds erg droevig om. Want hartsgrondig wantrouwen en verachten, dat is wel nodig, maar minder fijn dan luisteren naar het borrelen van een wolvenbuik. Spijtig genoeg cirkelen de wolven ook steeds om de vrouwen waar het meisje het meest van houdt. En er is veel vuur en kracht nodig om de wolven weg te jagen.
Maar vandaag luistert ze nog een keer naar het lied dat haar terug bij het oude geborrel brengt. Want 25 april is een krachtige dag, waarop er tijd is voor mooie herinneringen. Voor één keer zet ze haar roze bril op. En ze stelt zich voor dat ze ook hier voetstappen hoort weerklinken. Als ze naar buiten kijkt, ziet ze een lange stoet soldaten marcheren, met anjers in hun geweren. Ze slepen aan een touw een paar verfomfraaide wolven met zich mee, die met lede ogen hun verdiende lot aanzien. De stoet zwelt aan, kinderen dansen, de vrouwen klappen in hun handen en met een zweem van verbijstering om de lippen trekt de stoet naar Brussel. Want al dat gekrakeel, al die navelstaarderij, de valse pronk en slappe praal, het geblablablaat, daarmee moet toch eens stilaan komaf gemaakt worden. Op een Grote Tedere Manier.
Em cada esquina um amigo. Em cada rosto igualdade.
De strijdbijl van het meisje en de wolf ging echter elke dag meer glanzen en werd uiteindelijk zo scherp, dat de draad die tussen hun harten liep, bruusk doorgesneden werd. Jaren later heeft het meisje nog maar weinig pijn, maar ze heeft wel een scherpe neus voor andere wolven gekregen, die ze nu hartsgrondig kan verachten. Daar wordt ze nog steeds erg droevig om. Want hartsgrondig wantrouwen en verachten, dat is wel nodig, maar minder fijn dan luisteren naar het borrelen van een wolvenbuik. Spijtig genoeg cirkelen de wolven ook steeds om de vrouwen waar het meisje het meest van houdt. En er is veel vuur en kracht nodig om de wolven weg te jagen.
Maar vandaag luistert ze nog een keer naar het lied dat haar terug bij het oude geborrel brengt. Want 25 april is een krachtige dag, waarop er tijd is voor mooie herinneringen. Voor één keer zet ze haar roze bril op. En ze stelt zich voor dat ze ook hier voetstappen hoort weerklinken. Als ze naar buiten kijkt, ziet ze een lange stoet soldaten marcheren, met anjers in hun geweren. Ze slepen aan een touw een paar verfomfraaide wolven met zich mee, die met lede ogen hun verdiende lot aanzien. De stoet zwelt aan, kinderen dansen, de vrouwen klappen in hun handen en met een zweem van verbijstering om de lippen trekt de stoet naar Brussel. Want al dat gekrakeel, al die navelstaarderij, de valse pronk en slappe praal, het geblablablaat, daarmee moet toch eens stilaan komaf gemaakt worden. Op een Grote Tedere Manier.
Em cada esquina um amigo. Em cada rosto igualdade.
dinsdag 30 september 2008
G.B.W. nogmaals
Ze kende ooit een jongen. Men noemde hem een Man. Hij vond zichzelf maar klein. En daarom harkte hij de bloemen uit haar handen. Hij beminde met schuim op de lippen en hield van schouders breken. En beloven dat er vleugels komen. Temde zijn angst door dromen omver te lopen. Daar lag het paard gekanteld in het bos. Rond het lijk groeien zwammen.
Toen gooide hij haar armen weg en schrok hij centimeters op. Een huilend gebrek aan rechtmatigheid. De eigenaar, verward, fluisterde hem klein en ongeschonden. Dichtte ogen toe. ’s Ochtends gaven ze elkaar weer sprookjesnamen. Want de uren na de strijd waren roze en veelbelovend. Na het paard kwamen er drie zonen met wilde haren, een dochter met een blik die door water brak. Ze streelden elkaars spieren, bouwden denkbeeldige huizen aan het water. Ze stonden stijf. En rond het kadaver zwommen sterren.
In tijden van stilte is het enige dat uit mijn pen rolt blijkbaar veeleer van therapeutisch van aard. En ach, dat mag ik delen, want het valt te relativeren en de tijdschriften overtuig je hier niet mee. Moeilijke mannen uit het verleden lenen zich misschien goed als literaire obsessie, in het echte leven spoel je ze makkelijk door met goede wijn en nieuwe verhalen.
Tot zover dus, tussendoor bereid ik me voor op m'n nieuwe job, jaag ik er stapels verbeterwerk door en speel ik zinledige computerspelletjes. Daarnaast betreur ik de dood van de zomer en ben ik blij geen aandelen te bezitten. Arrivederci !
Toen gooide hij haar armen weg en schrok hij centimeters op. Een huilend gebrek aan rechtmatigheid. De eigenaar, verward, fluisterde hem klein en ongeschonden. Dichtte ogen toe. ’s Ochtends gaven ze elkaar weer sprookjesnamen. Want de uren na de strijd waren roze en veelbelovend. Na het paard kwamen er drie zonen met wilde haren, een dochter met een blik die door water brak. Ze streelden elkaars spieren, bouwden denkbeeldige huizen aan het water. Ze stonden stijf. En rond het kadaver zwommen sterren.
In tijden van stilte is het enige dat uit mijn pen rolt blijkbaar veeleer van therapeutisch van aard. En ach, dat mag ik delen, want het valt te relativeren en de tijdschriften overtuig je hier niet mee. Moeilijke mannen uit het verleden lenen zich misschien goed als literaire obsessie, in het echte leven spoel je ze makkelijk door met goede wijn en nieuwe verhalen.
Tot zover dus, tussendoor bereid ik me voor op m'n nieuwe job, jaag ik er stapels verbeterwerk door en speel ik zinledige computerspelletjes. Daarnaast betreur ik de dood van de zomer en ben ik blij geen aandelen te bezitten. Arrivederci !
vrijdag 23 mei 2008
Vandaag bedacht
1. Bert André is dood. Al even, maar ik schreef nog niets. Hij blijft in mijn hoofd hangen als de beste Othello. Naast de make-up die wel erg theatraal van zijn bezwete aangezicht liep (denk aan de bakker verkleed als zwarte piet, we schrijven '85), viel er niets op zijn vertolking aan te merken. Ik was een jaar of vijftien en bleef dagen woordeloos. Zo sterk was het.
2. Studenten kampen met hun blok, ik voeg er een c aan toe en ben bang om wat ik schreef aan anderen te laten lezen. Ze kunnen het zoveel mooier verwoorden, lijkt wel.
3. Ik was drie nachten zwanger van een ster. Of misschien dacht ik dat maar. Hoe het ook zij, ik kon niet slapen.
4. Het is vreselijk om onuitgeslapen (zie ster) poëzie te geven aan vijf pubers. Als ze lachen om mijn enthousiasme, krijg ik tranen in mijn ogen. Ik had het liever omgekeerd gezien.
5. Ik los liever examens op dan ze op te stellen. Maar ergens ben ik blij, deze block tenminste ergens aan toe te kunnen schrijven.
6. Mijn kat houdt niet van tonijn en ruift verschrikkelijk. Zou er een verband tussen beiden zijn?
7. Als een spin die eenzaam in haar eigen web verstrikt en ogen en poten sluit. Zo dacht ik aan jou.
2. Studenten kampen met hun blok, ik voeg er een c aan toe en ben bang om wat ik schreef aan anderen te laten lezen. Ze kunnen het zoveel mooier verwoorden, lijkt wel.
3. Ik was drie nachten zwanger van een ster. Of misschien dacht ik dat maar. Hoe het ook zij, ik kon niet slapen.
4. Het is vreselijk om onuitgeslapen (zie ster) poëzie te geven aan vijf pubers. Als ze lachen om mijn enthousiasme, krijg ik tranen in mijn ogen. Ik had het liever omgekeerd gezien.
5. Ik los liever examens op dan ze op te stellen. Maar ergens ben ik blij, deze block tenminste ergens aan toe te kunnen schrijven.
6. Mijn kat houdt niet van tonijn en ruift verschrikkelijk. Zou er een verband tussen beiden zijn?
7. Als een spin die eenzaam in haar eigen web verstrikt en ogen en poten sluit. Zo dacht ik aan jou.
dinsdag 12 februari 2008
In memoriam Rachel Souritz (bomma Mart)
Eigenlijk is het op dit schrijfmoment net geen elf februari meer. Wel twee-duizend- en-(n)acht. Raar hé, we dachten toen echt dat satellieten rond onze oren zouden vliegen. Maar nee, jij bent gewoon tien jaar dood en ik stotter nog steeds. Ik leer ieder dag onnodige regels bij, en waar ik echt in wil geloven verdwijnt zo nu en dan achter de sterren.
Meisjelief, wat is dat missen soms hard. Mijn slapen knellen, mijn bloed stolt in stukken op dit blad. Geen compassie he. Dat laatste is al goed genoeg. Daar vullen we makkelijk dromen mee.
Seg, lachen we samen even die brekende tekens uit dat vorige deel weg, bomma? De adem van jouw broer en zus in gaskamers. We lachen ze weg en daarna klauwen we naar mijn Grote Boze Wolf. Hij was niet lief, bomma. Hij heeft mij pijn gedaan.
Ringen van een boom. Jouw rimpels die ik krijg. We blijven lachen tot kersen uit de bomen vallen, vogels op ons hoofd kakken. Samen heksensoepjes brouwen, dat wil ik. In een verroeste bak met twee takken om te roeren. Of één stok en vier krachtige handen. Basis: modder en Dreft, slakken, knollen en een handvol rode aarde. Zo draait de aarde weg. De bladzijde om. Zijn slangenhuid verpulvert op de grond. Enkele spreuken zijn krachtig genoeg.
Ik ga slapen, liefste. Je vraagt me om te dromen. En ik heb nog een heel leven om je rug te eren. Het strelen van mijn haar. Jouw geur. Je ogen, je vuur. Ik mis je.
Een oude witte vrouw die langs de oevers van mijn wereld vaart. Waar ik tot rust kan komen. Als de inkt op is zijn er geen bonkende slapen meer. Dan kom ik tot rust. Bij jou.
Meisjelief, wat is dat missen soms hard. Mijn slapen knellen, mijn bloed stolt in stukken op dit blad. Geen compassie he. Dat laatste is al goed genoeg. Daar vullen we makkelijk dromen mee.
Seg, lachen we samen even die brekende tekens uit dat vorige deel weg, bomma? De adem van jouw broer en zus in gaskamers. We lachen ze weg en daarna klauwen we naar mijn Grote Boze Wolf. Hij was niet lief, bomma. Hij heeft mij pijn gedaan.
Ringen van een boom. Jouw rimpels die ik krijg. We blijven lachen tot kersen uit de bomen vallen, vogels op ons hoofd kakken. Samen heksensoepjes brouwen, dat wil ik. In een verroeste bak met twee takken om te roeren. Of één stok en vier krachtige handen. Basis: modder en Dreft, slakken, knollen en een handvol rode aarde. Zo draait de aarde weg. De bladzijde om. Zijn slangenhuid verpulvert op de grond. Enkele spreuken zijn krachtig genoeg.
Ik ga slapen, liefste. Je vraagt me om te dromen. En ik heb nog een heel leven om je rug te eren. Het strelen van mijn haar. Jouw geur. Je ogen, je vuur. Ik mis je.
Een oude witte vrouw die langs de oevers van mijn wereld vaart. Waar ik tot rust kan komen. Als de inkt op is zijn er geen bonkende slapen meer. Dan kom ik tot rust. Bij jou.
Abonneren op:
Posts (Atom)
Populaire berichten
-
Woord vooraf: Deze brief kreeg de meeste reacties ooit op Huiverinkt, maar nooit een antwoord van de geadresseerde. Uiteraard werd ik op Gee...
-
Bepakt met een tas vol poëzie verliet ik gisteren de pendelbus die me naar het festivalterrein van het uitverkochte Beyond-festival in...
-
Lieve papa, Je weet dat het voor mij niet moeilijk is om woorden te vinden. Wel om ze te schrappen. Wat vertel ik nu? Voor een...
-
Op mijn bureaublad staan twee gedichtenmappen: 'Klaar ofzo' en 'In progress'. Spijtig genoeg is de laatste map veel groter d...