vrijdag 25 november 2022

Nog een brief aan papa (een dag na wat zijn zevenenzeventigste verjaardag zou zijn geweest)





Dag lieve papa,


Ik groeide op met het verhaal dat het menselijk lichaam voor 80 procent uit water bestaat. Altijd al een bevreemdende gedachte gevonden die maar niet concreet werd: bedoelde men met ‘water’ niet eerder ‘bloed’ of ‘plas’? Wat met al dat vet, de organen, de botten? Als iemand doodziek wordt, is het water in het zieke lijf dan ook ziek? Kunnen we dan voor het water liedjes zingen, zodat de moleculen veranderen en het water beter wordt, waarna het lijf volgt? Hoeveel water bevatten sprookjesfiguren? Zijn verhalen vloeibaar water, met de kracht om het diepste punt van onze ziel te peilen? 

 

(En waarom verschijnt er tijdens het tikken een rode lijn onder het voegwoord ‘als’ – alsof de spellingscorrector veronderstelde dat mijn ademhaling bijna tien jaar later nog steeds hapert ALS ik een zin begin met de vreselijke ziekte?) 

 

Deze vragen komen van iemand die nauwelijks interesse heeft voor anatomie – tenzij een dierbaar iemand heel ziek wordt - en ternauwernood liever filosofeert over het stromen van emoties. Dat wij voor bijna 100 procent uit emoties bestaan, heb ik altijd duidelijk gevoeld, al slaagde ik er nooit in een rigide onderscheid te maken tussen voelen en denken. Denken aan jou doet me soms lachen en vaker ook nog heel veel zeer. Enfin, toen ik die waterkwestie net even opzocht, bleken opgetrokken wenkbrauwen terecht te zijn. Het percentage water in het menselijk lichaam is zeer controversieel en werd de laatste jaren flink naar beneden bijgesteld.

 

Je oudste kleinzoon wordt in januari vijf jaar. Hij koestert de laatste tijd een heilige fascinatie voor alles wat ‘symmetrisch’ is – het bijhorende zelfstandige naamwoord ‘symmetrie’ vindt hij vooralsnog abstract en schuift hij liever opzij. In de praktische zin heeft hij een punt – van zodra we voorbij de logica van computers kijken, toont onze menselijkheid zich niet in symmetrie of geruststellende gelijkheid, maar eerder in het afwijken. We houden van symmetrische gezichten, van vakjes en hokjes om zaken bevattelijk te maken, maar het is juist de afwijking die zorgt dat we geen pop zien maar een mens. Ook het grensoverschrijdende maakt ons mens: laakbaar, angstig, moedig, nietig en groots tegelijk. Ik klim uit een diep dal van slijm waarin ik twee weken muurvast zat en heb de laatste weken vaak wanhopig teruggedacht aan de dagen dat ik buikgriep had en tussen het rennen naar het toilet verder moest met jouw verlamde lichaam optillen en door de kamer dragen. Zorgen voor een drukke, wakkere kleuter terwijl je ziek bent: het komt soms in de buurt van het grensoverschrijdende dat in de kern liefde heet.

 

Hier in Nederland wordt je kleinzoon overspoeld met sinterklazen en fantasieloze roetveegpieten. Op school kijken ze elke dag tijdens het bammetjes eten steevast het kitscherige Sinterklaasjournaal. De grote halfzus gaf hem een advent kalender met chocolaatjes die de kindertjes tijdens het aftellen tot pakjesavond op 5 december zoethouden. Om de zoveel dagen vind je een QR-code achter het kartonnen klepje, dat leidt naar een kunstelig, knutselig promofilmpje van de supermarkt. 

 

Ik heb regelmatig veel zin om de leugen te doorprikken. Maar die ogenschijnlijk kleine prikbeweging zou mogelijk een veel grotere bubbel kapot laten springen. Het voelt zo vroeg om hem nu al lastig te vallen met het benoemen van al die verzonnen verhalen, al die geconstrueerde hokjes en arbitraire matrices waarin wij menselijke wezens onze identiteit en relaties tot elkaar en de wereld vorm trachten te geven. Toch doen we het elke dag opnieuw, die prikjes uitdelen, met mondjesmaat, met een beetje realiteitszin en vooral veel ruimte voor de verbeelding. In de eerste plaats ook in onze eigen bubbels. Hoe vertellen we hem immers dat de planeet voor de mensheid en zeker voor zijn nakomelingen onleefbaar wordt? We houden liever nog even de leugen vol dat Sinterklaas bestaat en dat pietjes hun nageltjes in alle kleuren van de regenboog mogen lakken zonder dat ze raar gevonden worden. 

 

Speaking of: ik schreef een cynisch wiegenliedje voor onze voetbalhelden, maar tijdens de tweede helft van Nederland tegen Ecuador mocht je kleinzoon frietjes en appelmoes eten terwijl hij naar reclamefilmpjes op YouTube keek en zijn ouders naar het grote scherm. Ik kan dus niet anders dan toegeven dat ik met een half oog en onderkoeld enthousiasme naar de wedstrijden van de Rode Duivels en Oranje kijk. Grensoverschrijdend, laakbaar, menselijk. Nee papa, WK’s kijken is absoluut niet meer wat het vroeger was. Dat lijkt me vooral een goede zaak. Er wordt meer shit zichtbaar achter pracht en praal en miljardenspektakels. 


Het is wel een zware taak om tijdens het afpellen de laagjes dubbele moraal en blinde, witte vlekken niet te vergeten – ik blijf nieuwsgierig hoe jij dit had aangepakt, in welke mate je je had vastgeklampt aan de privileges van de witte, gepensioneerde professor en dat je had geklaagd over een wereld die in jouw beleving schudde op zijn grondvesten, waardoor je je voordien heldere plek niet meer zag. Ik vermoed echter dat je behoorlijk zou meebewegen: zo flexibel schat ik je wel in. Je was altijd wel in staat om de relatieve nietigheid van je bestaan in te zien, naast de grootse kracht van liefde.

 

Je zou gisteren 77 geworden zijn, je werd maar 67. Het besef dat je nooit je schoonzoon en kleinkind hebt ontmoet, is bijna tien jaar na je dood het grootste verdriet. Ik vermoed zelfs dat je rustiger was gestorven, als je wist dat je beide dochters in zulke warme handen terecht zouden komen. Ik heb je de laatste jaren vaak vergeleken met mijn man, maar de laatste tijd springen de tranen me vooral in de ogen, als ik voel hoe met de komst van mijn zoontje ook herkenbare energie van zijn grootvader is meegekomen. 

 

Een paar dagen geleden nam hij een tekening mee naar huis: een kleurloos en lachend pietje dat enkel uit contouren bestaat. Hij heeft een rechte borstkas, korte rechthoekige armpjes zonder handen en twee blokvoeten op dunne lijntjes. Een wuivende veer op zijn pietenmuts, wat vaag haar dat onder de muts steekt, niet symmetrisch. Het is een zeer atypische tekening voor hem, thuis tekent en bouwt je kleinzoon het liefst symmetrische patronen en constructies. Figuratieve tekeningen interesseren hem niet. Hij tekent abstracte schatkaarten en vraagt ons doolhoven te tekenen, waar hij vervolgens tot zijn teleurstelling slechts kort in verdwaalt.

 

Jouw screensaver bestond jarenlang uit een wervelende dans van fractalen. In mijn poëziealbum was jij steevast diegene die de meest geometrische tekeningen maakte – ik vond ze een tijdje wat gênant, die staaltjes wiskunde tussen kwezelige rijmpjes en zeemzoete tekeningen van pastel. Heb jij ooit geprobeerd om een doolhof te tekenen? Dat is echt vreselijk moeilijk, papa. Zeker als je voor 90 procent uit slijmerig water bestaat. Ik beet op mijn tong toen je kleinzoon gisteren driftig vroeg om een heel ingewikkelde doolhof. Lieverd, wilde ik hem zeggen, door jou te verwekken, door jou negen maanden in veel water te dragen en je daarna op het droge te gooien, heb ik je het grootste doolhof mogelijk geschonken. En wacht maar... tot je mensen verliest die je dierbaar zijn. Dan worden er plotsklaps tientallen donkere gangen aan de doolhoven in je hoofd, hart en buik toegevoegd.

 

Je hield nooit van zwemmen, je riposteerde iedere zomer steevast dat je het simpelweg niet kon. Je kleinzoon moet nog op maat gemaakte oordopjes krijgen en dan kan hij het proberen – van water houden en het durven vertrouwen. Doolhoven kun je bedenken. Maar watermoleculen zijn toch van een andere aard. Ze lijken net het leven, voorbij de beredeneerbare constructies. 

 

Heel veel liefs, ik mis je vreselijk,

Marie

vrijdag 25 februari 2022

Nog een brief aan papa (negen jaar later)


 

Dag lieve papa,


‘Help de zee! Heb je al je eigen boodschappentas mee?’ Deze sticker plakt op één van de laatste verkeerslichten die ik onderweg naar de praktijkruimte tegenkom. Vandaag, negen jaar na je overlijden, trok de boodschap voor het eerst écht mijn aandacht. Ik glimlachte even, een moedeloze opwaartse beweging van de mondspieren. Dit is meer een dag van harde hagel dan van het waterzonnetje dat ijs laat smelten. Gisterenochtend is Rusland met grof geweld een oorlog in Oekraïne gestart. Omdat geen enkel woord wil rijmen op ‘oorlog’, zou de sticker die bij deze oorlog hoort misschien zo klinken: ‘Stop het oorlogsgeweld. Heb je al je centen voor inductiekookplaten geteld?’

 

Oorlog maakt machteloos. Het stelt meninkjes op scherp, we kissebissen over de juiste woorden en informatiebronnen, maar kunnen in de kern helemaal niks. We kunnen demonstreren voor vrede, profielfoto’s in de kleuren van de aangevallen vlag omlijsten, heftige documentaires kijken of juist onze ogen sluiten en kiezen voor een extra luchtige film voor het slapengaan. Misschien zijn er nog mensen die nadenken over de quasi ongebruikte slaapkamers in huis. Misschien zijn er anderen die zich schamen over een achtste Russisch bloed en die zich vervolgens schamen voor deze reductionistische gedachte. Misschien groeit de groep mensen die beseft dat wat de natuur nodig heeft, ook echt hetzelfde is wat de mensheid ten goede komt: een duurzame energietransitie. Ik hoop het.

 

We moeten zo snel mogelijk van het gas af, papa. Niet meer boren in Noorwegen of Groningen, geen giftige deals sluiten met een al even moordlustig Amerika en afhankelijk worden van hun ‘fracked gas’. Fucking gas. Fucking wereld. Fucking klotedood.

 

Je weet dat ik cijfers maar moeilijk vind, maar dat ze toch wat houvast bieden. Ik rouw al tellend, ondertussen negen jaar. De oorlog in Syrië begon in 2011, een paar maanden voor de neuroloog vertelde dat ALS je dood zou betekenen. En tja, de oorlog in Afghanistan: wanneer is die al begonnen? De Russen zaten er al toen jij nog broeken met olifantenpijpen droeg. En nee, die eindeloze oorlog is ook zeker niet voorbij. 

 

Mijn zoontje was jouw eerste kleinzoon (er zijn er nu twee), zijn vader mijn grootste liefde sinds jouw dood (er is er, terugblikkend, maar één in mijn leven, maar dat is makkelijk praten achteraf en dus een vorm van geschiedvervalsing). Sinds je dood kwamen er drie nieuwe katten in ons huis – eentje ligt al onder de groene zoden in de achtertuin. Sinds jouw dood is dit de eerste oorlog die potentieel ongelofelijk veel groter kan worden en nog een stuk dichterbij kan komen. Sowieso wordt het de meest voelbare oorlog. En nee, Rutte, niet enkel in de portemonnee. Voelbaar in bestaanszekerheid maar ook in zingeving. Want in de eerste plaats en bovenal groeit de groeiende onvrede met deze wereld en haar vernietigende systemen. Het lijkt bijna oorlog in mijn hoofd. Zo hard knettert het, loodzwaar zinkt mijn hart.

 

Er is na negen jaar zoveel dat ik niet meer met je kan delen. Onze nieuwe meningsverschillen vechten we uit in mijn gedachten, hoogstens gemakzuchtig weergegeven op dit kille scherm. Maar gelukkig gebeuren er ook steeds vaker dingen waarvan ik denk: ‘wat fijn dat papa hiervan gespaard blijft’. De oprichting van Forum van Democratie, toen al actief tegenstander tijdens het Oekraïnereferendum (2015), de vluchtelingenstromen op de Middellandse Zee, de oranje bergen van slechte drenkelingsvestjes, de liefdesverklaring van John Cleese aan Bart De Wever (2019). Ja, er zijn gelukkig ook heel veel gebeurtenissen die je gemist hebt.

 

Vorige week trok je oudste kleinzoon aan de snorharen van Moon, onze jongste en meest speelse kat. Ik berispte hem en zei dat snorharen belangrijk zijn voor katten om hun evenwicht te bewaren. Twee dagen pulkte hij aan zijn prachtige, eindeloze wimpers. Toen ik hem wederom op de vingers tikte, antwoordde hij: ‘Ja, mama, ik weet het, ik heb mijn wimpers nodig om rechtop te blijven en niet om te vallen.’ Lange wimpers en snorharen, manieren om niet om te vallen, momenten om de ogen te sluiten en even weg te dromen. Ik wens ze de mensheid toe en vooral zij die nu in schuilkelders en metrostations nagelbijtend voor hun leven vrezen.

 

Ik geef je in gedachten een wimperkus. Je weet wel, een vederlichte streling van mijn wimpers tegen jouw magere, bebaarde en in de zomer olijfbruine wangen. 


Ik mis je en hou van je.

 

 

Liefs, Marie 

donderdag 28 oktober 2021

Nog een brief aan papa (in inktzwammentijd)



Dag lieve papa,

 

Ik zag vandaag een heleboel geschubde inktzwammen bij elkaar, tijdens een tweede training voor beginnende hardlopers in de duinen. Een metalige stem van de hardloopapp op mijn telefoon, die met een buideltas om mijn middel gebonden was, had me net de opdracht gegeven om een minuut rustig te wandelen. Een ouder stel stond ademlozer dan ik naar de zwammen te kijken. Een ‘cadeautje’ noemde de vrouw het schimmelende schouwspel. Ik maakte op goed geluk één foto en rende verder de bosheuvel op. 

 

Voor mij voelde het als een geschenk uit het rijk der doden, een leuke knipoog van jou. Vijf minuten eerder waren mijn gedachten immers nog gegleden over de pronte hoedjes van jonge inktzwammen, die wij samen elke herfst, tussen mijn en jouw verjaardag, bij het ziekenhuis in de buurt zochten. Cantharellen plukten we in Franse bossen, jonge eetbare zwammen vonden we bij het ziekenhuis. 


Geen idee waarom het mycelium juist bij het ziekenhuis inktzwammen schonk. De hypothese neemt al snel nogal lugubere vormen aan. Een paar jaar geleden werd ontdekt dat deze geschubde inktzwammen naast dood plantaardig materiaal ook minuscule wormpjes eten. Het is een weetje dat ik graag met je had gedeeld, al zou de kans groter zijn dat jij diegene zou zijn die het mij vertelde. In eruditie en belezenheid reik ik – althans in de kritisch taxerende ogen van mijn Innerlijke Criticus - nog steeds niet verder dan jouw navel. Mijn nieuwsgierigheid blijft gelukkig onvermoeibaar groot, dat compenseert wel wat.

 

Maar ik maak de laatste maanden te weinig tijd om te mijmeren, papa, ik voer op te veel fronten tegelijk een hopeloze strijd. Horrorverbouwingen zorgden voor financiële en juridische stress en ook de kwetsbaarheid van schrijvend freelancen in een doorgedreven neoliberaal land, waar alles vooral glad, zonder haakjes en verkoopbaar moet zijn, is me de voorbije weken pijnlijk duidelijk geworden. Durfkapitalisme in de kinderopvang - en een wanstaltig personeelsbeleid als gevolg daarvan - dwingt onze moraal ertoe om te besluiten je oudste kleinzoon, drie maanden voor hij naar de basisschool kan, alsnog naar een andere opvang te brengen.

 

De liefelijke inktzwam kan in korte tijd, door ouderdom of te brute aanranding, veranderen in heel straffe inkt. Mijn inkt zoekt en kolkt op dit moment: wil ze woede kanaliseren in onderzoeksjournalistiek? Of zal ik boven alles proberen om resoluut voor de twijfel te kiezen, voor de witruimte en de vrijheid die ze geeft, voor de poëzie? Of moet ik eerst en vooral zorgen dat ik bij weer en wind het pad trotseer, zodat ik me weer wat meer thuis voel in een lichaam dat nu te log voelt voor een ziel die het liefst wil tollen, dansen en niet in hokjes hoort?  

 

Vier jaar geleden vierde ik, flink zwanger, mijn huwelijk in de aanwezigheid van een klein en bijzonder warm, internationaal gezelschap op Lesbos. Het ja-woord aan mijn man herhaalde ik die dag in een brief aan jou. Er volgde daarna nog een brief, toen je oudste kleinzoon nog door de woonkamer tijgerde en je jongste, die vandaag als vleermuis naar een Vlaams Halloweenfeest ging, nog slechts de vage, genderloze contouren van een wensdroom had. Zo snel gaat de tijd.


Ik vind het best een ding om oud te worden, papa. Niet zozeer omdat ik renschoenen in een kindermaat aanschaf, niet zozeer omdat ik steeds meer kraaienpootjes en grijze haren krijg. De liefde hier in huis is immers nog steeds groot, ik voel me gekoesterd en geliefd om wie ik ben en gesteund in de zoektocht naar wil ik mogelijk zou durven zijn. Dat maakt ouder worden draaglijk en geeft me ook het broodnodige vertrouwen in het moederschap, dat me na veel gezondheidszorgen om ons zoontje wel vaker heel machteloos liet voelen.

 

Ouder worden is vooral moeilijk omdat het steeds vager wordt wat jij zou zeggen, wat jij zou vinden. Ik ben veertig en moest je nabijheid al bijna het hele dertigersdecennium missen. En ik mis dus ook onze ingebeelde gesprekken. Daar moet ik echt weer tijd voor maken.

 

Want er gebeurt zo ongelofelijk veel, veel meer dan wat ik beleef of vermijd, wat mij op de kast jaagt of laat dromen. Er is zoveel dat tegelijkertijd op ons afkomt: de uitzichtloze, verlammende strijd tegen corona die ons verdeelt en wederom toont hoe scheef de verhoudingen nog steeds zijn in een wereld waarin seksisme, racisme en de genadeloosheid van het grootkapitaal nog te vaak met botte messen bevochten worden, zonder een heldere spiegel in de buurt. Het vooruitzicht van bakken rampspoed, de dagelijkse berichten over onrecht, de stijgende zeespiegel, het is veel en hoog en ik kan net als jou niet goed zwemmen, papa. Ik voel me veiliger in een bos, tussen de schimmen en schimmels. Daar klinken de engste gedachten toch wat zachter. Daar kunnen ze in de aarde glijden.

 

Ik maak me zorgen, lieve papa. Omdat de bodem flink vervuild is, daar waar mijn zus met haar gezin woont. Ik wens je kleinkinderen zandbakken om in te graven, aardbeien om uit tuinen te plukken. Ik wens ze een wereld waarin leiders verantwoordelijkheid nemen. Een wereld waarin geïnvesteerd wordt in zorg, onderwijs en liefde. In de aarde, in de toekomst. In wat er toe doet.

 

Een paar weken geleden vierden we de zesennegentigste verjaardag van onze oudste vriend, Gerrit, met rode wijn uit Portugal en peuters die door de eetzaal van het bejaardentehuis dartelden. Hij vroeg me wanneer ik jou nog een keer een brief zou schrijven. Ik denk dat ik wel snap waarom hij naar een brief aan jou verlangt. Hij wil de hoop tussen de regels proeven, lezen hoe verdriet zich met liefde mengt, hoe precies die combinatie voor glans kan zorgen. 

 

Ik mis je, papa. Ik zou zo graag met je praten. Niet over vaccins of coronapassen, maar over de toekomst en wat daarin mogelijk is. Ik mis je blik, hoe die rust en alles in een weemoedig licht plaatst. Ook de zachtblauwe glans van inktzwammen op bosgrond. 

 

Papa, wil je via het mycelium hier komen spoken? Ik denk dat ik de onderaardse taal van schimmels wel kan leren. En wie weet, kan je het mycelium vragen of er schimmels bestaan die de rotzooi in de bodem van Linkeroever op kunnen ruimen. Ik heb vertrouwen in wat het leven in nieuwe vormen ons brengen kan.

 

Liefs, 


Marie

donderdag 10 september 2020

Brief aan de brand die Moria in de as legde


Beste brand, 

 

Jij legde Moria in de as. Terwijl ‘Moriah’ de berg was waar Salomo een tempel bouwde, was het kamp op de heuvel Moria het epicentrum van het etterende, Europese asielbeleid. Een beleid dat stilzwijgend of zelfs vergoelijkend, steeds halsstarrig wegkijkend, gesteund wordt door Europese lidstaten en hun rechtse regeringen. Je was niet de eerste brand die in Moria aangestoken werd, niet de eerste die aan de gammele tentjes en provisorische barakken likte van wat tot de nacht van 9 september 2020 het grootste vluchtelingenkamp van Europa was. Maar je was wel de felste. Met opflakkeringen in de tweede nacht, veranderde je het kamp samen met de omringende olijfboomgaarden nog meer in een smeulende berg as. Jij likte niet, laat staan dat je flakkerend waarschuwde, je vrat en verwoestte, greep onstuitbaar om je heen, je verkoolde en verbrijzelde al het lelijks en troosteloze wat je tegenkwam en zette alles in een hels rood. Je smeult nog steeds en kan ieder moment weer oplaaien, tot Moria door elke levende ziel verlaten is en er werkelijk niets meer is om te verkolen. 

 

Jij stuurde dertienduizend mensen de straten van Lesbos op, waar ze verder opgejaagd worden door traangas van de politie, waar burgermilities meehelpen barricades op te werpen die hen de toegang tot de bewoonde wereld versperren. Er meerde ondertussen een cruiseschip aan, er werden wat tentjes opgezet en verlaten legerkampen werden geopend om mensen op te vangen. Maar alsnog slapen ook vannacht weer duizenden mensen onder de naakte sterrenhemel, onder wie talloze jonge wezen en diep getraumatiseerde jongeren. De Griekse regering beloofde al gauw om in de plaats van Moria een gesloten detentiecentrum te bouwen. Je bent nog niet eens gedoofd.

 

In de kranten krijg je een paar honderd woorden, op televisie een paar minuten zendtijd. Er wordt nog steeds, enigszins monter zelfs, verkondigd dat je ‘voor zover bekend’ geen dodelijke slachtoffers eiste. Mijn tijdslijn op Facebook toont een andere beeld en vult zich met radeloze hulpkreten: ik lees over ouders die hun kind niet uit de vlammen konden redden, ik verneem dat de zestienjarige muzikant Obaeed Hossani in jouw vuurzee overleed. Deze berichten worden gedeeld door mensen die in Moria trachtten te overleven of zij die voor één van de talloze hulporganisaties op Lesbos werken en die sinds de coronacrisis hun werk in nog meer erbarmelijke omstandigheden moesten doen of dat met pijn in hun hart zelfs moesten staken. 

 

We weten niet wie jou aangestoken heeft. Enkele van duizenden bewoners die al maanden in een steeds strengere lockdown bivakkeerden en die beslisten dat de maat echt vol was, nu het aantal coronabesmettingen in een kamp waar een toilet of kraantje gedeeld werd met tweehonderd anderen, schrikbarend snel aan het stijgen was? Of werd je aangestoken door eilandbewoners, al dan niet verder opgejut door extreemrechtse waanbeelden, mensen die zich al vijf jaar lang evenzeer gegijzeld voelen door het onmenselijke asielbeleid?

 

Ik wist niet wie ik precies wilde schrijven. De vierentwintigjarige Ahmed uit Syrië, die me in de prille lente via Facebook contacteerde en die me vervolgens bleef smeken om voor hem een advocaat te zoeken die hem wegwijs kon maken in de asielprocedures die sinds de lockdown volledig lam waren gelegd? Die me vertelde hoe hij zijn dochtertje van bijna een jaar oud nog nooit ontmoet had, omdat dat meisje samen met haar moeder nog vast zat in Libanon? Die maar bleef herhalen dat hij een psychiater wilde zien, omdat hij ’s nachts niet kon slapen en, ook al had hij een dochter die hij dolgraag wilde ontmoeten, non-stop naar de dood verlangde? Wilde ik deze man een brief schrijven, iemand die niet op Lesbos maar Samos in verschrikkelijke omstandigheden leefde of leeft, iemand die ik uit zelfbehoud en diepe, verlammende onmacht eind april blokkeerde? Is hij ondertussen dood? En als hij nog leeft, kan hij dan nog voelen, is er iemand die wel naar hem wil luisteren?

 

Of wilde ik een brief schrijven aan de moeder wier zwangere buik de mijne raakte, de babyhartjes klopten heel even dicht en veilig bij elkaar? Deze vrouw beviel in Moria van haar eerste kindje en ontmoette ik niet lang daarvoor, toen ik op het punt stond om in een mooi kanten jurkje en bovenal in alle vrijheid te trouwen met de man van mijn leven. Of wilde ik een brief schrijven aan de baby van drie maanden oud die ik in hetzelfde restaurantje in mijn armen hield, een kind dat bergen en waters overstak om Europa te bereiken en zichtbaar verzwakt was, een kind dat al twee keer onder het mes ging en ondanks de leeftijd nog het formaat had van een pasgeboren baby? Een baby die het koud had ’s nachts, omdat de familie over te weinig vodden beschikte om het te beschermen tegen de nachtelijke temperaturen die ook op Griekse eilanden in de herfst al onder het vriespunt kunnen duiken?

 

En als ik wist wie ik moest schrijven, wat zou ik hen nu vertellen? Dat de tomaten in onze moestuin eindelijk rood verkleuren en dat ik daar vandaag toch even blij om kon zijn? Dat de twee kittens die ’s ochtends mijn benen beklimmen slechts een Europees paspoort van nog geen twintig euro en een paar vaccinaties nodig hebben om binnenkort legaal de grens over te steken? Dat ik me ongemakkelijk voelde toen ik net op de fiets voorbij weilanden fietste waar kerstbomen worden gekweekt, dat ik steeds minder onbevangen geniet van goedgelovige feesten van geluk en vrede, dat ik me sinds je komst eindeloos onrustig voel en dat de drang om die onrust om wat jij in zo’n fel licht zette weer te luwen ver te zoeken is? Ik wist het allemaal niet, dus schrijf ik jou. 

 

Beste brand, wil jij - net als in het Hooglied - de brand zijn die de mirreberg, de wierrookheuvel bezocht? Kunnen we jou als een gebed beschouwen, kan uit jouw assen een humaan asielbeleid herrijzen? Zou het kunnen dat jij zo fel bent dat niemand nog weg kan kijken van je vlammen, niet langer kan wegduiken voor jouw allesverzengende waarheid?

 

Beste brand, niemand wijst jou met de vinger na, want je bent toch niet te volgen en jou treft geen schuld. Jij doet slechts wat vuur doet: verbranden en blootleggen tot er een smeulende vlakte overblijft. Een vlakte die ons geschonken wordt en waar wij mee verder moeten, of we dat nu willen of niet.

 

Ik buig voor je, in ontzag en verschrikking, je spiegelt mijn ziel, je spiegelt ’s werelds woede.

 

Marie

dinsdag 25 augustus 2020

Een brief aan de omgehakte kerselaar


Dag lieve kerselaar,
 
Ik huil niet gemakkelijk, dat weet jij als geen ander wezen. Ook toen ik nog onder je gebladerte speelde, ook toen ik naar verduurde, door honden stukgebeten tennisballen zocht tussen de klimop die dertig jaar geleden ook al rond je stam groeide, ook toen ik elke juni op een ladder klom om je heerlijke ‘witbuiken’ te plukken, huilde ik moeizaam. 
 
Tijdens het plukken van je fruit lachte ik vooral, want wat waren je kersen uitzonderlijk lekker. En letterlijk zeldzaam: de lokale fruitboer bood geld om ze te verkopen, maar we aten ze liever zelf, tot we buikpijn kregen.
 
Ik verzon microwerelden in het gras onder je grote kruin, maakte van de mieren die er kropen moedige verkenners, de dorre blaadjes op hun ruggen werden loodzware lasten die amper te dragen zijn, noodgedwongen enkel samen getild kunnen worden. Ik keek tussen je takken naar de wolken, las onder je kruin de meest klassieke en meest experimentele poëzie, over wolken en wormen. Ik zocht je schaduw op en keek naar de zon door jouw groene bladerdek of zocht in de koudste seizoenen naar de maan door een kale filter van knoesten en twijgen. 
 
Toen mama me vandaag een foto stuurde van je prachtige stam, die in stukken gehakt in de grote tuin van mijn ouderlijk huis ligt, welden er meteen dikke tranen in mijn ogen op. Ik schreef ‘slik’ en besloot even offline te gaan en je te schrijven, omdat enkel een brief het echte verdriet kan verwoorden. Want jij bent mijn boom, lieve kerselaar, je bent een ijkpunt uit mijn jeugd, die boom waar je een speciale band mee voelt, een zichtbare drager van fruit en jeugd en ook veel wijsheid. Ook al overtrof je de gemiddelde levensverwachting van je soort en werd je waarschijnlijk meer dan een eeuw oud, ook al was je al jaren niet meer vruchtbaar en takelde je zichtbaar af, ook al maak je ruimte voor een jonge fruitboom en heb je daar waarschijnlijk zelf vrede mee, ik zal je missen.
 
Ik weet niet wat jij nog meekreeg van de bizarre tijd waarin we leven. Er gebeurt zo ongelofelijk veel, in al die mensenlevens om me heen, er verschuift zoveel, zoveel wordt zichtbaar en ook mogelijk gedroomd, zoveel dromen worden weer doodgeknepen, vertrappeld en niet urgent genoeg geacht, zoveel hoop moet elke dag opnieuw uitgevonden geworden. Er wordt veel van ons gevraagd, we moeten op nieuwe manieren leren bewegen en communiceren. Het is zoveel, dat ik soms de helderheid mis om te verwoorden wat in mij een neerslag vindt en strak gespannen snaren raakt. Tot de dag dat jij omgehakt wordt, blijkbaar. Dan gaat er iets oerouds in mij stromen, jouw laatste sap raakt mijn tranen aan. Om bomen heb je geen verdriet? Niets is minder waar.
 
Ik beloof je dat ik ‘Het verborgen leven van bomen’ van Peter Wohlleben snel zal lezen. In de herfst, een uitgelezen seizoen om meer over jou en je soortgenoten te weten te komen. Daarnaast beloof ik je dat ik zelf met nog meer aandacht de bomen om me heen zal waarderen en liefhebben. Dat we nooit meer een tuinbedrijf op onze tuin zullen loslaten dat zon in de tuin zoveel belangrijker acht dan schaduw en de pracht en kracht van bomen. Ik zal de notelaar veel liefde geven en hopen dat hij volgende jaar weer voller loof heeft en meer walnoten. De magnolia zal ik ook buiten het korte bloeiseizoen bewonderen en ook van die gekke sierboom die ik zelf nooit zou kiezen, zal ik proberen te houden. 
 
De oprit is in coronatijd omgetoverd in een moestuin, met bessenstruiken, kruiden, aardappelplanten die maar geen bloemen krijgen en tomatenplanten die boomachtige ambities hebben en die ondertussen hoog boven me uit torenen en die ik leerde 'dieven'.
 
Ik voel steeds sterker hoe belangrijk de natuur voor me is. Voor ons is. Ik voel een steeds grotere drang om die natuur te volgen, om me zo te bewegen en te voeden dat ik haar zo weinig mogelijk schaad.
 
Meer woorden heb jij niet nodig. Een waardig afscheid wel.
 
Vaarwel, lieve kerselaar, ik omhels je mooie stam in gedachten, wuif voor de laatste keer naar je bladeren, verzin nog een keer de zoete smaak van je kersen op mijn tong,
 
Marie

 



Populaire berichten