woensdag 1 november 2017

Gedicht 246 van de Dagelijkse Gedichten (de Syrische baby)


246
  
Drie maanden oud ben je en zo klein en licht als een pasgeborene,
niet eens zoveel groter dan het wezen dat tussen groeispurten
door tegen mijn ribben stampt. Je grote ogen gaan voorbij
aan elke grens of leeftijd, wijze kijkers die in hun vragende onbevangenheid
het vuur spiegelen dat in me woedt, de zachtheid waarmee ik je wil beschermen,
de onmacht waarmee ik je vasthoud, wetende dat je vanavond
– gelukkig met een dekentje meer –  teruggaat de schandvlek van Europa,
het tentenkamp waar moeders met pampers slapen en kinderen in de oprukkende kou
de laatste resten veiligheid aan de prikkeldraad hangen.

Er wordt me verteld: twee keer ging je in je geboorteland Syrië
onder het mes en het mes op de keel van je ouders lieten hen vluchten,
je bent drie maanden oud, maar trok al over Turkse bergflanken,
wiegde van slaap tot waken, van grens tot grens, in de schelp
van je vaders gebruinde handen, op de rug van je moeder, nam een boot
over het water dat bedrieglijk rustig leek en overleefde dit alles.
Maar nu komen de dalende temperaturen, ik zegen je in alle talen tegelijk,
op dit ene, net als jij piepkleine moment waarop ik je met mijn handen verwarm,

-->
je dicht tegen mijn van leven zwangere lijf aandruk.


We trouwden op Lesbos en doneren ons huwelijkscadeau aan Home for a Day, de stichting die elke avond een dampende maaltijd en warme winterkleren schenkt aan vluchtelingen die in het vreselijke kamp Moria op Lesbos verblijven. Bijdragen kan nog tot zondag 5 november, de dag waarop Frank en ik onze huwelijkstrip naar Chios afsluiten. 


zondag 23 juli 2017

Gedicht 147 van de Dagelijkse Gedichten (de Bizonbaai)
















147


De menselijke ingreep zorgt voor schilderachtige landschappen:
daar waar het zand werd gewonnen, het grind werd opgegraven
voor de bouw van nieuwbouwwijken, beukte het water door de dijk
en ontstonden wielen, plassen met wilde bloemen eromheen
daartussen Konikpaarden en Gallowayrunderen,
van subtiel beige tot diepwarm bruin.

Het lukt niet om vijventwintig meter afstand te houden van de grazers.
Integendeel, ik ontbloot mijn buik op de Bizonbaai
terwijl de beesten toekijken, we trekken gekke bekken
en omarmen het stukje natuur dat als een mooie voorbode
van de woeste bergen in het zuiden al onze zintuigen omarmt
en de verhalen in ons bovenhaalt.

dinsdag 18 juli 2017

Gedicht 120 van de Dagelijkse Gedichten (de eerste echo)

Vrienden, familie en zelfs vage Facebookkennissen zijn ondertussen op de hoogte van het heuglijke nieuws: Frank en ik zijn verloofd en verwachten een kindje. Het huwelijk vindt in oktober op Lesbos plaats en in januari 2018 verwelkomen we onze baby. Ondertussen schrijf ik nog steeds dagelijks een gedicht, vandaag alweer het honderdtweeënveertigste. Maar nu het nieuws van de daken geschreeuwd mag worden, kan ook de diepe vreugde van de laatste maanden gedeeld worden. Daarom een terugblik naar de dag van de eerste echo... gedicht 120.

Gedicht 120 

Liefje, toen ik je hartje razendsnel het mijne zag veroveren
werd ik stil en kon ik alleen maar naar je kijken.
Je vader zei achteraf dat hij geen contact met me kon maken,
maar ik voelde hem naast me, ook al bekeken we jou op andere schermen.
Ik zag hem in jou stromen, zoals ik jou al in zijn ogen zag
toen ik voor het eerst naakt voor hem stond
en wij elkaars naam nog niet wisten.

Namen zijn mooi meegenomen
maar niet nodig om te houden van.
Daar weet jij alles van,
en herinner je ons aan.

Kleintje, je leek wel bovenal een hart, een ritme,
een gulden snede in beginnend vlees en pompend bloed gegoten,
een hart met daaromheen een groot hoofd met een zichtbare kaaklijn en neus,
en ook twee beentjes en twee armpjes,
een van elk opgetrokken, het andere schopte, sloeg je pijlsnel voor je uit.
Misschien moet ik de illusie opgeven
dat er een zenmeester in mij groeit.

Je bent vandaag tweeënhalve centimeter, waarschijnlijk steek je morgen
de draak met de lengte van vandaag.
Nu ik dit schrijf, voel ik tranen prikken, vanochtend lachte mijn hart

en haalde ik diep adem, terwijl we je verwelkomden, opnieuw en opnieuw.

dinsdag 6 juni 2017

Gedicht 098 van de Dagelijkse Gedichten (dansen op Buitenkunst)


Terwijl hij penselen aan zijn armen bindt, haak ik touwen
rond mijn polsen en verf mijn klauwen rood.
Als er gevraagd wordt om in een dans van acht coördinaten
in de kubus rond ons een ode aan sporen te brengen,
buig ik de knieën en grijp beslist naar de zindering
buiten ons om en stamp op het eeuwenoude vuur
dat van mijn buik de aarde in gaat en terug.

Ter hoogte van de zonnevlechtplek op mijn voetzool,
licht de schaduw van een grote blaar op.
Het was in dit leven de eerste keer dat ik vastberaden
over brandende kolen naar het in steen gekerfde beeld
van elkaar opvolgende generaties op het altaar liep.
Dus vergeef ik mezelf de sporen van weifeling
en jaren verdrukkende beschaving.

Mijn leeuwenman heeft zijn kwetsbaarste pak aantrokken
en brengt halfnaakt zacht glimlachend een ode aan het water
en mannelijke elegantie, terwijl hij met gesloten ogen
naar de zon gericht met vlindervingers druppels op zijn borst sprenkelt.
Tepels knipogen naar wolken en gras, de spieren in zijn heupen
vormen een eenheid met zijn sterke kaaklijn.
Het duizelt me van liefde.

Omdat we ook van schrijven, zingen, theater en fotografie houden,
besloten we te dansen.

Populaire berichten