Posts tonen met het label in memoriam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label in memoriam. Alle posts tonen

vrijdag 5 april 2013

Brief aan Kurt Cobain


Liefste Kurdt*,

Bizar hoe dat kan. Ik heb me de hele week verongelijkt gevoeld, boos, verkrampt, waanzinnig ongelukkig. Ik heb zowat alles gevoeld wat een hart doormidden snijdt, maar nooit verdriet. Echt. Tot daarnet. Een oude schoolvriendin, die ook naar papa’s begrafenis kwam en met haar komst mijn hart verwarmde, herinnerde me er op Facebook aan dat gij negentien jaar geleden ne kogel door uwe kop schoot. Enfin, dat vermoeden ze, op basis van de staat van uw lijk toen ze u op 8 april vonden. Ge zijt nogal vereenzaamd gestorven.

Soit, ik besloot ‘Dumb’ online te plaatsen en plots moest ik keihard bleiten. Met uithalen, vloekend in het Antwáárps, er was echt niets standaard aan. Ik schreef hoe papa u altijd Kurt Koppijn noemde. En dat ik niet geloof dat er een hemel is. En als die er wel is, vermoed ik dat jullie er om zeer verschillende redenen niet beland zijn en dat gij nu in een meer van vuur woont. Papa vernoemde u naar pijn, maar eigenlijk denk ik dat hij u stiekem wel leuk vond. Leuker dan Prince in ieder geval. Hoe dan ook, mijn gedachten dwaalden af, naar zwarte stretchbroeken en zwarte nagellak, naar houthakkershemden die mijn kleine borsten verdoezelden, naar tuinhuisjes die we met combats in elkaar stampten zonder goed te begrijpen waarom. Maar vooral naar de lachrimpels in uw kaken, die parallel liepen met die van mijn vader en waar ik altijd week van word. Naar de songteksten die hij voor mij printte. Een dikke stapel papier, bedrukt met gepixelde inkt en met gaatjes aan de randen. En plots was dát daar, waar het allemaal om draait: verdriet.

Waarom vond ik u toentertijd zo bijzonder? Het is een feit dat weinig blonde kerels zo lekker zijn als gij. En echt vettig haar, dat is helemaal zeldzaam sexy. Chapeau (ik wil niet aan het hoedje rieken). Maar het was meer dan dat blonde haar, die blik waarmee gij op het eind van die Unplugged-opname uw blauwe ogen opslaat. Het is meer dan de tanden waarmee gij zo nerveus knarsetandde, de pen die flink zotte en opgejutte teksten schreef die bij wijlen geniaal herkenbaar zijn. Meer dan de vinger die gij mager op de wonde legde en die verklaart waarom mijn collega Smells like Teen Spirit opnam in de hoorcolleges van Cultuur en Media. It’s a fucked up world. I can't help it - I love it anyway,

En zoals het in de kern verdriet is, gaat het nu ook meer om mij dan om u. Omdat gij raakt aan wat mij het meest van al verdriet doet. Voor de duidelijkheid: van vaders moet men houden, men kan ondanks alles niet anders. Gelukkig was dat in mijn geval soms wel complex, maar nooit echt moeilijk. Maar houden van mannen als gij, dat is een ander paar mouwen. Want aan de ene kant vervloek ik jullie machteloze bestaan. Maar wat vind ik mezelf beangstigend bitter, dat ik dat durf te schrijven. It all comes down to love. The finest day that I've ever had, was when I learned to cry on command.

Ja, lieve Kurt. Ge hebt afgezien in die koude industriestad, met die rare vrouwen, de wereld die u niet begreep, dat kind dat er plots was en de drugs die gij nodig had. Maar waarmee gij het meest hebt afgezien, dat waart gij zelf en uw onvermogen om met uzelf door één deur te lopen… En waarvan ik, naast het verlies van mijn vader, nu ook afzie, is mijn drang om jullie op een vreemde manier te herkennen, vereren en verachten tegelijk.

Jullie zijn ook zo verdomd schoon. Die halve gekken met vuur in hun ogen en de meest ware onzin in pacht. In mijn vreemdste dromen doe ik niets anders dan de tranen van uw wangen likken en met een hand door uw haren te gaan omdat ik u wil kalmeren en zeggen dat het goed komt. Maar dat doet het nooit. Of zeer zelden.

I love myself and I don’t want to die,
Nen dikke kus anyway and a slap on that tiny ass of yours,
Marie x

* Die-hard fans schrijven dt-fouten. Ik doe niet mee aan die-hard. Of zeer zelden.



vrijdag 8 februari 2013

Brief aan mijn grootmoeder (in memoriam Rachel Souritz - II)


















Lieve bomma, lieve Rachel Souritz,

Over een paar dagen, op maandag, zijt gij vijftien jaar dood. Normaal gezien ben ik vrij exact met data en de dagen waarop ze in inkt herinnerd worden, maar dat is nu allemaal een beetje anders. Want maandag ben ik moeër dan vandaag, dat weet ik nu al. Op maandag heb ik weer een paar dagen voor papa gezorgd. Misschien weet gij dat ook wel, weet gij ook hoe droevig ik ben, al durf ik daar niet zeker van te zijn.

Maar ik schrijf dus nu. Want ik kijk naar buiten. De hele dag al speelt de zon een spel met smeltende sneeuw. Ik twijfel tussen een boom zoeken, daar onder gaan zitten en mijn arm rond mijn knieën slaan, een visietekst herschrijven of een brief aan u. Ik kies in de eerste plaats voor de brief. Niet omdat ik daar per se gelukkiger van word, maar omdat ik zo het meest bij mezelf blijf op een dag waarop dat nodig is. Daar is soms daadkracht voor nodig, voor dat ‘bij jezelf blijven’. Vooral als je naast borsten en billen een heel pfff-verhaal met je meedraagt en daar graag uit wil ontsnappen. Maar waarschijnlijk leidt dat bij jezelf blijven wel tot meer geluk, als vanzelf dus, al is het met een krop in de keel.

Ik kijk graag naar de foto op uw doodsprentje. Niet lang voor ge dood ging, heeft mijn nicht die foto’s van u gemaakt, op het terras van die vijfde verdieping. Ze hoorden dus niet bij een van die vele reportages over de oorlog, maar waren net als deze brief een blijk van bewondering van een kleinkind. Toen de foto’s gemaakt werden, was ik al lang niet meer het jongetje dat in de lift de vijf al wist staan, maar ik was ook nog lang niet de vrouw die ik nu ben. En hoe gij op die foto in die camera kijkt, dat durf ik nu nog niet.

Trots, is het. En kracht. Ik voel weliswaar vulkanen in mijn lijf en watervallen die onder de donderwolken soms nog schoner lijken. Ik heb er vertrouwen in dat ik nog veel ga lachen en dat ik op een dag een vent ga vinden die wel raad weet met al dat natuurgeweld. Daar twijfel ik eigenlijk niet aan. Maar als er een camera op mij gericht is, dan kijk ik daar toch nogal schaapachtig naar. Of ik probeer een beetje mysterieus te kijken. De mooiste foto’s van mij worden stiekem gemaakt, of in het midden van een verhaal waarin ik opga. Maar nooit zo open en bloot.

Als ge d’r nu nog zou zijn, zou ik u dat willen vragen. Hoe dat ge dat doet, zo ongelooflijk straf kijken. En daarnaast zou ik u willen vragen waar ge spijt van hebt, als er dingen zijn die ge betreurt. In mijn vastberadenheid om hier sterker uit te komen, probeer ik toch ook zacht te blijven. Ik probeer mensen dus dichtbij te laten komen, maar zij die liegen tegen zichzelf hou ik steeds verder van me weg. Ik ben daar wat strenger in geworden en vraag me soms af of dat me een ‘straffe madam’ maakt of vooral een stuk eenzamer. Dat zou ik u allemaal willen vragen, hoe dat ge dat in godsnaam allemaal overleefd hebt, dat verraad, dat overlijden zo dicht bij u, dat leven met een man die in zowat alles anders was, behalve de wereld willen verbeteren. En om welke dingen ge ’s avonds in bed het meest gehuild hebt.

Mijn blik verschuift. De foto van hem is aan een meer gemaakt. In de zon, vandaar het licht. Hij lijkt de kwetsbare van de twee, de zachtste, het vrouwtje bijna. Schijn bedriegt waarschijnlijk, hij was diegene die de codes kraakte en strategieën bedacht, hij hield van redeneren en niet van muziek. Gij zong de longen uit uw lijf, zelfs toen dat niet meer goed lukte, en liet zo veel mensen met hun mond vol tanden staan. Maar ook dat vraag ik mij soms af, hoe dat écht was. Niet in de portretten van jullie twee, niet in de woordenwisselingen, niet in de minnaars en minnaressen om de kloof te dichten. Maar in de wijze waarop gij dingen in zijn oren fluisterde. En hoe zacht hij uw rug moest strelen. Of ge daarom vroeg of het op u af liet komen.

Maar daar zouden zelfs geen woorden voor zijn, als ik het toch zou kunnen vragen.

Bomma, ik zie u graag. Over vijf jaar schrijf ik u zeker weer. Misschien eerder. Denk aan mij, ik denk aan u.

Slaap zacht, mammele.

X Marie

P.S. De rouwrede die Ronald Commers schreef voor uw begrafenis, herlees ik vaak.

donderdag 25 juni 2009

De doden blijven inspireren.

En nee, de brok die ik daarnet wegslikte heeft niets met Yasmine te maken. Al is dat ook best droevig nieuws.

Een mooi in memoriam voor Dirk Elsts vriend Alvaro.

maandag 22 juni 2009

Ja, verliefd zijn op je acht kan. Deel II

Ja, verliefd zijn op je acht kan. Ik was het alvast. Op Sam. Mijn dagboek uit ’89 toont drie hartjes, die in verschillende kleuren elkaar omringen. Twee cirkels kregen de namen Bert en Bo, maar het binnenste hartje heette Sam. Mocht in die tijd ‘stalken’ al opgenomen zijn in de Nederlandse taal, dan is dat de juiste term voor mijn gedrag. Maandenlang heb ik hem met trillende handen opgebeld om te vragen of hij wilde komen spelen. Soms was ik zo bang dat ik mijn mama naar zijn mama liet bellen. Tevergeefs. Hij moest altijd wel ergens anders gaan spelen, musiceren of knutselen.

Want Sam was verliefd op Lotje, later Lot en nog later Lotte. En hoe jaloers ik ook was, ik begreep het wel. Ik was ook een beetje verliefd op Lotje. Bij haar gaan spelen was veel spannender dan naar de Efteling gaan. Een spelletje ‘Wie is het?’ was waarschijnlijk het normaalste dat we ooit samen deden. De andere keren kwam ik met zelfgemaakte kaarsen thuis of met een hoofd vol Suzanne Vega. Die plaat hadden we uit de platenbak van één van Lotjes oudere zussen gehaald. Die zussen sliepen in de kelder (uit vrije wil), waren steeds in het zwart gekleed en brandden heel veel wierook. Als ze me tijdens een van mijn bezoekjes even aanspraken liep ik een week op wolkjes. Want een zus van Lot, dat was pas een echte oppergodin.

Hoe het komt dat personen die dood zijn zich steeds zeer fysiek in mijn hersenen nestelen, begrijp ik niet. De stem verdwijnt, de geur ook. Maar alle kleuren en vormen blijven. Ze had een mager, knokig lijfje, spitse vingers en dun blond haar waardoor je steeds haar schedel kon zien. Hadden we het moeten weten, hoe kwetsbaar ze was? We wisten het niet.

Lot was geen prinsesje waar elke jongen verliefd op werd. Lot was de ultieme tomboy. Ik herinner me een jeansbroek die na maanden sparen een gat vertoonde. Toen ze maandag op school aankwam, toonde ze trots de Goofy-lap die haar mama erop gestikt had. De bruine, gladde bergschoenen met rode veters vervolledigden haar imago van ultieme coolness. Ze was ook de allereerste die deze bergschoenen verving door combats. Dat haar spillebeentjes daardoor nog magerder leken, deerde niemand. Ze bleef de leukste. Als ik met haar in een boom klom, dan slaagde ze er steeds in om nog een tak hoger te belanden.

Of ik echt met Lot bevriend was? Ik weet het niet. Ze slaagde er heel natuurlijk in om achter zich een schare klasgenootjes te verzamelen, die allemaal haar beste vriend of vriendin wilden zijn. Soms was ik de uitverkorene. Een paar maanden lang. Maar nadat we de gekste verhalen hadden verzonnen, werd ze bevriend met de volgende in het lange rijtje wachtenden.

Toen ik haar eind jaren negentig op een festival tegenkwam, schrok ik van de dromerige blik in haar ogen. Niet omdat ik dacht dat ze droevig was, maar omdat ik me toen realiseerde dat dit het wel eens kon zijn. Die ultieme aantrekkingskracht, dat androgyne sexappeal. Ze was altijd vol leven en wilde ideeën, maar tegelijkertijd wist je nooit echt wie ze was. Dat bewezen de wolkjes in haar ogen.

We nestelden ons in het droge gras, deelden een pint en eindelijk kon ik het haar vertellen. Hoe ze tien jaar eerder mijn hart doorboord had, waarschijnlijk onbewust. We hadden, nog niet eens tien, een gezamenlijke fascinatie voor het oudste beroep ter wereld opgedaan. Hoewel ik toen nog dacht dat ‘neuken’ een andere woord voor ‘manken’ was, besloten we toneel te spelen. We bouwden een kamp in het bovenste deel van mijn kamer, met stoelen en lakens. Binnenin legden we een matras. Klopten op de imaginaire deuren, spraken prijzen af, hielden onze kleren aan en gingen op elkaar liggen. Ik herinner met het schuren van de jeansbroeken, hoe het een beetje pijn deed. Ik weet dat schaamte mijn wangen bekroop. Hoe haar blonde haar rook, kan ik me met de beste wil van de wereld niet herinneren. Wat ik wel nog weet, is dat we allebei de man wilden spelen. Dat we er toen maar mee ophielden en dat ze daarna snel naar huis ging. De dag erop werd ik door de hele klas uitgelachen. Lot had over ons spelletje verteld, en gezegd dat ik ‘een vieze’ was.

Nadat ik haar op de festivalweide dit verhaal verteld had, was het haar beurt om te schrikken. Ze wist het echt niet meer, of ik weet nu niet meer dat ze het wel wist. In ieder geval speet het haar. We lachten heel hard en ze trok me de dansvloer op. Uren later kuste ik haar op de wang en liep terug naar mijn vrienden. Achttien jaar en op wolkjes.

Een paar jaren en een kind later was ze plots dood. De tijdsbom in haar kwetsbaar lijfje was ontploft. Op haar begrafenis kwamen heel veel muzikanten haar te korte leven klank geven. Het boekje dat we na afloop kregen, bevatte gedichten die zij had geschreven. En een kunstwerk dat na een wedstrijd in een park beland was. Want Lot kon alles. Betoveren, knutselen, inspireren. Enkel ouder worden lukte haar niet zo goed.

Rest in peace, meid. Ik denk nog vaak aan je. En dat van Sam, dat heb ik je net als die andere episode al lang vergeven. Een dikke kus aan Lot, met kleine l en t en grote O geschreven.

In samenwerking met bloggend klasgenootje Sam Verhaert, die deel 1 schreef.

woensdag 25 februari 2009

In memoriam Jaap Kruithof

Vanmiddag kreeg ik op mijn werk plots een sms’je van mijn moeder. ‘Jaap Kruithof is gestorven’. Tien minuten later stond hetzelfde nieuws te lezen op zowat alle nieuwssites. Dat deze befaamde knorpot dood is, raakt me. Niet dat ik tot de generatie behoor die ooit les van hem kreeg. Zo oud ben ik niet. Kruithof was een bewonderaar van mijn grootvader en na diens dood nam hij contact op met mijn moeder. Ik woonde al een hele tijd niet meer thuis, maar toch heb ik hem de laatste jaren een paar keer ontmoet toen ik naar Mortsel trok. Die paar ontmoetingen waren genoeg om toch een soort grootvadervertedering voor hem te ontwikkelen.

De eerste keer was bevreemdend, beangstigend bijna. Februari 2007, een zondagnamiddag die twijfelt tussen lenteaspiraties en echte kou. Ik stond op het punt om een lange relatie stop te zetten, maar wist op dat moment nog niet voldoende over vorken en stelen en hoe ze in elkaar zitten. Met mama, zusje en Blaise trok ik naar zijn vervallen huis om zijn ‘museum’ te bezichtigen en taartjes te eten. Dit ‘museum’ bestond uit een onwaarschijnlijke collectie onbenulligheden die hij op grote rekken in zijn kelder uitstalde. Lampenkappen, Kindersuprises, poken, knuffelberen, antieke massageapparaten. Al dit vreemds was op ondoorgrondelijke wijze gerangschikt: soms naar materiaal, dan weer naar doel of vermeende esthetische waarde – of het gebrek eraan. Vooral over de lelijke dingen was hij enthousiast. Hij vertelde vol vuur hoe hij alle rommelmarkten van de provincie Antwerpen afstruinde en de verkopers steevast op hun plaats zette wanneer ze te veel geld vroegen voor een prul. Wanneer hij een mooie deal had gesloten, hield hij uiteraard wijselijk zijn mond. Urenlang trok hij ons van de ene kelderruimte naar de andere. We mochten niet ophouden te kijken, te luisteren. Zijn monologen waren vooral op woede berust. Vaak om dingen die in mijn leven, ook al is het aan de zijlijn, wel belangrijk zijn. Skivakanties bijvoorbeeld.

Achteraf kregen we elk een taartje. Die taartjes kocht hij steevast voor zijn bezoekers. Orerend over de patserigheid van de kapitalistische maatschappij keek hij toe hoe we het fruit en de slagroom in onze monden propten. Zelf at hij niks. Ook op tuinfeesten van mijn moeder at hij verbazingwekkend weinig. En al wie wel at, kreeg alle morele implicaties op een schoteltje erbij.

Kruithof hield niet zo van poëzie, althans dat liet hij tijdens die paar ontmoetingen uitschijnen. Van de twee zusjes vond hij mij de moeilijkste, het jongere exemplaar kon hem veel meer bekoren. ‘Marie, dat is een moeilijke. Ze leeft maar met een kwart van de kracht die ze bezit.’ Hoe hij tot die uitspraak kwam, weet ik nog altijd niet goed. Misschien omdat ik na vier uur museumbezoek en het obligate taartje zelf een beetje weerbarstig werd. Het betaamt niet om op een blog te vertellen wat voor persoonlijks ik terugkaatste. Maar het kwam aan, dat was duidelijk. Toen de avond viel, was hij opmerkelijk stil geworden. En ik had een vreemdsoortige sympathie voor hem ontwikkeld.

De dag erna kreeg ik heel hoge koorts. De ziekte die volgde, maakte me sterk genoeg om mijn relatie stop te zetten. Nog steeds geloof ik erin dat die kennismaking met Kruithof de eerste oorzaak was van veel belangrijke gevolgen. Ik heb nooit zijn boeken gelezen of lessen gevolgd. Toen ik hem leerde kennen was hij al oud. Maar toch staat hij in mijn herinnering gegrift als een belangrijk man, hoe vervelend ik hem ergens ook vond. Hij bezat de kracht om mensen te doen stilstaan bij dingen die graag worden toegedekt. Kleine gewoontes, verslavingen die in se helemaal niet goed zijn voor de mensheid, maar die we in een soort collectieve onderdrukkingsdrang van elkaar accepteren. Die dingen haalde hij in mensen naar boven. Vervelend, maar wel nodig.

Rest in peace, Jaap. En een kus van Moeilijke Marie.

en ps: bedankt voor de steun die je mijn mama bood.

maandag 30 juni 2008

In memoriam Muis

Een uur geleden kwam ik thuis, nadat kleine mannen de EK-finale wonnen. De vrienden op café gaf ik vastberaden een nachtkus. Nog wat schrijven, dames en heertje. Salut en de kost. Want het eerste eenzame moment in de zomer van 2008 brak aan. De afsluiter van een weekend bol van verandering. Rode inkt op mijn vingers geruild voor glazen waarmee je moet klinken. Na een personeelsfeest en twee proclamaties volgden de zomerdons zonder hoes, een tuinfeest, veel wijn en een bed vol liefde. Met lichtbeschonken tong heb ik gezongen en een beetje borst getoond. Veel wijn. Veel mensen.

Wij wensen elkaar twee keer per jaar het beste toe. Op Nieuwjaar en bij het begin van de zomer. In die laatste dagen van juni schrijven we geen wenskaartjes, daarvoor is de wind ’s avonds te zwoel. Het had gekund. ‘Moge de komende zomerliefde jouw borsthaar (lief)hebben.’ Of: ‘Ik wens je citrusvruchten om te plukken, het rare gevoel van zand in je schoenen en pasta met tonijn’. Dat laatste kaartje zou in mijn brievenbus vallen. Ticket naar Sicilië vandaag geboekt.

De computer openklappen, handen in het haar, even die hersenen boenen… Eens kijken wat er na dit weekend nog uit mijn vingers zou kruipen. Ik stond op om de echte vrouw des huizes, mijn kat, wat brokjes te geven. Nam een flesje water mee. De poes wou binnen, weer naar buiten en terug binnen. Ze is vaak wat nerveus, dat beest. Baasje moet wat kalmer worden. Ik opende het flesje. Zulke goede voornemens mochten beloond worden met wat inspiratie.



Een beweging in mijn rechterooghoek trekt aandacht. Onder de boekenkast is iets druk bezig te vluchten. Alvast geen stervende nepvlinder. Ik wil niet meer zien, mijn blik glijdt naar links… Daar zit de kat met haar poot achter de kachel te tikken. Niet opstaan om te kijken waarop ze aan het jagen is. Het is vast meer dan een spin of randgedachte… Terug rechts. Het wezen onder de boekenkast blijkt een muis te zijn. Verdomme. Er zitten hier muizen. En ik heb een kat om ze dood te maken. Vanachter de kachel komt een tweede, gewonde muis gekropen. Ik fluister luid, bang dat de buren me horen: ‘Nee, poes, kom hier Lilith, doe dat buiten.’ Ik zie misschien één keer per jaar een ongekooide muis. De kraaloogjes glanzen, hun dunne staart verwondert telkens weer. Het doet pijn ze te zien sterven. Noem me een kind. Het maakt me bang. Ik zie mijn kat heel traag een muis vermoorden. Ik verstijf, kan niet meer schrijven in de tegenwoordige tijd.



Wou mijn liefje bellen, besefte dat het drie uur ’s nachts was, belde één van de vriendinnen die nog op café zat. Ze baande zich geschrokken een weg naar buiten. Lacherig kroop mijn angst in het achtergrondlawaai. De vriendin was opgelucht. ‘Gek kind, me daarom bellen. Raap jij dat beest morgen maar lekker op met stoffer en blik.’ Kusje en klik.

De kat, de schrijver, de muis. Als een muis uiteindelijk sterft, gaan we er graag vanuit dat haar jager teleurgesteld is. We noemen de strijd ‘spelen’. Is dit meer dan projectievermogen? Misschien kan mijn kat straks enkel goed slapen als het beest daadwerkelijk muisdood is. Geniet ze lekker na, ruikt ze in haar dromen de warme ingewanden en hoort ze in haar hemel dichtgeknepen luchtpijpen piepen.

Ik zal in ieder geval niet goed kunnen slapen. Morgen zal ik heel bewust de kamer binnenkomen. Dan mag ik niet vergeten om te zoeken naar muizenlijkjes. Die ik kokhalzend zal oprapen. Of misschien bied ik mijn buurman in ruil aardbeien aan. Een moedige man mag voor doodgravertje spelen. Ik registreer liever. De muis maakt me bang. Ik vind dit niet leuk. En de dood nog minder, zo ergens onder de boekenkast of achter de kachel.

maandag 9 juni 2008

Victor

In afwachting van nieuwe schrijfsels post ik nog eens eentje uit de oude doos. Dit gedicht gaat over Albert De Coninck, a.k.a. Vic. Hij overleed op 6 december 2006. Dit gedicht werd acht jaar geleden geschreven en kaapte op twee wedstrijden (Derde Druk, Soetendaelle) prijzen weg. In het verslag van Soetendaelle 2002 staat te lezen: 'Ouderdom, dementie en een eindeloos geduld van verzorgende blikken worden door Marie Meeusen beschreven in Victor'. Dit is ongetwijfeld goed bedoeld, maar wijst op een erg subjectieve interpretatie. Mijn grootvader was immers veel, maar dement was hij niet. Daarom waarschijnlijk dat ik zijn doodsprentje, waarop dit gedicht te lezen stond, meer waard vind dan eender welk poëzieverslag.



Victor

Het is stil.
Bang voor elk hoestje
kijken x paar ogen
naar onze tachtigjarige oorlog.

Hoe hij traag
met heel veel aderhanden
pompoensoep slurpt
en onze angst uitlacht.

Plots schept hij - na moeders soep -
opgeblazen Duitsers
en beelden van de Guernica uit.

Na stil komt stiller.



ps Sinds vorige week valt zijn levensverhaal (en dat van zijn rebelse vrouw) ook beknopt te lezen in het Verzetsmuseum van Amsterdam. Ik moet zelf nog gaan kijken.

zondag 25 mei 2008

In memoriam Marjorie Fleming (1803-1811)


Met dank aan Jurgen Smit en lees dit even. Begrijp de parodie en tevens teder eerbetoon. (Hint: ze schreef op haar zesde zowat haar hele oeuvre bij elkaar).

Toen ik net doelloos in het web aan ’t bladeren was
las ik /halve vrouw/ hoe jij op je vijf Sir Walter Scott las.
Of hem zelfs sprak. Er zijn dingen die we niet hoeven te weten
en er zijn ogen die we moeten zien, niet mogen vergeten.
Ik schrijf je nu want ik weet dat jij niet aan kon voelen
dat wij ooit door zulke webben zouden woelen.
Maar ergens wist je het wel: je ving de benen van je nicht
en legde ze in een boekje neer, bracht ze aan het licht
in kinderlijke tweelingverzen en ritmes die nooit stokken.
Toen stierf je aan de mazelen. Ik kijk onder je rokken.

donderdag 20 maart 2008

Hugo Claus

De dichter die vandaag zijn laatste adem blies
werd niet ingehaald door de dood.
Nergens wacht een man met zeis op hem.

De kathedraal waarin zijn begrafenis was gepland
al lang eigenhandig opgeblazen.
Hij knalde niet tegen een boom, zeeg niet op de stenen neer.

Nee, hem zouden ze daarboven of in de natte grond
niet krijgen. Niet zo. Hij haalde de dood aan
zonder aanhalingstekens of metaforen.

Met roerloze pen en mist in zijn hoofd wou hij niet leven.
Uiteraard blijven zijn woorden. Gaat dat niet altijd zo?
Als korsten op een wonde blijven we met hen iets eenzamer over.

Al verliezen we vandaag
Het bloed is nog lang niet vergoten.

woensdag 19 maart 2008

R.I.P. Hugo Claus

Na mijn voordracht in Leuven is dit de eerste dag zonder een deken van koorts voor mijn ogen. Ik stond lekker laat op met erg veel goede voornemens. Schrijven zou ik. Daarnet kwam een dichtende vriendin langs, die ik veel te lang niet gezien had. We aten mijn zelfgebakken broodpudding, propten de rode tulpen die ze meebracht in de blender en lachten met onze Grote Boze Wolven en namen ons voor om nog meer te schrijven.

Ze is nu een kwartiertje weg. Ik las vijf minuten geleden dat Claus dood is. Mag men wel schrijven op de dag dat één van onze groten sterft? Toen Herman De Coninck op de Portugese straatstenen neerzeeg beklom ik de schoolbanken om poëzie over appels voor te dragen. Nu ben ik behoorlijk woordeloos. Ik hou van 'April in Paris', ik geniet van 'Italo Calvino'. Maar ik kies toch voor een ander. Een erg bekend:

Tancredo Infrasonic

Genoeg zeg ik tegen het huis
Dat tussen nacht en morgen staat

Genoeg tegen het alfabet van zoethout
Tegen het tam en kleurig dier der klanken

Ik heb genoeg aan woorden gedacht
En dit gedicht is geen gedicht

Geen geheime kelder geen betralied gezicht
Dit is een brief aan mijn broeder dit is drijfhout
Een Bericht aan de bevolking een vriendelijk
Spreekwoord aan een soldaat gericht

'bij gebrek aan een gitaar
aan een luit en aan gevoel
aan geld en aan geluk
bij gebrek aan haat aan wondkoorts en aan spleen
bij gebrek aan liefde en aan geluk (ten tweede male)
maar met een razende zang in een lichaam niet te
[noemen
in heilige ellende
laat ons de boom bezien die zich ontvouwt
de vrouw die drachtig wordt
de droom die blauw als hoogland
als een boom zich splijt
de regen die ENZOVOORT schrijft op ons gezicht
dat dood noch levend is maar antwoordt
als een automaat die ademhaalt:

bij gebrek aan (herbeginnen)'

R.I.P. Hugo Claus

ps Ik weet het, de lay-out van het gedicht is eraan. Mijn excuses.

dinsdag 12 februari 2008

In memoriam Rachel Souritz (bomma Mart)

Eigenlijk is het op dit schrijfmoment net geen elf februari meer. Wel twee-duizend- en-(n)acht. Raar hé, we dachten toen echt dat satellieten rond onze oren zouden vliegen. Maar nee, jij bent gewoon tien jaar dood en ik stotter nog steeds. Ik leer ieder dag onnodige regels bij, en waar ik echt in wil geloven verdwijnt zo nu en dan achter de sterren.

Meisjelief, wat is dat missen soms hard. Mijn slapen knellen, mijn bloed stolt in stukken op dit blad. Geen compassie he. Dat laatste is al goed genoeg. Daar vullen we makkelijk dromen mee.
Seg, lachen we samen even die brekende tekens uit dat vorige deel weg, bomma? De adem van jouw broer en zus in gaskamers. We lachen ze weg en daarna klauwen we naar mijn Grote Boze Wolf. Hij was niet lief, bomma. Hij heeft mij pijn gedaan.

Ringen van een boom. Jouw rimpels die ik krijg. We blijven lachen tot kersen uit de bomen vallen, vogels op ons hoofd kakken. Samen heksensoepjes brouwen, dat wil ik. In een verroeste bak met twee takken om te roeren. Of één stok en vier krachtige handen. Basis: modder en Dreft, slakken, knollen en een handvol rode aarde. Zo draait de aarde weg. De bladzijde om. Zijn slangenhuid verpulvert op de grond. Enkele spreuken zijn krachtig genoeg.

Ik ga slapen, liefste. Je vraagt me om te dromen. En ik heb nog een heel leven om je rug te eren. Het strelen van mijn haar. Jouw geur. Je ogen, je vuur. Ik mis je.

Een oude witte vrouw die langs de oevers van mijn wereld vaart. Waar ik tot rust kan komen. Als de inkt op is zijn er geen bonkende slapen meer. Dan kom ik tot rust. Bij jou.

dinsdag 22 januari 2008

22/06/2005: Voor bomma Els

Eentje uit de oude doos:


Je kan op verschillende manieren over iemand schrijven. Zo kan je ervoor kiezen om voordien minutieus uit te stippelen waarover je wilt praten, om dit dan neer te pennen op een trillend blad papier. Maar je kan ook zwijgen en je geest leeg maken. Verschillende deurtjes worden geopend en je hoeft niet langer na te denken over wat uit je hand zal vloeien. Zoals er verschillende manieren van schrijven zijn, kan je ook op honderd manieren afscheid nemen. Je kan hem tot koning kronen, aan wiens vergane voeten dagelijks wordt getreurd. Zij kan een prinses worden, die met jou haar rode kersen niet wilde delen. Je kan iemand begraven, bespuwen, je kan de leegte ontkennen die ontstaat, de vragen die onbeantwoord zullen blijven. In afscheidsspeeches tenslotte kan je uitsluitend over jezelf praten, of enkel over de ander. Dit zijn de speeches die meestal het minst vertellen. Daarnaast kan je ook deze twee individuen verduisteren en het licht laten vallen op die onzichtbare dingen waarmee het ene hart het ander vult. Ik kan treuren om het feit dat ik bomma Els sinds kerstmis niet gezien heb, ik kan mezelf voor m’n stomme jonge kop slaan, of ik kan haar beschrijven. Wie ze was, voor mij.

Bomma Els kon als een rasechte oma heel goed breien, warme truien, truien met zachte wol, truien met kabels. Eén keer maakte ze zelfs een groene slang met roze tong voor me, toen ik nog op de lagere school zat. Die slang werd veel langer dan mijn geduld ooit was. Vooral de voorbereidingen op het gebrei waren leuk. Kleuren en patronen kiezen in de “Mode et travaux” en dan aan het raam gaan staan. Bomma draaide met spelden in haar mond een meetlint rond je lenden. Vanaf die eerste meetsessie werd ik een prinses die verlangend naar haar bruidsjurk in wording keek, en de wol af en toe kwam aaien terwijl bomma volhardde in haar naarstig breilabeur. Na één week was de voorkant meestal klaar, een week later was de rug er al en op het einde waren de mouwen er. Soms prikte de wol een beetje, soms was de trui zo zacht als sneeuw, maar helaas waren die mouwen steeds te lang. Misschien was ik gewoon te klein? De laatste tien jaar was bomma nochtans de kleinste van ons twee. Eén meter tweeënvijftig was ze, en ze verkondigde vaak trots dat ze al decennia lang vijfenveertig kilo woog, geen kilo meer of minder. Op het einde woog ze veel minder. Ik weet niet of ze dat zelf wist. Misschien woog ze in haar hoofd nog altijd even veel.

Bomma Els vertelde verhaaltjes op de vreemdste momenten, na een lange stilte of tijdens een gesprek dat over iets heel anders ging. Eén van die verhalen was over hoe ze die ene keer in haar leven zat was geweest. Haar man, bompa Jos voor de kleinkinderen, was naar haar toegekomen toen ze tegen een muur stond geleund. Toen rimpelde ze haar neus om te tonen hoe haar man aan haar gezicht snuffelde. “Edde gij gedroenken?” Hoewel het voorval mij erg onschuldig leek, heeft iets haar toch doen besluiten nooit meer dronken te worden. Als kind was mijn favoriete verhaal dat van de vliegenscheten op het plafond. We bevinden ons in oorlogstijd, in een kelder, en dromende bompa Jos maakt zijn vrouw wakker om te zeggen dat er vliegenscheten op het plafond zijn. Het hele verhaal zal ik u besparen, zolang dat u maar weet dat ook hier een oneliner bijhoorde. Zo’n oneliner die als plotse verhaalwending bedoeld is, maar die door alle toehoorders voorgefluisterd wordt, terwijl ze grinnikend elkaars blikken zoeken.

Aan bomma Els kon je met kerstmis puzzels geven, of cassetjes. Ze had Edith Piaf, Maria Callas en Al Jarreau. Ik heb nooit goed geweten waar ze het liefst naar luisterde, waardoor ik twee dagen voor kerstavond in een bak grabbelde en zei ‘Dit vind ik leuk, dus ik denk dat bomma Els dit ook mooi gaat vinden.’ Vraag me niet waarom, maar ik denk dat ze net als ik Hoezo? Clouseau uit 1989 een toffe plaat vond. Bomma was vast ook een beetje verliefd op Koen Wauters.

Ik denk overigens niet dat bomma Els tijdens haar leven op veel mannen verliefd is geweest. Maar van mijn bompa hield ze zeker. Vaak zei ze: “Raar toch hé, ik voel me daar vaak droevig over, maar echt huilen dat gaat niet.” Het is moeilijk om als buitenstaander de relatie tussen twee mensen te beschrijven. Zoals ik net zei, gaat het over onzichtbare dingen waarmee harten elkaar vullen. Ik kan u evenmin op een schaaltje presenteren hoe ik van bomma Els gehouden heb, of zij van mij. Sommige dingen blijven zweven, of kruipen langs je benen en strelen je tenen, maar vertellen je geen concreet verhaal. Ik ben Marie, drieëntwintig, ik schrijf graag en ik voel me al een week raar omdat mijn bomma is gestorven.

Bomma Els was een stille en dan weer praatzieke oma. Ze was het soort vrouw dat liever op de achtergrond bleef, en waarvan je nooit helemaal wist wat welke conclusies ze trok uit haar observaties. Nooit heb ik haar echt geknuffeld, behalve de laatste keren dat ik haar zag. Ze zag er zo breekbaar uit, zo onbereikbaar en kwetsbaar dichtbij. Ik kon niet anders dan haar fragiele handje vast te pakken, om haar door de duistere gangen te leiden.

Nooit heeft zij mij echt vastgepakt, behalve één keer. We waren met de familie op weekend in de Ardennen, ter ere van haar tachtigste verjaardag. Ik sliep in hetzelfde bed als zij. Overdag hadden we een boswandeling gemaakt, die zij parmantig op kleine hakjes had meegestapt. Toen we uren later tussen de stijve lakens lagen, kroop haar hand plots naar de mijne die op de dekens lag. Ze kneep er heel zachtjes in en ik bleef roerloos liggen, ook lag ik nogal ongemakkelijk. ’s Morgens werd ik wakker met een blij gevoel van verwondering. Tijdens een Franse zomernacht vol krekels en verhalen in de lucht heb ik dit voorval verteld aan papa en Tom. We stonden er even bij stil, maar niemand wist te zeggen hoe we van haar hielden, of zij van ons. Maar ik weet dat die liefde er was, en dat ze zal blijven. Ik weet dat die oude hand, met vingers die je in kan deuken, op mijn schouder rustte toen ik dit schreef.

Populaire berichten