donderdag 6 mei 2010

Wodka en baardharen

Hijgend ploffen ze hun propvolle tassen op de bank. Fijn toch, dat die trein naar Oostende wil wachten op de grote broer uit Nederland. Dat is nou eens typisch, lief Belgisch. Ze zoeken adem om verder te kunnen praten. Na die paar jaar begint Gent bijna net zo thuis te voelen als Amsterdam, hoor ik hen zeggen. Mijn zwellende hart voelt zich stilzwijgend verbonden. Al is het een omgekeerde reis, ze is op veel vlakken gelijk. Het ene meisje vraagt aan het andere of ze die Irish pub kent aan het water. Aan de achterkant van de Fnac. En dat het eten zoveel duurder is. Kwetter kwetter kwater.

Vijf minuten later zwaaien beide helften van de treindeur open. Een lange man valt in één beweging op het stoeltje tegenover mij. Ik bespeur een dranklucht. Het gangpad scheidt hem van de twee dames, meer dan schaamte alvast. Want meteen staart hij hen aan als een holbewoner die twee marsvrouwtjes uit de hemel zag vallen. Zijn adamsappel gaat driftig op en neer. Met zijn vingers tokkelt hij op zijn groezelig houthakkershemd. Plots kijkt hij mij aan. Ik duik weg achter mijn boek. Pfieuw, hij lijkt zijn woorden in te slikken. Over de bladrand verschijnen twee waterige ogen en rode kaken met grote poriën. Hij lijkt een beetje op Raymond Van het Groenewoud. Maar dan ros, verslaafd en erg versleten. De plaatsvervangende schaamte groeit gestaag.

De conducteur komt langs. Hij moet de man op zijn schouder tikken, aangezien deze opnieuw volledig gebiologeerd naar vier Hollandse tieten aan het kijken is. De man protesteert. “Ge hebt mij toch zien zwieren in Baaarchem, he menier. Get mij niet gezien, maar ik goni bijbetalen want keb naar u gezwierd.” Het luchtje en de dubbele tong lijken in zijn voordeel te werken. De conducteur ruikt onraad en laat de man snel drie euro betalen, zonder meerkost. Hij werpt een snelle blik op de gele kaartjes van de meisjes, vergeet mijn ticket te vragen en maakt zich snel uit de voeten. Angsthaas. Niet hij, maar zij en ik zitten ermee!

Het ouwehoeren gaat ondertussen onverstoord verder. Plots trekt het stevigste meisje de rits van haar tas open. Ze graait een flesje wodka uit de onderkant van de tas en toont het ding gniffelend aan haar vriendin. “Dan hoeven we morgen geen geld uit te geven.”

De ogen van de man groeien. Het getokkel wordt net als zijn ademhaling heviger. Ik hou mijn hart vast. Plots roept hij “Weeral zat vandenavond!”. De meisjes kijken hem perplex aan. “Excuseer”, zegt de stiltste, “sou u dat nog een keejtje villen herhalen?” Ik word kleiner, kleiner, kleiner. Met de achterkant van mijn treinbiljet in de aanslag, zoek ik haastig naar een pen in mijn handtas. Ik schrijf liever dan te tolken. “Weeral zat vandenavond!!!!!” brult de man nog een keer. Het getokkel houdt even op. De meisjes zoeken elkaars blik, nog steeds onbegrijpend. “Dat belooft wat voor vanavond, denk ik” fluistert de magere. “Oh, zulke wilde plannen hebben we niet hoor!” antwoordt haar reisgezel vrolijk. De trein remt. Dronkenman stapt uit. De meisjes praten weer verder over winkelprijzen. De man heeft blijkbaar geen enkele indruk nagelaten.

De stevigheid van hun cocon verbaast me meer en meer, dus ik pen naarstig de spraakverwarring neer, teken dan een snor en de diepe lijnen tussen zijn neusvleugels en mondhoeken. Opgelucht haal ik adem. Tot ik mijn nieuwe overbuurman opmerk, die tijdens mijn schriftelijk verwerkingsproces moet zijn opgestapt. Hij is donker en heel erg groot. Hij trekt een baardhaar uit zijn linkerkaak, terwijl hij me strak aankijkt. Dan glijdt zijn hand naar de rechterwang. Ook daar trekt hij met geweld een haar uit zijn huid. Ik sla mijn ogen neer. Hij herhaalt de handeling. Nog eens. Agressiever. Nog eens. Harder. Van Sint-Niklaas tot Gent. En hij weet maar al te goed hoe dwangmatig hij dit doet. Hoe ik het zie. Hoe hij weigert te stoppen. Omdat hij het recht denkt te hebben. En eigenlijk ook heeft.

Populaire berichten