Posts tonen met het label oud. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oud. Alle posts tonen

maandag 9 juni 2008

Victor

In afwachting van nieuwe schrijfsels post ik nog eens eentje uit de oude doos. Dit gedicht gaat over Albert De Coninck, a.k.a. Vic. Hij overleed op 6 december 2006. Dit gedicht werd acht jaar geleden geschreven en kaapte op twee wedstrijden (Derde Druk, Soetendaelle) prijzen weg. In het verslag van Soetendaelle 2002 staat te lezen: 'Ouderdom, dementie en een eindeloos geduld van verzorgende blikken worden door Marie Meeusen beschreven in Victor'. Dit is ongetwijfeld goed bedoeld, maar wijst op een erg subjectieve interpretatie. Mijn grootvader was immers veel, maar dement was hij niet. Daarom waarschijnlijk dat ik zijn doodsprentje, waarop dit gedicht te lezen stond, meer waard vind dan eender welk poëzieverslag.



Victor

Het is stil.
Bang voor elk hoestje
kijken x paar ogen
naar onze tachtigjarige oorlog.

Hoe hij traag
met heel veel aderhanden
pompoensoep slurpt
en onze angst uitlacht.

Plots schept hij - na moeders soep -
opgeblazen Duitsers
en beelden van de Guernica uit.

Na stil komt stiller.



ps Sinds vorige week valt zijn levensverhaal (en dat van zijn rebelse vrouw) ook beknopt te lezen in het Verzetsmuseum van Amsterdam. Ik moet zelf nog gaan kijken.

woensdag 21 mei 2008

een heel oude stroom

Het punten uitrekenen en examens opstellen werd me net te veel, dus bladerde ik wat door m'n virtuele documenten en botste plots op dit schrijfsel. Ik schreef het - ik rekende net - zo'n acht jaar geleden. Los van de puberpuisten of zelfs windpokken die de woorden zeker bevlekken wil ik het toch even delen. Waarom? Omdat het nooit ergens anders plek zal krijgen, en soelaas kan bieden aan de verdwaalde vrienden van vroeger, die hier misschien toevallig belanden en het zullen herkennen als inleidende tekst van mijn eerste poëzievoordrachten... Enneuh, hoe hoogdravend het ook allemaal mag klinken, ik sneed nooit in m'n polsen, noch was ik grote fan van The Sisters of Mercy.


Ik, de immer rusteloze en toch dralende, vaak spuiende en te weinig bruisende, ik heb zoveel zin om nog eens de droefnis te laten sluipen in alle geledingen van mijn ranke lichaam. Deze droefnis moet blauw en licht zijn in al haar zwaarte en mij vullen tot ik huid over hart ben, kloppend hart. Kloppend hart aan alle deuren, alle lippen, alle oogleden van alles. Mensen, bomen, planten, boswolf, allen zullen ze volledig open gaan en mij voelen en hoe mijn droefnis zacht kloppend tot in alle hoeken van het overal huist. En dan gaan we dansen in het bos aan blauwe, rode, zachte, immens harde vuren en daar zullen we huilen en roepen, fluisteren, krijsen, prevelen tot het nergens meer stil is, ook niet in mijn hart. Dan gooi ik mijn droefnis in het vuur en toon met honderd handen alle vergeten dagen en nachten die vaak niet konden vergeten. Hoe ze donker moesten zijn voor de trol, het elfje, de vrouw en man die allen aanwezig waren, in of naast mij. Alle stemmen die pijn deden en handen die kwetsten in hun siddering. Al dit alles gaat in het vuur tot alle geluiden één worden, een kreet die gaat over bergen, glijdt over dalen, tot echo wordt boven de zee, ook al zijn er daar geen muren. Eén echo groot en ik zal even begrijpen hoe het was in de wereld te zijn.

woensdag 12 maart 2008

Weerwoord

het mes is bij het laatste licht geslepen
naast de kerk gaat hij naar de vergeten deur
hij heeft zijn harp gespannen, zijn droom begrepen
van het meisje met weke hals en verre geur

hij zal haar niet wurgen, al spannen zijn kleren
als ze verstrooid wat noten kraakt op haar kruk
en ze met bleke blik het spreken verleren
te veel drinken op het vreemde geluk

wacht dacht zijn auto in de stille straat
de gebroken snaar wordt morgen beloofd
als het meisje van nu naar de kippen gaat
met de laatste kruimels uit zijn hoofd

hij had al eens gehoord
van Jezus enzovoort

dinsdag 29 januari 2008

Goedemorgen

De wekkers schreien tijd.
Verdrijf die droom van kale maagden
van hart en veldslag. Het is dag.

We pretenderen regelmaat in taal en
in wat tussen mist en adem ligt.
De inkt werd vergeten in dit land

waar men in grotten over woorden waakt.
Hier lachen enkel erwten in droge potten
ons toe. Het ei moet smelten

en vreemde vogels kakelen kwaad.
Een eerste trein, de pluimen in het gras.
Wie zacht is haalt de avond niet







(ik kriebel erg veel de laatste tijd... weinig is de moeite waard, tenzij therapeutisch, snik. dus nog eentje uit de renaissance of een andere prehistorie. leve de leeftijd zonder kraaienpootjes - zonder grote boze wolf... -25 poëziewedstrijd De Kern)

dinsdag 22 januari 2008

22/06/2005: Voor bomma Els

Eentje uit de oude doos:


Je kan op verschillende manieren over iemand schrijven. Zo kan je ervoor kiezen om voordien minutieus uit te stippelen waarover je wilt praten, om dit dan neer te pennen op een trillend blad papier. Maar je kan ook zwijgen en je geest leeg maken. Verschillende deurtjes worden geopend en je hoeft niet langer na te denken over wat uit je hand zal vloeien. Zoals er verschillende manieren van schrijven zijn, kan je ook op honderd manieren afscheid nemen. Je kan hem tot koning kronen, aan wiens vergane voeten dagelijks wordt getreurd. Zij kan een prinses worden, die met jou haar rode kersen niet wilde delen. Je kan iemand begraven, bespuwen, je kan de leegte ontkennen die ontstaat, de vragen die onbeantwoord zullen blijven. In afscheidsspeeches tenslotte kan je uitsluitend over jezelf praten, of enkel over de ander. Dit zijn de speeches die meestal het minst vertellen. Daarnaast kan je ook deze twee individuen verduisteren en het licht laten vallen op die onzichtbare dingen waarmee het ene hart het ander vult. Ik kan treuren om het feit dat ik bomma Els sinds kerstmis niet gezien heb, ik kan mezelf voor m’n stomme jonge kop slaan, of ik kan haar beschrijven. Wie ze was, voor mij.

Bomma Els kon als een rasechte oma heel goed breien, warme truien, truien met zachte wol, truien met kabels. Eén keer maakte ze zelfs een groene slang met roze tong voor me, toen ik nog op de lagere school zat. Die slang werd veel langer dan mijn geduld ooit was. Vooral de voorbereidingen op het gebrei waren leuk. Kleuren en patronen kiezen in de “Mode et travaux” en dan aan het raam gaan staan. Bomma draaide met spelden in haar mond een meetlint rond je lenden. Vanaf die eerste meetsessie werd ik een prinses die verlangend naar haar bruidsjurk in wording keek, en de wol af en toe kwam aaien terwijl bomma volhardde in haar naarstig breilabeur. Na één week was de voorkant meestal klaar, een week later was de rug er al en op het einde waren de mouwen er. Soms prikte de wol een beetje, soms was de trui zo zacht als sneeuw, maar helaas waren die mouwen steeds te lang. Misschien was ik gewoon te klein? De laatste tien jaar was bomma nochtans de kleinste van ons twee. Eén meter tweeënvijftig was ze, en ze verkondigde vaak trots dat ze al decennia lang vijfenveertig kilo woog, geen kilo meer of minder. Op het einde woog ze veel minder. Ik weet niet of ze dat zelf wist. Misschien woog ze in haar hoofd nog altijd even veel.

Bomma Els vertelde verhaaltjes op de vreemdste momenten, na een lange stilte of tijdens een gesprek dat over iets heel anders ging. Eén van die verhalen was over hoe ze die ene keer in haar leven zat was geweest. Haar man, bompa Jos voor de kleinkinderen, was naar haar toegekomen toen ze tegen een muur stond geleund. Toen rimpelde ze haar neus om te tonen hoe haar man aan haar gezicht snuffelde. “Edde gij gedroenken?” Hoewel het voorval mij erg onschuldig leek, heeft iets haar toch doen besluiten nooit meer dronken te worden. Als kind was mijn favoriete verhaal dat van de vliegenscheten op het plafond. We bevinden ons in oorlogstijd, in een kelder, en dromende bompa Jos maakt zijn vrouw wakker om te zeggen dat er vliegenscheten op het plafond zijn. Het hele verhaal zal ik u besparen, zolang dat u maar weet dat ook hier een oneliner bijhoorde. Zo’n oneliner die als plotse verhaalwending bedoeld is, maar die door alle toehoorders voorgefluisterd wordt, terwijl ze grinnikend elkaars blikken zoeken.

Aan bomma Els kon je met kerstmis puzzels geven, of cassetjes. Ze had Edith Piaf, Maria Callas en Al Jarreau. Ik heb nooit goed geweten waar ze het liefst naar luisterde, waardoor ik twee dagen voor kerstavond in een bak grabbelde en zei ‘Dit vind ik leuk, dus ik denk dat bomma Els dit ook mooi gaat vinden.’ Vraag me niet waarom, maar ik denk dat ze net als ik Hoezo? Clouseau uit 1989 een toffe plaat vond. Bomma was vast ook een beetje verliefd op Koen Wauters.

Ik denk overigens niet dat bomma Els tijdens haar leven op veel mannen verliefd is geweest. Maar van mijn bompa hield ze zeker. Vaak zei ze: “Raar toch hé, ik voel me daar vaak droevig over, maar echt huilen dat gaat niet.” Het is moeilijk om als buitenstaander de relatie tussen twee mensen te beschrijven. Zoals ik net zei, gaat het over onzichtbare dingen waarmee harten elkaar vullen. Ik kan u evenmin op een schaaltje presenteren hoe ik van bomma Els gehouden heb, of zij van mij. Sommige dingen blijven zweven, of kruipen langs je benen en strelen je tenen, maar vertellen je geen concreet verhaal. Ik ben Marie, drieëntwintig, ik schrijf graag en ik voel me al een week raar omdat mijn bomma is gestorven.

Bomma Els was een stille en dan weer praatzieke oma. Ze was het soort vrouw dat liever op de achtergrond bleef, en waarvan je nooit helemaal wist wat welke conclusies ze trok uit haar observaties. Nooit heb ik haar echt geknuffeld, behalve de laatste keren dat ik haar zag. Ze zag er zo breekbaar uit, zo onbereikbaar en kwetsbaar dichtbij. Ik kon niet anders dan haar fragiele handje vast te pakken, om haar door de duistere gangen te leiden.

Nooit heeft zij mij echt vastgepakt, behalve één keer. We waren met de familie op weekend in de Ardennen, ter ere van haar tachtigste verjaardag. Ik sliep in hetzelfde bed als zij. Overdag hadden we een boswandeling gemaakt, die zij parmantig op kleine hakjes had meegestapt. Toen we uren later tussen de stijve lakens lagen, kroop haar hand plots naar de mijne die op de dekens lag. Ze kneep er heel zachtjes in en ik bleef roerloos liggen, ook lag ik nogal ongemakkelijk. ’s Morgens werd ik wakker met een blij gevoel van verwondering. Tijdens een Franse zomernacht vol krekels en verhalen in de lucht heb ik dit voorval verteld aan papa en Tom. We stonden er even bij stil, maar niemand wist te zeggen hoe we van haar hielden, of zij van ons. Maar ik weet dat die liefde er was, en dat ze zal blijven. Ik weet dat die oude hand, met vingers die je in kan deuken, op mijn schouder rustte toen ik dit schreef.

Populaire berichten