Posts tonen met het label verdriet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verdriet. Alle posts tonen

donderdag 25 februari 2016

Nog een brief aan papa (drie jaar later)



Lieve papa,

Ik heb deze week te luid gepraat en draag een constant gapende honger met me mee, de honger van een panter die rusteloos langs tralies draalt. Dit wijst net als wijde pupillen op vermoeidheid, op adrenaline in overdrive, op nood aan vakantie. Maar het is ook verwant met wat vandaag onvermijdelijk alweer drie jaar geleden is: jouw dood. En dat het - tegen alle onderhuidse, standaard rouwregels in - nog steeds af en toe verschrikkelijk zwaar is om daar ruimte voor te maken en het verdriet te delen. Ik doe wat ik kan en maak er maar weer een verhaal van.

In Amsterdam valt je sterfdatum samen met de herdenking van de Februaristaking in 1941. Of de eenmaligheid van dat gebeuren in de oorlog een blijk is van heldenmoed, of net van lafheid, ach, laten we deze vraag behendig omzeilen. Deze brief wil liever nog eens onderzoeken hoe verdriet voelt, ook drie jaar later, omdat ik nog steeds rouw en dat doe in een wereld die de dood het liefst negeert, het leven mijlenver boven de dood plaatst. Je sterfdatum valt overigens ook bijna, op drie dagen na, samen met een volle maan die ‘sneeuwmaan’ wordt genoemd. De waarheid van de sterren doet er in deze geschreven speelruimte niet toe. Als ik over je dood schrijf, vind ik enkel gevoel, een sneeuwmaan en oud zeer dat op moeizame dagen nog altijd een overweldigend kluwen vormt. Ik sluip soms als een kat rond het verdriet, wil het bij zijn nekvel grijpen, verlammen, tracht het voor te zijn door het in de kiem te smoren. Maar ook dat nekvel blijkt het mijne te zijn, het kippenvel, het verdriet, de kousenvoeten, het lawaai: ik ben het allemaal. Elk beeld schiet tekort en flitst zijn doel voorbij. Alles is lachwekkend waar en tot in de onbenulligheid vaak herhaald.

Vandaag werden rukwinden afgewisseld door lichte sneeuwval, stil strelende regen, dan weer felle zon. Het weer ging echt alle kanten op en ik stak onbewust mijn tong uit toen ik tussen twee schoolgebouwen over straat liep, ving een smeltende sneeuwvlok op, en daarna nog één. Ik lachte om de eenvoudige smaak van water, om mijn eigen schaamteloze gedrag. Verdriet maakt ouder, maar soms ook een beetje minder volwassen. Alleen kinderen en dieren steken toch hun tong uit als ze daar zin in hebben? In jouw nabije afwezigheid ben ik beide. Ik vond het natuurlijk ook schoon, dat het uitgerekend vandaag sneeuwde. Want sneeuw, dat is bergvakantie. Dat zijn de skiliften van februari, hoogtevehikels waarin we jaar op jaar tussen tijd en ruimte zweefden, herinneringen ophaalden, terugblikten op het voorbije jaar en een balans opmaakten die toekomstbestendig was. Sinds drie jaar maak ik die balans zonder jou op, voor het eerst ben ik in Amsterdam op je sterfdatum, voor het eerst voel ik vandaag voorzichtig dat een open wonde langzaam dicht lijkt te groeien. En toch weet ik me weer geen houding te geven.

Er is één weerbarstig toeval waar ik een uitgesproken mening over heb: je sterfdatum valt samen met de uitbreiding van het Facebookduimpje. Naast de ‘like’ is er nu een hartje. Daarnaast is er een smiley die met open mond de ogen dichtknijpt en een smiley die misschien dood is, of met volle goesting aan orale seks wil beginnen. Ik weet het niet goed wat ze moeten voorstellen, voor welk gereduceerd gevoel ze moeten staan. Er is ook nog een mannetje dat links een traantje laat (of rechts, het is maar met welke ogen je kijkt) en een ander wezen dat last lijkt te hebben van een rood aangelopen schedel, misschien omdat hij net als wij vaak op z’n hoofd krabt.

Wat moet ik met die mannetjes, papa? Zijn ze niet gruwelijk obsceen in hun simplisme? Laat ik even één beeld doortrekken. Stel dat verdriet in deze brief sneeuw is die op je tong smelt. Delen we het verdriet dan als we zeggen: ‘Hé, wist je dat sneeuw water wordt op je tong?’ Nee, dat heet herkenning. Die herkenning konden we al kwijt met een ‘like’; een gebaar van aandacht dat volstond zonder meteen te betekenen dat iets in de kern gedeeld en begrepen wordt. Want als je écht met elkaar wil delen, dan moet je openstaan voor wat anders voelt. En die verschillende sneeuwkristallen, het unieke aan verdriet, daar zijn geen smileys voor. Zolang we mens zijn, papa, rest ons nog zoveel dat enkel met fijne kanttekeningen verteld kan worden, met engelengeduld en soms duivels veel moeite. We hebben taal nodig die grenzen opzoekt, ruimte biedt. Daarmee wordt alles bespreekbaar: naast verdriet ook het grootste verschil. Jij snapt het wel, dat ik je daarom brieven blijf schrijven… voorbij de herhaling alle beelden samen probeer te brengen tot ik er vat op krijg en ze met mezelf deel.

Ik ga afsluiten en naar ons favoriete Dylan-liedje luisteren. De dichter Dylan bezingt in The Ballad of Hollis Brown het verhaal van een hongerige man die zo radeloos werd van de armoede dat hij zijn vrouw en kinderen vermoordde. There’s seven people dead on a south Dakota farm. Somewhere in the distance there’s seven new people born. Het gaat maar door, daar is geen enkele smiley tegen bestand, papa. En dat onontkoombare, dat steeds maar terugkerende, dat vormt één van de vele universele verhalen die door hart en ziel snijden, als je met je dochter door bergwegen slingert en naar cassettebandjes luistert, terwijl buiten de kou een gevecht levert met de zon die door wil breken.

Ik mis je. Godverdomme. Ik vloek in duizend talen vandaag. Ik heb je blasfemisch lief.

Kus,
Marie



P.S. Lieve meelezers, laat die virtuele tranen dus maar links liggen. Vertel me liever over jouw bergen, uitgestoken tongen, kristallen. Of deel muziek met elkaar, die stil doet vallen.

zondag 20 september 2015

Nog een brief aan papa (eenendertig maanden later)

 Dag papa,
 
Je weet het. Ik zie in gedachten die typische meewarige, parallelle lachrimpels in kaken verschijnen. Deze brief is opnieuw een vluchtpoging van wat ik écht wil schrijven. Maar ‘t is zo verdomd moeilijk. Jij keek neer op schrijvers die dicht bij de eigen navel schrijven. Maakt dat mij zo streng voor mezelf? Ik kan immers niets anders zo goed als dichtbij blijven, onderhuids. Al sijpelt er soms een stukje wereld in de tekst, een klein of groter onrecht, een oude mythe.
 
Ik heb het als Andreas geprobeerd, een verhaal schrijven dat meer dan vijf pagina’s nodig had. Maar dat was vlak na jouw dood, dus ook dat was bovenal een vluchtpoging. Het nam bezit van mij, dat verhaal. Het perste me in no time leeg. Daarom liet ik het noodgedwongen liggen. En twee jaar later is ook dat verhaal nog steeds niet klaar, het dwaalt samen met zoveel andere ongeschreven verhalen rond in een oerwoud dat steeds bedreigender voelt. Ik weet overigens niet of je dat oerwoud kan ontwijken, als je de verhalen wel afrondt. Het schijnt dat er schrijvers bestaan die er geen benul van hebben, van dat ondoorgrondelijke bos, schrijvers die toch verhalen schrijven die er toe doen. Die hebben dan naast discipline ook een goede verbeelding, volgens jou. Mij ontbreekt de discipline. Discipline is lef. Verbeelding, daar ben ik mee geboren. Het woont in ieder geval verdomd dicht bij de navel die jij een zwaktebod noemde.
 
Voor mij zijn verhalen geen tastbare zaken die geboren worden. Ze zijn gedoemd om zaadjes te zijn, die zich in het beste geval in harten en hersenen nestelen, om daar verder te groeien, in elkaar te haken. Of misschien zijn verhalen schelpen waarin de zee ruist. Een poëtisch beeld, daar niet van. Maar het maakt een gekmakend, oneindig geluid. Kiezen daarom zoveel schrijvers voor de dood, meer dan muzikanten, schilders? Omdat de verhalen in hun hoofd nooit een duidelijk begin hebben, nooit een duidelijk einde? Omdat de verhalen de zeggingskracht missen die hen ooit helemaal losweekt van de schrijver, van de lezer, van het bewustzijn?
 
Ik liep daarnet naar de supermarkt. Voorbij de kassa viel mijn oog op een papier dat aan zo'n wand vol zoekertjes hing. ‘Kat gevonden.’ Oftewel: rechtmatige eigenaar gezocht. Ik glimlachte. Dat we verloren dingen terug vinden, het is uitzonderlijk. Vaker raken we kwijt waar we ons leek toe te horen. Daar vrede mee vinden, het is waarschijnlijk een belangrijke truc. Of inzien dat het twee zijden zijn van dezelfde medaille. Maar ik werd vooral een beetje gek van het feit dat zelfs zo’n oproep me in mijn hoofd verder liet schrijven, dat die twee woorden hun plek in het verhaal zochten dat ik aan het opbouwen ben. Het bord met eten staat quasi onaangeroerd naast de laptop. Dat wat ik schreef beter lijkt te zijn dan wat ik kookte… het moge een schrale troost zijn.
 
Maar goed, ik probeer het dus opnieuw. Een verhaal schrijven dat om meer dan vijf pagina’s vraagt. En ja, het zit zowat in mijn navel, het zindert voelbaar onder mijn huid. Dat spijt me. Maar niet echt. Je moet begrip hebben voor wat me bang maakt, papa. Je moet me beschermen voor wat me op wil eten, dat is nu eenmaal wat vaders doen, zelfs als ze dood zijn. Ze moeten zeggen: ‘sluit je jas, knoop je veters voor je de deur verlaat, vergeet niet te eten als je schrijft.’ En verder moeten ze vooral vertrouwen, die vaders. Dat vertrouwen zo groot laten zijn, dat het van hun kinderen lijkt.
 
Alsjeblieft,
Marie
 
PS Ook een publiekelijke dank aan wie mij steunt. Door te lezen wat niet online komt te staan. Door schrijfsoundtracks te sturen. Door te koken, terwijl ik schrijf.

zondag 23 augustus 2015

Nog een brief aan papa (tweeënhalf jaar later)



Dag lieve papa,

Overmorgen ben je tweeënhalf jaar dood. Het is alweer een half jaar geleden dat ik jou een brief schreef. In de plaats van ‘jou’ tikte ik eerst ‘u’ en ‘ne’ verving ik toch maar door ‘een brief’. Ik heb een maand lang met een Belgische vriendin rondgetrokken, dus is het even zoeken naar de taal waarmee ik jou geloofwaardig kan schrijven, maar ook mijn Nederlandse lezers bereik. Het is trouwens echt waar, wat ze zeggen over tijd, dat die wonden heelt. En ook wat ze zeggen over rouw, dat die door tijd zachter gemaakt wordt. Ik geloofde het anderhalf jaar lang niet, het klonk onnozel, banaal, gevoelloos zelfs. Nu blijkt het toch waar te zijn: wat eerst als een schrijnend gat voelde, voelt steeds meer als een onmiskenbare aanwezigheid en minder als scherpe pijn. Ook op de meest sceptische dagen ben je kruimels op een bospad. Zo’n bospad waar jij het liefst expres verdwaalde, de verkeerde weg die je verkoos.

Ik ben terug uit Indonesië. Ik stopte bij vertrek onder andere een nieuwe laptop in mijn rugzak, een goedkoop, klein ding dat meteen ook een tablet is. Zo eentje waarmee jij op het einde om water vroeg, op de verpleegsters vloekte en met de laatste kracht in je vingers je memoires typte. ‘Hoe was Indonesië?’ vragen mijn vrienden en collega’s. Of ik de sfeer nog weet vast te houden. Het zijn moeilijke vragen. Schrijven heb ik de hele reis niet gedaan. Dat komt ook door de zon. En het tempo van het reizen, staccato, weinig komma’s, nooit drie punten… Schaduw en tijd: zonder kan mijn pen niet schrijven. Hoewel. Ik zit tegen de zon in te schrijven op een Amsterdams balkon en draag een bikini die ik ook al in de zomer van 2000 had. Toen hebben we beiden veel gelezen op het terras van dat Toscaanse huisje. En jij maakte een grap over de wonderlijke natuur, die jou neutraal naar het lichaam van je dochters liet kijken. Ik had liefdesverdriet en las Eriek Verpaele, een tedere, verdwaalde schrijver die deze zomer doodging.

Of ik veranderd ben? Mijn haar is wonderbaarlijk lang. Een cadeautje van de tropen. Ik denk dat ik het nog even laat zijn, voor het eerst in mijn leven eens kijken hoe ver ik op dat vlak kan groeien. Maar ter zake nu. Indonesië. Of beter gezegd: Bali en Flores. Flores is een stuk armer, ruwer en ongerepter. Een overwegend katholiek eiland, al is deze religie ook daar vermengd met een flinke scheut animisme. De doden worden voor hun huizen begraven, tussen de kolen en wortelvelden. Een wortel is trouwens gewoon ‘wortel’ daar. Net als ‘notaris’ en ‘dokter’. Beide figuren die onlosmakelijk met de dood verbonden zijn, net als de wortel geïmporteerd? Het zou kunnen. Gelukkig heeft de westerse manier om met de dood om te gaan, of beter gezegd het onvermogen daartoe, weinig invloed op Indonesië.

In Bali werden we door de yogaleraar uitgenodigd om een massacrematie mee te maken. Eén ding werd ons op het hart gedrukt: ‘niet huilen’. Het is een feest en foto’s maken wordt aangemoedigd, maar droevig zijn is totaal ongepast. Toen ik op sociale media foto’s deelde van de kleurrijke offers en de botten van veertien overledenen die met behulp van een gasbrander naar een volgende leven werden geblazen, waren de reacties verontwaardigd. Te intiem voor ons? Te onbeschaamd? Maar wat is het kader waarmee we kijken? Daar zaten de kinderen op maïskolven te kauwen terwijl ze gebiologeerd naar de brandstapel staarden. Na afloop stortten de familieleden zich uitgelaten op de verkoolde botten. Ik weet niet wat ze precies zochten in de assen, maar het trof me hoe klinisch wij in vergelijking met de dood omgaan. Hoe weinig fysiek.

Toen je opgebaard lag, ben ik niet gaan kijken. Ik geloofde zo ook wel dat je dood was en ik snapte het niet, naar een grauw lichaam gaan kijken dat niet op mijn vader leek. Ik heb je ook niet zien sterven. Ik weet niet of je alleen wilde zijn, ons wilde sparen, of dat het toeval was. Maar toen we je assen zouden begraven, werd mijn verdoofde lichaam plots wakker. Na een week lang alles op automatische piloot beleefd te hebben, verdroeg ik het plots niet dat die rare doodgravers ook die handeling uit onze handen namen. Tegen ieder protocol in heb ik je assen zelf naar de put gedragen. Misschien had ik je lichaam ook wel willen dragen. Naar een vuur. Als ik ergens anders was opgegroeid, als ik had begrepen wat ik nu weet of van nature in andere dingen had geloofd.

In ‘Kom hier dat ik u kus’ van Griet Op de Beeck verliest een Vlaams meisje van negen haar moeder in een auto-ongeluk. De eenzaamheid waarmee ze overvallen wordt, liet al na een paar pagina’s tranen uit mijn ogen vloeien. Wat een gedoe is het toch, de dood, hier in het westen. We vechten erom en verdringen het. Rond dit machteloze taboe dat door iedereen anders benaderd wordt, ontstaan nieuwe emoties. Zoals jaloers zijn op verdriet dat je zelf niet kan voelen of op ruimte die je niet kreeg of nam. Eigenlijk denk ik na een maand Indonesië vooral daarover na. Of die rare emoties daar ook bestaan, of ze zich daar ook als een virus vermenigvuldigen en zich niets van bloedverwantschap aantrekken. Ik denk nu dat ik het fijn zou vinden. In een vuur staren en op maïskolven knauwen. Mijn doden zingend naar de rivier brengen.

Indonesië. Ik snap niet zo heel veel van het land. Het was, tja, anders. Maar de reis maakte ook België vreemd. En Nederland. Ik vind het niet erg. Ik zal erover schrijven en ze zullen het begrijpen.

Dikke kus,

Marie

dinsdag 24 februari 2015

Nog een brief aan papa (twee jaar later)


Dag lieve papa,

Een lawaaierig café met kinderen die tussen barkrukken zigzaggen. Runaway train en andere top 50-hits als soundtrack bij een voetbalwedstrijd op groot scherm. Luidruchtig discussiërende opa’s – de Eurogroep keurde net het Griekse hervormingsvoorstel goed - en rook. Overal rook, ook in ruimtes waar verbodsbordjes als knipogende niemendalletjes de tafels versieren. In Griekenland zijn regels er niet om blindelings na te leven. Terwijl Amsterdamse ordetroepen veertig bezetters van het Bungehuis (lees: studenten en docenten die broodnodige verandering in het hoger onderwijs eisen) arresteerden, ben ik een week lang in het land dat de Europese Unie een spiegel voorhoudt en een mogelijke toekomst zichtbaar maakt. Macht toont zich hier ook als solidaire kracht. Dat hebben de Grieken begrepen: een ware verademing. Behalve voor mijn longen dan, ’s morgens hoest ik net als de verstokt rokende gastvrouw slijmen op. Mijn lichaam maakt nogmaals duidelijk dat er geen terugkeer naar het oude ik mogelijk is. Marie rookt niet langer. En ze heeft op 25 februari 2015 al twee jaar geen levende vader meer.  

Deze week kreeg Eddie Redmayne, de acteur die Stephen Hawking speelde in de film over de door ALS verlamde heelalbestormer, een oscar. Naast de ijsemmers die de ziekte bij het brede publiek bekender maakten, is dit al de tweede bioscoopfilm op korte tijd. Hoewel ik vier jaar geleden voor het eerst met trillende vingers de lettercombinatie in de zoekbalk intikte, krijg ik pas het laatste halfjaar zo vaak vragen over hoe het was. Enfin, niet echt. Heel zelden wordt gevraagd hoe het was, hoe het nu voelt, wat veranderd is, welke barsten ontstonden in de familie, wat ons sterk, boos of moe maakt. Wel krijg ik steeds vaker vragen als: ‘Is ALS een spier- of zenuwziekte?’ En: ‘Is het echt zoals in de film?’ ‘Erger,’ antwoord ik steevast, zonder de films gezien te hebben. Sommige mensen sluiten hun ogen, de weinige keren dat ik wel begin te vertellen. Omdat hun angsten dan als wolven door de ruimte sluipen. Ik duw deze mensen uit mijn leven. Niet omdat ik geen mededogen voor ze voel, integendeel… omdat ik geleerd heb dat mededogen in de eerste plaats voor mezelf te bewaren. Pas daarna. Ja, het is waar. Pas daarna kan het.

Gisteren sprongen de tranen me in de ogen bij een gesprek over jou en kroop ik uitzonderlijk vroeg onder de lakens, naast de schildering van een bloedende gitaar op de muur. Ik las de laatste bladzijden uit ‘Logboek van een onbarmhartig jaar’ van Connie Palmen en bleef vervolgens tot half drie rillend wakker. De sterren zongen onbekende elegieën en maakten me nietig, ontroostbaar triest. Af en toe glipte mijn blik naar een virtuele ik op Facebook. Ik bekeek welke reacties ze kreeg: een Marie met een huid die door de voorjaarszon gekust is, een Marie die met ondeugende ogen de camera inkijkt, met twee glazen ouzo achter de kiezen en de omtrek van een Grieks eiland in de benen. Ik herken deze vrouw, ik herken haar pijn, wilskracht, haar onmacht en haar poses. Ik heb deels vrede genomen met de lijnen in haar gezicht. De scherpste lijnen ontstonden in de laatste vier jaar, na een slapeloze nacht in Athene. Intuïtief wist ik dat er iets op til was, dat dit ‘iets’ vreselijk mis was. Wist ik dat het vertrouwde mannenlichaam naast mij een halfjaar later uit mijn bed zou verdwijnen? Misschien. Maar dat een gruwelijke ziekte bezit zou nemen van jouw lijf en ons leven, dat durfde ik die nacht niet eens te bevroeden. Al voorvoelde ik het waarschijnlijk ook.

Twee jaar na jouw dood gaat het beter. Ik heb leren leven met leegte, leerde zelfs dansen met gemis of er op zijn minst over schrijven. De krop in mijn keel wordt vandaag vooral door rook veroorzaakt. De sporadische tranen in mijn ogen helpen steeds vaker anderen. In die mate, dat ik vastbesloten ben om van jouw afwezigheid mijn kracht te maken. Van zodra ik me nog iets sterker voel, nog beter in het dragen en oproepen van pijnlijke herinneringen, begin ik ermee. Namiddagen organiseren: vuurverhalen vertellen die verbinden. Luisteren, dat ook. Zorgen dat het niet enkel het verhaal van jou en mij is, maar van ons allemaal. Kwetsbare verhalen die verteld willen worden, maar die in deze vluchtige wereld zo weinig tijd en ruimte krijgen.

Papa, ik moet gaan. De moussaka die ter ere van de laatste eilandavond staat te pruttelen moet weggespoeld worden met heerlijke wijn. Ik laaf me straks voor de laatste maal aan verhalen over Pythagoras en Euripides, over zeemeerminnen, piramides en magnetische krachten in Griekse tempels. Ze komen uit de mond van de gastheer, een besnorde antiquair van achtenzestig, de leeftijd die jij niet meer mocht bereiken. Ik denk dat ik gisteren niet om zijn vragen huilde, maar om jou en hem. Hij noemt me glimlachend ‘crazy’ en houdt mijn wijnglas in de gaten, bewaakt zorgvuldig de grens tussen halfvol en halfleeg. Ik wilde hem even vervangen. Niet met hem, maar met jou praten over de gulden snede, Griekse politiek en mijn toekomstplannen. Ik heb nog zoveel te doen, papa. Op de uitnodiging uitgaan om te herdefiniëren bijvoorbeeld. Uitzoeken hoe ik vanaf nu nog slimmer tegen de nodige schenen kan schoppen. Maar eerst moet dat hoofd leeg, zodat ik straks kan slapen. Gelukkig zijn de contouren van de eilanden zacht in het laatste zonlicht. ’s Nachts droom ik helder en niet altijd bang.

Eén ding is mooi aan brieven aan doden. Ze nemen geen afscheid, omdat ze allemaal geschreven worden in een alomtegenwoordige afwezigheid. Ik vind je overal. In het lichtje, dat in vijf foto’s die mijn reisgenote van me maakte, brutaal bij mijn buik vandaan kroop en als een paars oog voor me uit ging zweven. Ik vind je in het tegenlicht waarin ik trots blijf kijken. Je bent de droom, de honger, het voorbeeld, het verzet. Je bent de rimpeling in het water en de lijnen in mijn gezicht. Ik beloof je dat ik alles met trots zal dragen en onder ogen zal komen.

Je bent twee jaar dood. Ik ga snel varen. Naar Athene, de stad waar het begon en waar ik het nodige achter me kan laten. Ik ga je eren, in licht en water staren.

Liefs,

Marie

vrijdag 23 januari 2015

Nog een brief aan papa (drieëntwintig maanden later)

Dag lieve papa,

Meteen deze gedachte, voordat ze mij ontsnapt: drieëntwintig maanden na je dood besef ik weer eens wat rouw zo moeilijk maakt. Volgens mij heb ik dit al eerder gezegd, in andere beelden, andere onhandige cirkelbewegingen. Rouw heeft geen definitie. Rouw vertakt zich in onnoemelijk veel knoopjes die moeilijk te traceren zijn. Er valt geen zachte vinger op te leggen. Dat maakt ze zo ontroostbaar.

Dat maakt dit rouwproces ook zo anders dan het liefdesverdriet dat ik goed kende. Bij liefdesverdriet kon ik mezelf nog baldadig op de schouders slaan, af en toe wijzen op de projecties die ik maakte. De ander missen is ‘iets in jezelf missen’, je kent de redenering wel. Nu mis ik de helft van de mensen die me op de wereld zetten. Dat is toch meteen een stuk complexer. Nu vrees ik dat je dood zowel een vage, halve bestaansreden is die ik mis én een alibi voor al deze bespiegelingen vol zelfmedelijden. Ja, papa, je bent mijn mededogen én het gebrek daaraan. Wat een spagaat. Sjieken bal. Wist niet dat je zo lenig was.

Ik mis jou, maar dan meteen veel meer dan de leegte die je achterliet. Ik vind het gemis terug in  veel te veel woorden, stilte, politieke verontwaardiging, in lanterfanterij, verbetenheid, in angst om tegen een rug te kruipen én in angst om me van die rug los te maken. Ik mis je en vraag me vervolgens af of het niet eerder januarikou en het weinige licht zijn, die me zo droevig maken. Dit gemis is flou en schijnt dwars door alles heen. Net als de lichtsnelheid geen constante, nog minder een onderwerp voor de wetenschap, maar niet te ontlopen.

Soit. Ik stuurde daarnet een oproep in het virtuele universum. Eens kijken of er iemand bergen in de aanbieding heeft, om op 25 februari – exact twee jaar later - af te wachten of het verdriet dan noemenswaardig groter is. Misschien niet, net als vorig jaar. Maar ik durf ondertussen werkelijk nergens meer vanuit te gaan. Twijfel als grootste wijsheid – laat ik morgen de brief aan Rupert Sheldrake maar voorlezen op het pelgrimsdiner met het thema ‘Niemand gaat verloren’.  Eenzaamheid als grootste en moeilijkste vriend. Het lijkt net onze berg.  Oh ja, ik heb een bronzen panter gekocht. Zonder te weten of ik hem mooi vond. De barst in het voetstuk deed me beseffen dat hij de mijne moest zijn. Mijn enige panter. Rrr.

En sorry, ik was in de war. Daarom heb ik geen brieven meer aan jou geschreven sinds ik ergens, op een zielig hoekje internet, een bakvis werd genoemd die sentimentele briefjes schrijft die altijd beginnen met ‘lieve papa’. Ik besef in deze koude weken weer goed waarom me dat zo kwaad maakt. Niet enkel omdat het symptomatisch is voor de plek die we rouw niet geven. Meer omdat ik door deze brieven verdacht word van navelstaarderij, terwijl ik net een hand wil uitreiken. Ik wil zeggen: ‘Kijk, ook dit is een manier om je eenzaam en onbegrepen te voelen. Die eenzaamheid delen we met elkaar en maakt ons dus minder alleen.’ Want echt. Hij die me een bakvis noemde. Laat hem zijn vader tillen, omdraaien, laat hem zijn vader niet langer kunnen verstaan, laat hem de maagsondes ruiken, de kak en de pis, laat hem voelen hoe eenzaam dat was. Laat hem nagaan hoeveel mensen nadien nog vragen hoe je dat beleefd hebt, hoe het was, hoe het nu is. Eens kijken wie daarna de bakvis is en wie kloten aan haar lijf heeft.

Natuurlijk moet ik dit niet opschrijven, papa. Ik moet ze geen letter waardig gunnen. Dat weet ik wel. Maar zoals ik al schreef: rouw kent veel knoopjes. Ook boze. Maar kom. Laten we hopen op tranen, samen met de sneeuw.

Liefs,

Marie

Populaire berichten