Posts tonen met het label grootouders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label grootouders. Alle posts tonen

zondag 22 mei 2016

De oorlog herdenken zonder getuigen: hoe doe je dat?

4 én 15 mei: een pleidooi voor reflectieve herdenkingen voorbij het onderscheid




Op 4 mei, wanneer in Nederland de doden van WOII herdacht worden met landelijke stilte en media-aandacht, verscheen op de NRC-website Herdenken wat niemand zich herinnert. De eerste zinnen stellen een belangrijke vraag: ‘De Tweede Wereldoorlog ligt een mensenleven achter ons. Het duurt niet lang meer of alle ooggetuigen zijn overleden. Wat betekent dat voor het herdenken?’ Het artikel van Bas Blokker reflecteert vluchtig op de Dodenherdenking in verschillende – uitsluitend Europese – landen, maar nergens worden echte alternatieven geopperd voor een herdenking zonder de ooggetuigen die in de 4 mei-viering zo centraal staan. Blokker geraakt niet veel verder dan de urgente vraag benoemen. Ik verander haar graag in een pleidooi voor een reflectieve, zelf- of zelfs schuldbewuste herdenking. Ook een herdenking zonder ooggetuigen kan immers ruimte scheppen voor maatschappelijke dialoog, als er voorbij het strikte onderscheid tussen ‘toen’ en ‘nu’ en ‘wij’ en ‘zij’ wordt herdacht.

Dat ik de noodzaak voel om over deze kwestie mijn pen te laten gaan, heeft te maken met het oorlogsverleden waarmee ik opgroeide. Mijn opa Albert de Coninck (1915-2006) vocht vrijwillig in de Spaanse Burgeroorlog en groeide, onder andere met de ervaring en kennis die hij daar opdeed, uit tot verzetsleider van Vlaanderen in de Tweede Wereldoorlog. Rachel Souritz (1918 – 1998), mijn oma, was een Russisch-Poolse Jodin. De vader van haar twee oudste kinderen werd gefusilleerd en zowel haar vader als broer en zus werden vergast in Auschwitz. Dit trauma, in mijn geval via het moederbloed doorgegeven, ontsteeg de particuliere pijn en werd door mijn grootouders steeds opnieuw getransformeerd in een verregaand maatschappelijk en politiek engagement dat internationaal werd ingezet. 24 november 1991, de Zwarte Zondag waarop extreemrechts voor het eerst sinds de oorlog beangstigend veel stemmen haalde in Vlaanderen, maakte meer indruk op mij dan de notoire septemberdag tien jaar later. Ik werd eraan herinnerd dat het kwaad (of in de kern: de angst) onder ons leeft. Als je grootschalige gruwel in de toekomst wil vermijden, moet je alert blijven op het banale kwaad dat je op straat herkent en als voortekens in kranten en de woordenschat van de gevestigde orde leest. Het onderscheid tussen verleden en heden bestond amper, van ‘Wir haben es nicht gewusst’ was nooit sprake. Geschiedenis is niet iets wat je leert, maar iets waar je van blijft leren.



De eerste geschiedenisleerkracht op mijn middelbare school stond in haar aanpak haaks op de visie die thuis leefde. Zij dicteerde met monotone stem feiten die we geacht werden gezagsgetrouw in schriften over te nemen, op de linkerpagina hoorden hoofdzaken thuis, rechts bijzaken. Elke uitdaging om zelf dit onderscheid te maken ontbrak, geschiedenis was voor haar een statisch feitenpakket uit het verleden dat na categorisatie uit het hoofd geleerd moest worden. Van de Dodenherdenkingen in Nederland, waar ik ondertussen zes jaar woon, word ik ieder jaar om vergelijkbare redenen ongemakkelijk. De wijze waarop deze herdenkingsrituelen worden uitgevoerd, doet verdacht veel denken aan een starre leerkracht die niet weet uit te nodigen tot een dynamische verhouding tot het gedeelde verleden. Elk jaar realiseer ik me bovendien dat de meeste Belgen niet weten wanneer de Tweede Wereldoorlog in hun land eindigde. Hoe ongemakkelijk deze kanttekening ook is, ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de bombarie waarmee de Nederlandse doden ieder jaar weer herdacht worden, verband houdt met de schaalgrootte van het verraad, in het gezagsgetrouwe Nederland beduidend groter dan in mijn vaderland.

Pas dit jaar vond in Amsterdam een Dodenherdenking plaats die ik bij wilde wonen. Pop-up dominee Rikko Voorberg organiseerde een alternatieve herdenking met en voor oorlogsvluchtelingen in de Hoftuin van de Protestantse Diaconie. Aan een lange tafel zaten acteurs met kubusvormige maskers, waarop de gezichten van bekende en invloedrijke Nederlanders afgebeeld stonden. Een televisie zond tijdens deze feestdis de traditionele herdenking op de Dam uit. De tafel werd afgeschermd door scheermesprikkeldraad. Daarrond stonden de alternatieve herdenkers: Nederlanders, een verdwaalde Joodse Belg, maar ook Somaliërs, Syriërs, Irakezen, mensen voor wie het trauma niet al twee generaties oud is. Om de met handen verbonden menselijke cirkel stonden tentjes opgesteld, net als in de vluchtelingenkampen aan de randen van het in zichzelf gekeerde continent. Op het einde legden we samen kleurrijke bloemen op de vlijmscherpe prikkeldraad.

De kritiek die Rikko op zijn plannen kreeg, is niet mild. Hij zou verdeeldheid willen zaaien op een ‘heilige’ dag die eenheid creëert. Maar is dat wel zo? Het omgekeerde lijkt meer steek te houden. Met zijn betoverend-realistische beeld van een Europa dat steeds meer op een reservaat lijkt en zijn keuze om de herdenking te houden met slachtoffers van oorlogen waaraan we, hoe onvermijdelijk ook, op allerlei schimmige wijzen medeplichtig zijn, roept hij naar mijn gevoel net op tot minder verdeeldheid. Welk kwaad vormt de wortels voor groter kwaad? Net als de pop-up dominee kijk ik bij deze vraag in de spiegel. Daar kan je voorbij uitgeholde concepten van eenheid op zoek naar échte verdeeldheid, de verdeeldheid in jezelf die je onder ogen kan komen, om vervolgens tot jezelf en elkaar te komen. Daarvoor is het nodig verder te kijken dan tegenstellingen als ‘toen’ en ‘nu’, maar ook ‘zij’ en ‘wij’. Rikko schrijft: ‘Herdenken is hard werken. Het is denken aan toen én jezelf nu spiegelen.’ Door op zoek te gaan naar de dader in onszelf, de medemens die het machteloze hoofd wegdraait, het slachtoffer dat zich gevangen voelt, kunnen we dynamische veranderprocessen in gang zetten. Als ooggetuigen dan wegvallen, tasten we niet langer met verlichte blik in het duister. Dan verandert het ‘nu’ van een krampachtige synthese van fouten uit het verleden waaruit we zogenaamd lessen getrokken hebben in een startpunt, in een reden tot echte verandering.

The times they are a-changin’ and so are we. Ook wij zijn geen statische eenheden, we vormen samen een constant evoluerend verhaal. Elk van ons is in staat naar onze wortels en blauwdruk te kijken en die vervolgens te ontgroeien. Elke identiteit bestaat net als geschiedenis uit meerstemmige verhalen, waartoe je je kritisch, maar ook actief kan verhouden. Wanneer we herdenkingen voorbij de hypocrisie inzetten als momenten voor gezamenlijke zelfreflectie, hebben ze de potentie de toekomst te veranderen, om naast schuldbewust bovenal hoopvol te zijn. Naar het heden kijken, is zeker een stuk abstracter en moeilijker dan bloemen bij standbeelden uit het verleden leggen. Maar samen kan het: voorbij narratieven van schaamte, schuld of slachtoffer, van dader, kwaad en machteloze stagnatie rest de vrijheid om het vervolg van het verhaal zelf vorm te geven. Anderen zijn hierbij onze spiegels, waarin duidelijk wordt wat we uitlichten of liever in duisternis hullen. In de ander ligt het ik, in onze handen ligt de mogelijkheid om van vicieuze cirkels spiralen te maken die het geweld ontstijgen. Jij bent het startpunt: meer dan synthese ben je mogelijkheid. Je bent sterrenstof dat fonkelt van zodra je in het donker je eigen licht ontdekt.

Kunnen we volgend jaar na 4 mei ook stilstaan bij 15 mei? Deze Nakba Day volgt voor Israeli weliswaar op een onafhankelijkheidsverklaring, voor Palestijnen is het het begin van een lijdensweg waarvan het einde in 2016 nog niet in zicht is. Als we er een gewoonte van maken om internationaal stil te staan bij Nakba Day en als we geweld vanaf nu in globale geweldspiralen in kaart brengen, nodigen we misschien ook andere Joden uit tot een blik in de spiegel. Hoe dan ook hoort een reflectieve, zelf- en schuldbewuste manier van doden herdenken op de linkerpagina van onze toekomst thuis.




dinsdag 1 oktober 2013

Nog een brief aan papa (zeven maanden later) - of is hij aan de wereld?


Liefste papa,

Ik voel me verschrikkelijk. Al een tijdje. Het valt niet te verhelpen met een huilbui, met een kusje, een knuffeltje, een tai chi- of zangles, een beetje bemoedigend nieuws, een grammetje optimisme, een litertje vergetelheid. Dus schrijf ik maar. Of het zal helpen betwijfel ik, maar misschien helpt het om net die schrijnende twijfel een naam te geven. ‘Moedeloosheid’.

Aan de buitenkant verandert er niet zoveel. Ik lijk voor de oppervlakkige kijker iets meer verontwaardigd dan anders. Ik maak weer meer lawaai dan een tijdje terug, maak me veel te druk en vind die drukte elke dag meer terecht. Normaal gezien gaat het dan beter met mij. Nu is het anders. Ik zie niet wat ik kan doen en hoe ik kan vergeten. Mijn zorgen over het wereldbedreigende probleem in Fukushima? Mijn opwinding over een allesveranderende crisis die ons boven het hoofd hangt? Een ‘vriend’ die naar jouw begrafenis kwam, noemde het publiekelijk de ‘Grote Marie Show’ en knipte online de banden door.

En nee, ik ben misschien geen aangenaam mens. Ik zou ook gewoon mooi kunnen zijn, of droevig en daarbij mijn mond kunnen houden. Ik zou me kunnen laten troosten. Recepten voor bananencake met de wereld delen, vertellen welke boeken mijn hart raakten. Mijn therapeute stelde voor om dat op zijn minst eens te proberen. En daarbij twee weken lang niet denken aan de dingen die ik toch niet kan veranderen. En goed aan de cirkeltjes denken, die ze voor mij op een whiteboard tekende. ‘De meeste mensen voelen enkel verantwoordelijkheid voor die dingen waar ze invloed op hebben.’

Nu denken we allebei na. Of we wel bij elkaar passen. Want ik word opstandig van haar cirkeltjes. En zij heeft geen voeling met de existentiële vragen die ik stel, terwijl ik eigenlijk om jou zou moeten huilen. Maar ik heb naast een dode vader ook vriendinnen die kinderen krijgen. Ik heb twee ogen in mijn kop en een buik die van alles door elkaar schreeuwt. Mijn grootvader die als achttienjarige vrijwilliger naar Spanje trok om te vechten tegen fascisten zou spuwen op de cirkeltjes. Zoals de meerderheid blind is voor de buitenste cirkels, zo ken ik de binnenste cirkel amper. Er staan boeken en er loopt een kat rond. Verder is het vloeibaar. Ik werd tweeëndertig jaar geleden gegooid in een wereld die nooit in cirkels te vatten viel maar toch doordraait en verdampt zonder dat we het begrijpen.

Ik weet ook wel dat de therapeute gelijk heeft. Dat het zou helpen om in die cirkels te geloven. Om dan zo gezellig mogelijk de binnenste in te kleden. Bovendien zie ik wel de mensen die hun binnenste cirkels – al is het traag – dingen veranderen. Dat merk ik in spirituele Facebookgroepen, in plaatselijke initiatieven. Maar ze zijn als de kusjes, de knuffeltjes, de grammetjes, de litertjes. Ze geven maar sprankeltjes, vegen tijdelijk wat traantjes weg. Want iets meer daarbuiten, kantelt het. Het stinkt enorm en het is er koud. Het wordt tijd dat die binnenste cirkels wat meer tegen elkaar aankruipen. Elkaar de hand reiken.

Ik denk dat jij mij gelooft als ik zeg dat ik nu geen podium wil, maar dat ik in een luisterende massa wil verdwijnen. Dat ik het liefst van al mijn oor op de aarde wil leggen, mijn handen schaven aan de bomen die ik omarm, dat ik in de schelp de zeeën wil horen en fluisteren ‘het komt goed’. Jij weet dat dit geen Grote Marie Show is, maar een Ieniemienie Marie Show. Met heel veel tranen in plaats van applaus.

Laat deze moedeloosheid deel van de rouw zijn. Please. Laat deze tranen echt voor jou zijn. Maar dat zijn ze niet. Niet zonder meer. Ja, ik huil om jou. Maar nog meer om de wereld waarin je me plaatste.

Liefs,
Marie

vrijdag 8 februari 2013

Brief aan mijn grootmoeder (in memoriam Rachel Souritz - II)


















Lieve bomma, lieve Rachel Souritz,

Over een paar dagen, op maandag, zijt gij vijftien jaar dood. Normaal gezien ben ik vrij exact met data en de dagen waarop ze in inkt herinnerd worden, maar dat is nu allemaal een beetje anders. Want maandag ben ik moeër dan vandaag, dat weet ik nu al. Op maandag heb ik weer een paar dagen voor papa gezorgd. Misschien weet gij dat ook wel, weet gij ook hoe droevig ik ben, al durf ik daar niet zeker van te zijn.

Maar ik schrijf dus nu. Want ik kijk naar buiten. De hele dag al speelt de zon een spel met smeltende sneeuw. Ik twijfel tussen een boom zoeken, daar onder gaan zitten en mijn arm rond mijn knieën slaan, een visietekst herschrijven of een brief aan u. Ik kies in de eerste plaats voor de brief. Niet omdat ik daar per se gelukkiger van word, maar omdat ik zo het meest bij mezelf blijf op een dag waarop dat nodig is. Daar is soms daadkracht voor nodig, voor dat ‘bij jezelf blijven’. Vooral als je naast borsten en billen een heel pfff-verhaal met je meedraagt en daar graag uit wil ontsnappen. Maar waarschijnlijk leidt dat bij jezelf blijven wel tot meer geluk, als vanzelf dus, al is het met een krop in de keel.

Ik kijk graag naar de foto op uw doodsprentje. Niet lang voor ge dood ging, heeft mijn nicht die foto’s van u gemaakt, op het terras van die vijfde verdieping. Ze hoorden dus niet bij een van die vele reportages over de oorlog, maar waren net als deze brief een blijk van bewondering van een kleinkind. Toen de foto’s gemaakt werden, was ik al lang niet meer het jongetje dat in de lift de vijf al wist staan, maar ik was ook nog lang niet de vrouw die ik nu ben. En hoe gij op die foto in die camera kijkt, dat durf ik nu nog niet.

Trots, is het. En kracht. Ik voel weliswaar vulkanen in mijn lijf en watervallen die onder de donderwolken soms nog schoner lijken. Ik heb er vertrouwen in dat ik nog veel ga lachen en dat ik op een dag een vent ga vinden die wel raad weet met al dat natuurgeweld. Daar twijfel ik eigenlijk niet aan. Maar als er een camera op mij gericht is, dan kijk ik daar toch nogal schaapachtig naar. Of ik probeer een beetje mysterieus te kijken. De mooiste foto’s van mij worden stiekem gemaakt, of in het midden van een verhaal waarin ik opga. Maar nooit zo open en bloot.

Als ge d’r nu nog zou zijn, zou ik u dat willen vragen. Hoe dat ge dat doet, zo ongelooflijk straf kijken. En daarnaast zou ik u willen vragen waar ge spijt van hebt, als er dingen zijn die ge betreurt. In mijn vastberadenheid om hier sterker uit te komen, probeer ik toch ook zacht te blijven. Ik probeer mensen dus dichtbij te laten komen, maar zij die liegen tegen zichzelf hou ik steeds verder van me weg. Ik ben daar wat strenger in geworden en vraag me soms af of dat me een ‘straffe madam’ maakt of vooral een stuk eenzamer. Dat zou ik u allemaal willen vragen, hoe dat ge dat in godsnaam allemaal overleefd hebt, dat verraad, dat overlijden zo dicht bij u, dat leven met een man die in zowat alles anders was, behalve de wereld willen verbeteren. En om welke dingen ge ’s avonds in bed het meest gehuild hebt.

Mijn blik verschuift. De foto van hem is aan een meer gemaakt. In de zon, vandaar het licht. Hij lijkt de kwetsbare van de twee, de zachtste, het vrouwtje bijna. Schijn bedriegt waarschijnlijk, hij was diegene die de codes kraakte en strategieën bedacht, hij hield van redeneren en niet van muziek. Gij zong de longen uit uw lijf, zelfs toen dat niet meer goed lukte, en liet zo veel mensen met hun mond vol tanden staan. Maar ook dat vraag ik mij soms af, hoe dat écht was. Niet in de portretten van jullie twee, niet in de woordenwisselingen, niet in de minnaars en minnaressen om de kloof te dichten. Maar in de wijze waarop gij dingen in zijn oren fluisterde. En hoe zacht hij uw rug moest strelen. Of ge daarom vroeg of het op u af liet komen.

Maar daar zouden zelfs geen woorden voor zijn, als ik het toch zou kunnen vragen.

Bomma, ik zie u graag. Over vijf jaar schrijf ik u zeker weer. Misschien eerder. Denk aan mij, ik denk aan u.

Slaap zacht, mammele.

X Marie

P.S. De rouwrede die Ronald Commers schreef voor uw begrafenis, herlees ik vaak.

maandag 2 januari 2012

Sprookjesfiguren die slecht aflopen

Dat het leven geen sprookje is, weet ik al heel lang. Misschien kwam het eerste besef toen ik in de tuin van mijn grootouders velletjes van de berkenstam trok. Terwijl mijn grootvader, een wijze oud-strijder, in de moestuin de grootste pompoen van Edegem probeerde te kweken, keek ik ontzet naar mijn vingers, die de ranke stam uitkleedden zonder dat ik dat wilde. ’s Avonds kon ik niet slapen. Mijn klasgenoten staken slakken in brand. Mijn grootmoeder zweeg over haar dode zusje.

Nu weet ik stilaan ook dat ik me moet beschermen tegen de archetypes die sprookjesfiguren zijn. Dat gaat veel verder dan het hokjesdenken over man en vrouw. Daar weet ik me, als ik niet boos ben, nog best goed tegen te wapenen. Maar de sprookjesfiguren die in mijn leven voorbij komen, zijn een moeilijker geval. Laat het een les worden dat ze me altijd pijn doen. En dat enkel hij die in geen enkel vormpje past goed voor me kan zijn.

De eerste die mijn hart brak, was de Grijsaard. Hij was maar zes jaar ouder dan ik en had een jonge buik, maar ik herinner me de gesprekken over later, als hij grootvader zou zijn. Een boek, een pijp, een glaasje wijn. Op mijn favoriete foto van hem leunt hij voorover en trekt peinzend aan een sigaret. Toen hij inzag hoe turbulent mijn hart nog was – ik was net achttien – brak hij het. Hij komt gemiddeld twee keer per jaar in mijn dromen voor. Dromen waarin ik me steeds geborgen voel. De dag dat ik voor het eerst zijn naam niet uitsprak, kwam pas vijf jaar later, toen ik het tweede sprookjesfiguur ontmoette.

De Grote Boze Wolf was een geval apart en veruit de mooiste. Donkere ogen die steeds droevig stonden, nadat hij bekende een dier te hebben gedood. Die bekentenissen waren loodzwaar. Hij verbood me erover te schrijven, stal de weinige woorden die uit me sijpelden en paste ze rillend aan. Meubels schoven centimeters op als we samen waren. Het waren drie wilde jaren van draaikolken, verzingend verlangen en bedrog, bloedgeile onbereikbaarheid en krassen in een rug. Van schuld en boete, smeekbedes. Toen hij met een mes in zijn polsen sneed, stak ik een sigaret op. De opluchting die ik voelde, borrelde op als een schaterlach. Een week later was ik al best goed genezen.

Toen kwam Peter Pan. Hij dook op in een feestmassa, leidde me er doorheen en lachte toen ik onderweg de Grote Boze Wolf in zijn kloten stampte en de Grijsaard bij zijn tengere schouders greep. Aan het eind van de massa ging hij in kleermakerszit op de klinkers zitten en nodigde me uit om me op zijn spontane schoot neer te vlijen. Ik stelde voor om een ei te bakken maar we eindigden in bed en hij huilde in mijn oor. Bij Peter Pan zingt het licht, maar in het donker vindt hij de schakelaar niet. Peter Pan houdt van verstoppertje spelen. Hij is vingervlug, sierlijk en doodsbang. Terecht misschien. Was hij een jong katje geweest, ik had hem in een emmer water gezet en een deksel op zijn kop gezet. Maar hij is geen kat, hij is Peter Pan. En Peter Pan laat je buiten spelen, terwijl je zijn oorlogen voert.

Nu is het mijn beurt, Peter Pan, om in jouw oor te huilen. Hier kom je niet onbeschreven vanaf.

donderdag 10 december 2009

Brief aan de groenteboer

Liefste groenteboer

Ik ben absoluut geen dorpskind. Ik groeide wel op in een dorp, maar zelfs voor dat dorp officieel een stad was, leek het niet op een dorp. Toegeven, de koeien waren dichterbij dan het hart van de grote stad. Maar toch. De rurale romantiek met bijhorende beklemmende mentaliteit, moet ik toch uit de boeken en bij ex-lieven halen. Toen ik nog mini was, donderde ik één keer van het kerkpodium tijdens de kerstmis, omdat de vleugels die ik als engel droeg te zwaar waren. En daarbij houdt de directe kennismaking met het katholieke Vlaanderen eigenlijk op. Meestal ben ik niet meer dan de observator die er zachtjes om glimlacht. Zich er onbezonnen druk om maakt, of met reden erg kwaad.

Ik weet helemaal niet of u katholiek bent. Eigenlijk baseer ik me bij die veronderstelling enkel op uw leeftijd. U bent stokoud. Uw ogen glanzen, deels door vreugde, deels door de waas die erover heen ligt. Uw handen zijn het ultieme bewijs van jarenlang labeur. Een stevige handpalm en dito vingers. Maar aan het einde van die verweerde vingers zitten heel fijne, bijna vrouwelijke topjes. Misschien speelt u piano, dat kan, maar ik denk eerder dat u al heel veel aardbeien geplukt heeft.

Sinds twee weken kan ik u opnieuw verwelkomen. Om half drie stipt belt u op donderdag aan. Nu ik besef dat één van de voordelen van opnieuw lesgeven deze wekelijkse ontmoeting is, betreur ik alvast dat ik volgende week aan het vergaderen ben op dat uur. Of nee, ik ga dan naar de oogarts. Het spijt me. Maar het is belangrijk dat we zo gezond mogelijk zijn. Niet roken, veel fruit eten en pas als het echt nodig is, naar de dokter gaan.

Ik had daarnet veel zin om u binnen te vragen. Thee te zetten en twee kopjes te kiezen zonder oor, zodat we de thee op de winterse manier kunnen drinken. De stoof zou ik eventjes veel harder zetten, zodat het lawaai de kamer vult en we samen naar de kat kunnen kijken die van de stoof naar uw benen loopt en uw blauwe overall besnuffelt. En bij u zou ik me niet schamen over de kruimels die hier ondertussen op de vloer liggen (de kuisvrouw is ziek, verdomme). Want zonder woorden begrijpt u mijn aftands ritueel.

Ik weet dat u hoogstwaarschijnlijk zou weigeren als ik u zou vragen even binnen te komen. Dat is niet erg. Het maakt me al heel blij dat u twee keer achter elkaar zo verwonderd bent dat ik toch de deur kom opendoen. Mijn hart zwelt van blijdschap, als u vertelt dat u een jaar lang iedere donderdagnamiddag bent blijven aanbellen. Ik heb het u uitgelegd, waarom ik er zo lang niet was. U knikte. En vertelde het opnieuw. Uw dochter heeft nog in het onderwijs gestaan, maar ze hield ermee op omdat het te zwaar was. Nu werkte ze bij ‘den Belgacom’. Met de crisis wordt dat nu ook een beetje zwaar. Uw ene zoon is psychiater en woont in Londen. De andere zoon werkt bij de politie in Gent. Alle beroepen worden met even veel eerbied besproken. Net zoals u even trots bent op de tomaten in de zomer als op de mandarijntjes in de winter.

Ik heb ook gezegd dat ik net fruit was gaan halen, maar heb u toch een euro gegeven voor een minitrosje druiven. Wat zijn ze lekker. Zoals alles wat u verkoopt zien ze er een beetje vreemd uit maar ze smaken fantastisch. Het is moeilijk: verder typen en druiven eten tegelijk, zonder dat het sap op de toetsen druipt. De brief is bijna af, de druiven bijna op. En ik glimlach om het ritueel dat er na twee keer weer is alsof het nooit verdween: nooit koop ik voor meer dan twee euro. En steeds denk ik enkel aan u als ik eet wat ik bij u kocht.

U bent de grootvader die ik al een tijdje niet meer heb. Volgende keer toon ik u het vierde nummer van Kluger Hans, beloofd. Ik denk dat u heel blij zal worden van de coverfoto. Ja echt, ik ben Maria. Dat ging me net iets beter af dan een engel met te zware vleugels.

Liefs
Marie

maandag 9 juni 2008

Victor

In afwachting van nieuwe schrijfsels post ik nog eens eentje uit de oude doos. Dit gedicht gaat over Albert De Coninck, a.k.a. Vic. Hij overleed op 6 december 2006. Dit gedicht werd acht jaar geleden geschreven en kaapte op twee wedstrijden (Derde Druk, Soetendaelle) prijzen weg. In het verslag van Soetendaelle 2002 staat te lezen: 'Ouderdom, dementie en een eindeloos geduld van verzorgende blikken worden door Marie Meeusen beschreven in Victor'. Dit is ongetwijfeld goed bedoeld, maar wijst op een erg subjectieve interpretatie. Mijn grootvader was immers veel, maar dement was hij niet. Daarom waarschijnlijk dat ik zijn doodsprentje, waarop dit gedicht te lezen stond, meer waard vind dan eender welk poëzieverslag.



Victor

Het is stil.
Bang voor elk hoestje
kijken x paar ogen
naar onze tachtigjarige oorlog.

Hoe hij traag
met heel veel aderhanden
pompoensoep slurpt
en onze angst uitlacht.

Plots schept hij - na moeders soep -
opgeblazen Duitsers
en beelden van de Guernica uit.

Na stil komt stiller.



ps Sinds vorige week valt zijn levensverhaal (en dat van zijn rebelse vrouw) ook beknopt te lezen in het Verzetsmuseum van Amsterdam. Ik moet zelf nog gaan kijken.

dinsdag 12 februari 2008

In memoriam Rachel Souritz (bomma Mart)

Eigenlijk is het op dit schrijfmoment net geen elf februari meer. Wel twee-duizend- en-(n)acht. Raar hé, we dachten toen echt dat satellieten rond onze oren zouden vliegen. Maar nee, jij bent gewoon tien jaar dood en ik stotter nog steeds. Ik leer ieder dag onnodige regels bij, en waar ik echt in wil geloven verdwijnt zo nu en dan achter de sterren.

Meisjelief, wat is dat missen soms hard. Mijn slapen knellen, mijn bloed stolt in stukken op dit blad. Geen compassie he. Dat laatste is al goed genoeg. Daar vullen we makkelijk dromen mee.
Seg, lachen we samen even die brekende tekens uit dat vorige deel weg, bomma? De adem van jouw broer en zus in gaskamers. We lachen ze weg en daarna klauwen we naar mijn Grote Boze Wolf. Hij was niet lief, bomma. Hij heeft mij pijn gedaan.

Ringen van een boom. Jouw rimpels die ik krijg. We blijven lachen tot kersen uit de bomen vallen, vogels op ons hoofd kakken. Samen heksensoepjes brouwen, dat wil ik. In een verroeste bak met twee takken om te roeren. Of één stok en vier krachtige handen. Basis: modder en Dreft, slakken, knollen en een handvol rode aarde. Zo draait de aarde weg. De bladzijde om. Zijn slangenhuid verpulvert op de grond. Enkele spreuken zijn krachtig genoeg.

Ik ga slapen, liefste. Je vraagt me om te dromen. En ik heb nog een heel leven om je rug te eren. Het strelen van mijn haar. Jouw geur. Je ogen, je vuur. Ik mis je.

Een oude witte vrouw die langs de oevers van mijn wereld vaart. Waar ik tot rust kan komen. Als de inkt op is zijn er geen bonkende slapen meer. Dan kom ik tot rust. Bij jou.

dinsdag 22 januari 2008

22/06/2005: Voor bomma Els

Eentje uit de oude doos:


Je kan op verschillende manieren over iemand schrijven. Zo kan je ervoor kiezen om voordien minutieus uit te stippelen waarover je wilt praten, om dit dan neer te pennen op een trillend blad papier. Maar je kan ook zwijgen en je geest leeg maken. Verschillende deurtjes worden geopend en je hoeft niet langer na te denken over wat uit je hand zal vloeien. Zoals er verschillende manieren van schrijven zijn, kan je ook op honderd manieren afscheid nemen. Je kan hem tot koning kronen, aan wiens vergane voeten dagelijks wordt getreurd. Zij kan een prinses worden, die met jou haar rode kersen niet wilde delen. Je kan iemand begraven, bespuwen, je kan de leegte ontkennen die ontstaat, de vragen die onbeantwoord zullen blijven. In afscheidsspeeches tenslotte kan je uitsluitend over jezelf praten, of enkel over de ander. Dit zijn de speeches die meestal het minst vertellen. Daarnaast kan je ook deze twee individuen verduisteren en het licht laten vallen op die onzichtbare dingen waarmee het ene hart het ander vult. Ik kan treuren om het feit dat ik bomma Els sinds kerstmis niet gezien heb, ik kan mezelf voor m’n stomme jonge kop slaan, of ik kan haar beschrijven. Wie ze was, voor mij.

Bomma Els kon als een rasechte oma heel goed breien, warme truien, truien met zachte wol, truien met kabels. Eén keer maakte ze zelfs een groene slang met roze tong voor me, toen ik nog op de lagere school zat. Die slang werd veel langer dan mijn geduld ooit was. Vooral de voorbereidingen op het gebrei waren leuk. Kleuren en patronen kiezen in de “Mode et travaux” en dan aan het raam gaan staan. Bomma draaide met spelden in haar mond een meetlint rond je lenden. Vanaf die eerste meetsessie werd ik een prinses die verlangend naar haar bruidsjurk in wording keek, en de wol af en toe kwam aaien terwijl bomma volhardde in haar naarstig breilabeur. Na één week was de voorkant meestal klaar, een week later was de rug er al en op het einde waren de mouwen er. Soms prikte de wol een beetje, soms was de trui zo zacht als sneeuw, maar helaas waren die mouwen steeds te lang. Misschien was ik gewoon te klein? De laatste tien jaar was bomma nochtans de kleinste van ons twee. Eén meter tweeënvijftig was ze, en ze verkondigde vaak trots dat ze al decennia lang vijfenveertig kilo woog, geen kilo meer of minder. Op het einde woog ze veel minder. Ik weet niet of ze dat zelf wist. Misschien woog ze in haar hoofd nog altijd even veel.

Bomma Els vertelde verhaaltjes op de vreemdste momenten, na een lange stilte of tijdens een gesprek dat over iets heel anders ging. Eén van die verhalen was over hoe ze die ene keer in haar leven zat was geweest. Haar man, bompa Jos voor de kleinkinderen, was naar haar toegekomen toen ze tegen een muur stond geleund. Toen rimpelde ze haar neus om te tonen hoe haar man aan haar gezicht snuffelde. “Edde gij gedroenken?” Hoewel het voorval mij erg onschuldig leek, heeft iets haar toch doen besluiten nooit meer dronken te worden. Als kind was mijn favoriete verhaal dat van de vliegenscheten op het plafond. We bevinden ons in oorlogstijd, in een kelder, en dromende bompa Jos maakt zijn vrouw wakker om te zeggen dat er vliegenscheten op het plafond zijn. Het hele verhaal zal ik u besparen, zolang dat u maar weet dat ook hier een oneliner bijhoorde. Zo’n oneliner die als plotse verhaalwending bedoeld is, maar die door alle toehoorders voorgefluisterd wordt, terwijl ze grinnikend elkaars blikken zoeken.

Aan bomma Els kon je met kerstmis puzzels geven, of cassetjes. Ze had Edith Piaf, Maria Callas en Al Jarreau. Ik heb nooit goed geweten waar ze het liefst naar luisterde, waardoor ik twee dagen voor kerstavond in een bak grabbelde en zei ‘Dit vind ik leuk, dus ik denk dat bomma Els dit ook mooi gaat vinden.’ Vraag me niet waarom, maar ik denk dat ze net als ik Hoezo? Clouseau uit 1989 een toffe plaat vond. Bomma was vast ook een beetje verliefd op Koen Wauters.

Ik denk overigens niet dat bomma Els tijdens haar leven op veel mannen verliefd is geweest. Maar van mijn bompa hield ze zeker. Vaak zei ze: “Raar toch hé, ik voel me daar vaak droevig over, maar echt huilen dat gaat niet.” Het is moeilijk om als buitenstaander de relatie tussen twee mensen te beschrijven. Zoals ik net zei, gaat het over onzichtbare dingen waarmee harten elkaar vullen. Ik kan u evenmin op een schaaltje presenteren hoe ik van bomma Els gehouden heb, of zij van mij. Sommige dingen blijven zweven, of kruipen langs je benen en strelen je tenen, maar vertellen je geen concreet verhaal. Ik ben Marie, drieëntwintig, ik schrijf graag en ik voel me al een week raar omdat mijn bomma is gestorven.

Bomma Els was een stille en dan weer praatzieke oma. Ze was het soort vrouw dat liever op de achtergrond bleef, en waarvan je nooit helemaal wist wat welke conclusies ze trok uit haar observaties. Nooit heb ik haar echt geknuffeld, behalve de laatste keren dat ik haar zag. Ze zag er zo breekbaar uit, zo onbereikbaar en kwetsbaar dichtbij. Ik kon niet anders dan haar fragiele handje vast te pakken, om haar door de duistere gangen te leiden.

Nooit heeft zij mij echt vastgepakt, behalve één keer. We waren met de familie op weekend in de Ardennen, ter ere van haar tachtigste verjaardag. Ik sliep in hetzelfde bed als zij. Overdag hadden we een boswandeling gemaakt, die zij parmantig op kleine hakjes had meegestapt. Toen we uren later tussen de stijve lakens lagen, kroop haar hand plots naar de mijne die op de dekens lag. Ze kneep er heel zachtjes in en ik bleef roerloos liggen, ook lag ik nogal ongemakkelijk. ’s Morgens werd ik wakker met een blij gevoel van verwondering. Tijdens een Franse zomernacht vol krekels en verhalen in de lucht heb ik dit voorval verteld aan papa en Tom. We stonden er even bij stil, maar niemand wist te zeggen hoe we van haar hielden, of zij van ons. Maar ik weet dat die liefde er was, en dat ze zal blijven. Ik weet dat die oude hand, met vingers die je in kan deuken, op mijn schouder rustte toen ik dit schreef.

Populaire berichten