Dag lieve papa,
Overmorgen ben je
tweeënhalf jaar dood. Het is alweer een half jaar geleden dat ik jou een brief
schreef. In de plaats van ‘jou’ tikte ik eerst ‘u’ en ‘ne’ verving ik toch maar
door ‘een brief’. Ik heb een maand lang met een Belgische vriendin
rondgetrokken, dus is het even zoeken naar de taal waarmee ik jou geloofwaardig
kan schrijven, maar ook mijn Nederlandse lezers bereik. Het is trouwens echt waar,
wat ze zeggen over tijd, dat die wonden heelt. En ook wat ze zeggen over rouw,
dat die door tijd zachter gemaakt wordt. Ik geloofde het anderhalf jaar lang
niet, het klonk onnozel, banaal, gevoelloos zelfs. Nu blijkt het toch waar te
zijn: wat eerst als een schrijnend gat voelde, voelt steeds meer als een onmiskenbare
aanwezigheid en minder als scherpe pijn. Ook op de meest sceptische dagen ben
je kruimels op een bospad. Zo’n bospad waar jij het liefst expres verdwaalde,
de verkeerde weg die je verkoos.
Ik ben terug uit Indonesië.
Ik stopte bij vertrek onder andere een nieuwe laptop in mijn rugzak, een
goedkoop, klein ding dat meteen ook een tablet is. Zo eentje waarmee jij op het
einde om water vroeg, op de verpleegsters vloekte en met de laatste kracht in
je vingers je memoires typte. ‘Hoe was Indonesië?’ vragen mijn vrienden en
collega’s. Of ik de sfeer nog weet vast te houden. Het zijn moeilijke vragen. Schrijven
heb ik de hele reis niet gedaan. Dat komt ook door de zon. En het tempo van het
reizen, staccato, weinig komma’s, nooit drie punten… Schaduw en tijd: zonder
kan mijn pen niet schrijven. Hoewel. Ik zit tegen de zon in te schrijven op een
Amsterdams balkon en draag een bikini die ik ook al in de zomer van 2000 had.
Toen hebben we beiden veel gelezen op het terras van dat Toscaanse huisje. En jij
maakte een grap over de wonderlijke natuur, die jou neutraal naar het lichaam
van je dochters liet kijken. Ik had liefdesverdriet en las Eriek Verpaele, een tedere,
verdwaalde schrijver die deze zomer doodging.
Of ik veranderd
ben? Mijn haar is wonderbaarlijk lang. Een cadeautje van de tropen. Ik denk dat
ik het nog even laat zijn, voor het eerst in mijn leven eens kijken hoe ver ik
op dat vlak kan groeien. Maar ter zake nu. Indonesië. Of beter gezegd: Bali en
Flores. Flores is een stuk armer, ruwer en ongerepter. Een overwegend katholiek
eiland, al is deze religie ook daar vermengd met een flinke scheut animisme. De
doden worden voor hun huizen begraven, tussen de kolen en wortelvelden. Een wortel
is trouwens gewoon ‘wortel’ daar. Net als ‘notaris’ en ‘dokter’. Beide figuren
die onlosmakelijk met de dood verbonden zijn, net als de wortel geïmporteerd? Het
zou kunnen. Gelukkig heeft de westerse manier om met de dood om te gaan, of
beter gezegd het onvermogen daartoe, weinig invloed op Indonesië.
In Bali werden we
door de yogaleraar uitgenodigd om een massacrematie mee te maken. Eén ding werd
ons op het hart gedrukt: ‘niet huilen’. Het is een feest en foto’s maken wordt
aangemoedigd, maar droevig zijn is totaal ongepast. Toen ik op sociale media foto’s
deelde van de kleurrijke offers en de botten van veertien overledenen die met
behulp van een gasbrander naar een volgende leven werden geblazen, waren de
reacties verontwaardigd. Te intiem voor ons? Te onbeschaamd? Maar wat is het
kader waarmee we kijken? Daar zaten de kinderen op maïskolven te kauwen terwijl
ze gebiologeerd naar de brandstapel staarden. Na afloop stortten de
familieleden zich uitgelaten op de verkoolde botten. Ik weet niet wat ze
precies zochten in de assen, maar het trof me hoe klinisch wij in vergelijking
met de dood omgaan. Hoe weinig fysiek.
Toen je opgebaard
lag, ben ik niet gaan kijken. Ik geloofde zo ook wel dat je dood was en ik
snapte het niet, naar een grauw lichaam gaan kijken dat niet op mijn vader leek.
Ik heb je ook niet zien sterven. Ik weet niet of je alleen wilde zijn, ons
wilde sparen, of dat het toeval was. Maar toen we je assen zouden begraven, werd
mijn verdoofde lichaam plots wakker. Na een week lang alles op automatische
piloot beleefd te hebben, verdroeg ik het plots niet dat die rare doodgravers
ook die handeling uit onze handen namen. Tegen ieder protocol in heb ik je assen
zelf naar de put gedragen. Misschien had ik je lichaam ook wel willen dragen. Naar
een vuur. Als ik ergens anders was opgegroeid, als ik had begrepen wat ik nu
weet of van nature in andere dingen had geloofd.
In ‘Kom hier dat ik
u kus’ van Griet Op de Beeck verliest een Vlaams meisje van negen haar moeder
in een auto-ongeluk. De eenzaamheid waarmee ze overvallen wordt, liet al na een
paar pagina’s tranen uit mijn ogen vloeien. Wat een gedoe is het toch, de dood,
hier in het westen. We vechten erom en verdringen het. Rond dit machteloze
taboe dat door iedereen anders benaderd wordt, ontstaan nieuwe emoties. Zoals
jaloers zijn op verdriet dat je zelf niet kan voelen of op ruimte die je niet kreeg of nam. Eigenlijk denk ik na een maand Indonesië vooral daarover na.
Of die rare emoties daar ook bestaan, of ze zich daar ook als een virus
vermenigvuldigen en zich niets van bloedverwantschap aantrekken. Ik denk nu dat
ik het fijn zou vinden. In een vuur staren en op maïskolven knauwen. Mijn doden
zingend naar de rivier brengen.
Indonesië. Ik
snap niet zo heel veel van het land. Het was, tja, anders. Maar de reis maakte
ook België vreemd. En Nederland. Ik vind het niet erg. Ik zal erover schrijven
en ze zullen het begrijpen.
Dikke kus,
Marie