Posts tonen met het label oorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oorlog. Alle posts tonen

dinsdag 27 februari 2024

Nog een brief aan papa (elf jaar na zijn dood)


Lieve papa,

Zelfs als de doden bij leven een encyclopedisch geheugen hadden en hun mémoires opbouwden rond oplopende nummerplaten en legendarische kampeer- of skivakanties, hebben ze na de dood niets aan cijfers. Ik klamp me minder dan jij aan data vast en heb steeds meer met de cyclus van de maan, die vol aan de hemel stond toen je elf jaar geleden op 25 februari stierf. Jij voelde haar zuigen, de mooie maan, de sterren van Hawking zongen je toe en lokten je tot nietig as, tot zwevend stof. Je keek nog een laatste keer naar je favoriete vertolking van Carmen, door de pittige Julia Migenes Johnson en in de vroege avond stierf je, terwijl er onder de douche in Amsterdam een niet te mis te verstane glinsterende regen over me heen stroomde. Je oudste stiefkleindochter scharrelde rond de poten van het bed in de woonkamer. Dat je daar stierf, warm omringd, is elf jaar later nog steeds een troostende gedachte die me vervult met dankbaarheid.  

Op je sterfdatum reisden we elf jaar later met de trein van Krakau naar Berlijn. ‘We’, dat zijn je oudste dochter, haar leuke vent die je nooit ontmoette en je oudste kleinzoon, die een grote voorliefde voor cijfers van je erfde en die me zo vaak aan jou laat denken, al is hij wel een brutalere en explosievere versie van het wijze en koppige karakter dat me zo vertrouwd is. De avond voordien hadden we bij valavond nog een vluchtig bezoekje gebracht aan het koninklijke Wawel-paleis op de heuvel, op de oever van de Wisla. Er waren nog maar een paar tickets beschikbaar voor de vele exposities die er in de hoeken van het paleisdomein te zien waren. De suppoosten zagen in je zesjarige kleinzoon wel een ‘echte’ jongen, met een fetisj voor blikkerende zwaarden en messen. Ik maakte duidelijk dat hij gelukkig niets heeft met militaristisch vertoon. Daarbij denkt hij, netjes in lijn met zijn ouders, vooral aan oorlog en geweld, woorden die hij koppelt aan de dood en diep verdriet, meer dan aan mannelijke kracht of sensatie. Dat hij vier maanden samenleefde met tweelingbroers die door de oorlog in Oekraïne gescheiden leefden van hun papa, slikte ik voor de gelegenheid in. Ook vroeg ik niet waar de zaal met de mooiste priemgetallen was. We kozen vrij lukraak voor de verzameling stenen, vooral brokstukken van eeuwenoude zuilen, in het lapidarium. 

Het gevoel rond te wandelen in een bevreemdende verzameling van irrationele getallen, kon ik ook in deze kelder niet van me afschudden. Zoveel moeite kost het me de laatste maanden om de omringende wereld te ontcijferen en me er met redelijkheid en hoop op een collectieve toekomst toe te verhouden. Ik slaag er evenmin in om de zinnen in deze brief kort te houden, papa. Ik hol van komma naar komma, van verontwaardiging naar wanhoop en bots tegen de muren van mijn eigen woede. ’s Ochtends word ik wakker met builen op mijn hoofd waar ik me voor schaam. Ja, zo ongelofelijk woest ben ik, om de genocide in Palestina, dit toppunt van onrecht en westerse medeplichtigheid. Op de kwaadste momenten verval ik in ongerichte woede. Zelfs de literatuur verdient dan mijn toorn. Belachelijk hé, papa? 

In de trein naar Berlijn deelden we de coupé met een vader en zijn zoontje. Het kind was hoogstens een jaar of acht, maar zijn forse bouw maakte dat ik hem bij de eerste oogopslag wat ouder schatte. Nadat hij met snoepjes even uitreikte naar je kleinzoon, stokte de interactie, verhinderd door een brede taalkloof. De volwassenen verdwenen in boeken. Mijn liefste las verder in ‘Homegoing’ van de Ghanese Yaa Gyasi, de Poolse vader was verdiept in een Pools boek dat ‘Wojna i sezon’ (‘Oorlog en seizoen’) heette. Ik las in het tweede boek van Rachel Cusks trilogie hoe de verteller in gesprek raakte met Pavel, een Poolse bouwvakker in haar Londense huis, die bij het zien van een Poolse vertaling van haar werk in de boekenkast vurig maar tevergeefs hoopt dat ze zijn taal spreekt en dat ze hem zal verstaan. Je kleinzoon keek grinnikend naar de woordeloze capriolen van Grizzy en tientallen lemmings die de bruine beer tormenteerden. Het Poolse kind tikte driftig op het gebarsten scherm van de smartphone in zijn linkerhand. De eliminatie van landen in het Midden-Oosten vergde zijn opperste concentratie. Met een zucht van opluchting voltooide hij de missie in Syrië, vervolgens schoof een mollig vingertje richting Afghanistan. De beelden in schreeuwerige kleuren gingen iets te snel om te zien of Palestina überhaupt genoemd werd op deze kaart. 

Plots werd de stilte onderbroken door de man die naast het gangpad de zesde plek in de coupé bezet hield. Zijn enorme handen, die hij kuis gevouwen voor zijn kruis hield, waren me al opgevallen. Hij bleek net als de Poolse man in Cusks boek Pavel te heten. Deze Pavel, treinreiziger en briefpersonage in wording, was elektricien. Hij reisde van Krakau, zijn geboortestad, naar Berlijn, waar hij dubbel zoveel kon verdienen met grote klussen in scholen en andere openbare gebouwen. Wij vertelden hem in eenvoudig Engels over onze tiendaagse rondreis door Polen en de laatste dagen aan de voet van het Tatra-gebergte, in dorpen waar houten huizen omringd worden door druk autoverkeer en de pregnante geur van bruinkool. Het wintersportoord Zakopane was vreselijk, zei Pavel, ‘full of Arabs en Russians’. Het blok in mijn buik werd groter en harder, ik dook in mijn telefoon om een bericht te sturen aan de Syrisch-Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun. Had hij misschien tijd om ’s avonds in Berlijn af te spreken? Ook hij bleek onderweg, uit India. Maar misschien wilde ik in maart naar zijn boekpresentatie in Amsterdam komen? Hem volg ik sinds 7 oktober intensiever op sociale media, waar hij vreselijke optelsommen plaatst: 122 dode familieleden sinds begin oktober (op 24 januari), 133 dode journalisten (eind februari), of een post die een overzicht geeft van alle censuur en ‘cancellations’ die pro-Palestijnse stemmen, van Adania Shibli tot Bernie Sanders, in Duitsland treffen. Geen van zijn succesvolle boeken werd ooit in het Pools vertaald, zei Ghayath. Ik realiseerde me dat ik de afgelopen tien dagen amper moslims in het Poolse straatbeeld had geregistreerd. En keerde terug naar het boek in mijn schoot.

Een hoofdstuk later leunde je kleinzoon gelukzalig tegen de dikke buik van Pavel aan. Hij leerde hem Nederlands met de prentjes op de Dobble-kaarten en toonde hem met atypisch engelengeduld hoe je sudoku speelt met zes letters, zonder geplaagd te worden door het misleidende verlangen om er woorden van te maken. Pavel woelde ontroerd door zijn volle haardos en keek ons verrukt aan, met ogen die bijna net zo hard glansden als zijn kale schedel. Ongelofelijk, een paar uurtjes met dit kind en hij werd al beschouwd als een vriend! Wat een openheid, wat een vertrouwen! Tussendoor vertelde Pavel over zijn jeugd. Hij was dertien toen de muur viel en herinnerde zich van de Sovjettijd vooral het grote standbeeld van Lenin in de buitenwijk waar hij opgroeide. Hoe er altijd twee bewakers stonden en hoe wonderlijk het was dat er toch een keer dynamiet aan Lenins voeten werd geplaatst. Maar ook deze Vladimir bleek behoorlijk onwrikbaar op zijn sokkel te staan, bij de explosie verloor de stenen leider slechts een stukje teen. Ook de nacht dat Lenins ‘cojones’ vuurrood waren geverfd was een legendarische jeugdherinnering van Pavel. Terwijl hij nog steeds met geveinsde interesse naar de kaarten keek die je kleinzoon vervaarlijk dicht bij zijn kruis neerlegde, praatte hij verder. Hij had een hartsgrondige hekel aan dictators. En Netanyahu? Dat was er ook een, wat hij nu deed in Palestina, viel in geen enkel opzicht goed te praten, hoe complex het daar ook is, ook al stikt het daar van ‘terroristen die met bomgordels om geboren worden’. Ik vertelde dat ik bij het ontbijt beelden had gezien van vliegerende kinderen in de buurt van Rafah, die tijdens het spelen gebombardeerd werden met witte fosfor. Pavel schudde vol ongeloof zijn hoofd. ‘This has to stop.’

Het bleef me de hele dag bij, hoe één mens zoveel contrasterende stelligheden, zoveel uitgesproken standpunten kan herbergen. Hoe mildheid hand in hand kan gaan met meedogenloos racisme. En vooral: hoe bewonderenswaardig krachtig een kinderziel is, die dwars door die morele verwarring heen prikt, op zoek naar de ‘homo ludens’ in elke medereiziger, bereid om in ieder mens de diepste wil om te verbinden aan te spreken. Op de bus die ons voor het avondeten van het hotel bij de Berlijnse East Side Gallery naar Friedrichshain bracht, zat in tegenover de mooiste jonge vrouw van de hele vakantie. Ze sprak klaterend Italiaans. Mijn oog viel op hoofddoekjes en kleurrijke sjaals. Ik zag allerlei huidskleuren en mijn oren laafden zich aan de stromende waterval van zoveel verschillende klanken. Er ontstond weer ruimte in mijn buik.

Misschien had ik het tijdens dit Berlijnse verblijf beter niet gelezen, lieve papa, dat het stadsbestuur een motie heeft aangenomen om een brochure te gebruiken op middelbare scholen waar de Nakba van 1948 een mythe werd genoemd. Misschien moet ik sowieso niets meer verwachten van een moreel kompas, als het in handen ligt van de gevestigde macht, met een lange geschiedenis van medeplichtigheid, opportunisme, wegkijken en met twee maten meten. Ik wil weten wat er echt gebeurd is, ik wil zoeken naar de waarheid achter een zogenaamde mythe, naar de mythe in de geldende norm, ik wil verhalen die deel uitmaken van mijn eigen identiteit en die me blind maken voor de ander, ontrafelen. Laat me werk lezen van auteurs die gecensureerd worden, woorden die de overgeleverde canon in ‘zijn’ kale naaktheid tonen, zinnen die naast rijkdom ook ontoereikendheid blootleggen, naast feiten ook leugens.  

Misschien beweeg ik me steeds verder van je weg. Je bent al zo lang dood, papa, ik herinner me steeds minder. De herinneringen vormen een steeds kleinere collectie, die met de tijd ook steeds verder vervormt. Ik weet niet waar je verzameling Poolse kunstaffiches ligt, ik kan me amper nog voor de geest halen waarom je zo graag naar Warschau reisde. In mijn pubertijd vond ik in een bureaulade jouw brief waarmee je je lidmaatschap van de Kommunistische Partij stopzette. Ik herinner me geen datum, geen argumenten, maar de teleurstelling maakte diepe indruk. Ik weet evenmin of jij ook zou grinniken om het verhaal van de rood geschilderde kloten, of wat voor jou, naast gedichten die niet rijmen, de ergste vorm van heiligschennis was. Maar ik weet dat jij ook graag naar de hoogste priemgetallen zocht, dat je je eindeloos kon verwonderen over het mysterie van de maan en de sterren. Je stond met beide benen in de wereld, je was een geaarde man, een trouwe vader, een stabiele factor in mijn jeugd. Ik herinner me ook je abstracte tekeningen als ik je vroeg om in mijn poëziealbum te tekenen, hoe je je terugtrok als de spanningen in huis hoog opliepen, als een weekdier in een schelp, hoe machteloos je je voelde tegenover nietsontziende woede. 

En ik herken je in je kleinzoon, ik weet zeker dat je je ook zou verwarmen aan zijn onbevangenheid, aan zijn willen weten, recht door zee, in zoutmijnen en sterrenstelsels. Ik ben er zeker van dat hij me binnenkort ook zal kunnen uitleggen hoe je een Rubik’s Cube oplost, ik voorzie dat ik het vervolgens meteen weer zal vergeten, omdat mijn hersenen uiteindelijk toch andere kronkels kennen, omdat ik meer talent heb voor caleidoscopie en dan voor rekenkunde.

Ik heb in Polen geen enkele keer wodka gedronken, papa, wel een paar keer warme wijn, met kruidnagel die de zure smaak verdoezelt. De tijd van een likeurtje na een dag in de besneeuwde bergen lijkt voorgoed voorbij, papa. De lente was al aangebroken in Polen, de sneeuwschoenen en jouw zwarte skibroek bleven loodzwaar wegen in de koffers. De dalpistes bleken witte hoopjes opgespoten verbeelding, gesmolten tot bruine drab. Misschien valt er op de hoogste toppen nog meer te vinden, een sneeuwarend misschien, een bruine beer, een lynx zelfs, met zachte pluimpjes op de oren, de bergversie van onze geliefde panter. Maar zo hoog kunnen we deze winter enkel nog in brieven reizen, ga je mee?

Veel liefs,
Marie





vrijdag 25 februari 2022

Nog een brief aan papa (negen jaar later)


 

Dag lieve papa,


‘Help de zee! Heb je al je eigen boodschappentas mee?’ Deze sticker plakt op één van de laatste verkeerslichten die ik onderweg naar de praktijkruimte tegenkom. Vandaag, negen jaar na je overlijden, trok de boodschap voor het eerst écht mijn aandacht. Ik glimlachte even, een moedeloze opwaartse beweging van de mondspieren. Dit is meer een dag van harde hagel dan van het waterzonnetje dat ijs laat smelten. Gisterenochtend is Rusland met grof geweld een oorlog in Oekraïne gestart. Omdat geen enkel woord wil rijmen op ‘oorlog’, zou de sticker die bij deze oorlog hoort misschien zo klinken: ‘Stop het oorlogsgeweld. Heb je al je centen voor inductiekookplaten geteld?’

 

Oorlog maakt machteloos. Het stelt meninkjes op scherp, we kissebissen over de juiste woorden en informatiebronnen, maar kunnen in de kern helemaal niks. We kunnen demonstreren voor vrede, profielfoto’s in de kleuren van de aangevallen vlag omlijsten, heftige documentaires kijken of juist onze ogen sluiten en kiezen voor een extra luchtige film voor het slapengaan. Misschien zijn er nog mensen die nadenken over de quasi ongebruikte slaapkamers in huis. Misschien zijn er anderen die zich schamen over een achtste Russisch bloed en die zich vervolgens schamen voor deze reductionistische gedachte. Misschien groeit de groep mensen die beseft dat wat de natuur nodig heeft, ook echt hetzelfde is wat de mensheid ten goede komt: een duurzame energietransitie. Ik hoop het.

 

We moeten zo snel mogelijk van het gas af, papa. Niet meer boren in Noorwegen of Groningen, geen giftige deals sluiten met een al even moordlustig Amerika en afhankelijk worden van hun ‘fracked gas’. Fucking gas. Fucking wereld. Fucking klotedood.

 

Je weet dat ik cijfers maar moeilijk vind, maar dat ze toch wat houvast bieden. Ik rouw al tellend, ondertussen negen jaar. De oorlog in Syrië begon in 2011, een paar maanden voor de neuroloog vertelde dat ALS je dood zou betekenen. En tja, de oorlog in Afghanistan: wanneer is die al begonnen? De Russen zaten er al toen jij nog broeken met olifantenpijpen droeg. En nee, die eindeloze oorlog is ook zeker niet voorbij. 

 

Mijn zoontje was jouw eerste kleinzoon (er zijn er nu twee), zijn vader mijn grootste liefde sinds jouw dood (er is er, terugblikkend, maar één in mijn leven, maar dat is makkelijk praten achteraf en dus een vorm van geschiedvervalsing). Sinds je dood kwamen er drie nieuwe katten in ons huis – eentje ligt al onder de groene zoden in de achtertuin. Sinds jouw dood is dit de eerste oorlog die potentieel ongelofelijk veel groter kan worden en nog een stuk dichterbij kan komen. Sowieso wordt het de meest voelbare oorlog. En nee, Rutte, niet enkel in de portemonnee. Voelbaar in bestaanszekerheid maar ook in zingeving. Want in de eerste plaats en bovenal groeit de groeiende onvrede met deze wereld en haar vernietigende systemen. Het lijkt bijna oorlog in mijn hoofd. Zo hard knettert het, loodzwaar zinkt mijn hart.

 

Er is na negen jaar zoveel dat ik niet meer met je kan delen. Onze nieuwe meningsverschillen vechten we uit in mijn gedachten, hoogstens gemakzuchtig weergegeven op dit kille scherm. Maar gelukkig gebeuren er ook steeds vaker dingen waarvan ik denk: ‘wat fijn dat papa hiervan gespaard blijft’. De oprichting van Forum van Democratie, toen al actief tegenstander tijdens het Oekraïnereferendum (2015), de vluchtelingenstromen op de Middellandse Zee, de oranje bergen van slechte drenkelingsvestjes, de liefdesverklaring van John Cleese aan Bart De Wever (2019). Ja, er zijn gelukkig ook heel veel gebeurtenissen die je gemist hebt.

 

Vorige week trok je oudste kleinzoon aan de snorharen van Moon, onze jongste en meest speelse kat. Ik berispte hem en zei dat snorharen belangrijk zijn voor katten om hun evenwicht te bewaren. Twee dagen pulkte hij aan zijn prachtige, eindeloze wimpers. Toen ik hem wederom op de vingers tikte, antwoordde hij: ‘Ja, mama, ik weet het, ik heb mijn wimpers nodig om rechtop te blijven en niet om te vallen.’ Lange wimpers en snorharen, manieren om niet om te vallen, momenten om de ogen te sluiten en even weg te dromen. Ik wens ze de mensheid toe en vooral zij die nu in schuilkelders en metrostations nagelbijtend voor hun leven vrezen.

 

Ik geef je in gedachten een wimperkus. Je weet wel, een vederlichte streling van mijn wimpers tegen jouw magere, bebaarde en in de zomer olijfbruine wangen. 


Ik mis je en hou van je.

 

 

Liefs, Marie 

vrijdag 5 mei 2017

Gedicht 068 van de Dagelijkse Gedichten


De alternatieve Dodenherdenking die ook aandacht schenkt aan actueel geweld en recente oorlogsslachtoffers, werd last-minute afgelast. Vorig jaar schreef ik een uitermate positief stuk over dit initiatief dat gestart werd door de geëngageerde dominee Rikko Voorberg. Dat het dit jaar om veiligheidsoverwegingen niet door kon gaan - de organisatoren ontvingen een misselijkmakende hoeveelheid bedreigingen - gaat niet in mijn koude kleren zitten.

Gisterenavond woonde ik uiteindelijk de voorstelling van de bundel 'ik hier jij daar' bij, een samenwerking van de Nederlandse Anne Vegter en de Syrisch-Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun. Ik ken geen enkele dichter die zo tastbaar en poëtisch, zo fijngevoelig en nietsontziend over geweld en trauma schrijft als Almadhoun. Het gedicht dat ik na afloop neerpende, publiceer ik voorlopig niet. Wat hij me tijdens het signeren vertelde, is immers aan hem om in woorden te gieten en zo met de wereld te delen.

Mijn gastland Nederland is de commotie rond Dodenherdenking een dag later al weer aan het wegdrinken op Bevrijdingsdag. Dit jaar lijkt het ritme van deze tweedaagse nog ongepaster dan anders. Ik bleef thuis en pak de eerste verhuisdozen in. Vier robuuste stoelen worden straks door een 'statushouder' opgehaald.

Sinds een aantal dagen duiken de overleden broer en zus van mijn Joodse grootmoeder in mijn gedichten op, ik noem ze 'okselkinderen', naar hun favoriete schuilplaats. Ze ontbraken in de droom die ik vannacht had. De taferelen zijn hen helaas niet vreemd.


068

Een lege stad tot de hoogste nok gevuld met angst
en opgejaagd wild dat over elkaar tuimelt.
Mijn zus en ik op de vlucht. We hoorden stemmen
op vervallen muren terugkaatsen en
door verlaten gebouwen galmen:

'Ik krijg geld terug van de belastingen',
'Op Canal Digitaal alleen de spannendste thrillers'
'Stap de deur niet uit in een ongestreken kledingstuk'
en andere echo's die gek van onrust maakten,
cellofaan om het verleden spanden;

klanken zonder prijskaartje, vacuüm vervreemd.

Plots voor ons: een muur die nog rechtstond, een schakelaar.
In de andere stand hoorden we de botten kraken,
de bloedvergieten, het brandende haar knisperen.
We knipperden en knipperden maar er was geen weg
die voor ons uit liep,

ook stilte

kapot ge


schoten


'ik hier jij daar' verscheen bij Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam 2017
Uiteraard ten zeerste aanbevolen.

zondag 22 mei 2016

De oorlog herdenken zonder getuigen: hoe doe je dat?

4 én 15 mei: een pleidooi voor reflectieve herdenkingen voorbij het onderscheid




Op 4 mei, wanneer in Nederland de doden van WOII herdacht worden met landelijke stilte en media-aandacht, verscheen op de NRC-website Herdenken wat niemand zich herinnert. De eerste zinnen stellen een belangrijke vraag: ‘De Tweede Wereldoorlog ligt een mensenleven achter ons. Het duurt niet lang meer of alle ooggetuigen zijn overleden. Wat betekent dat voor het herdenken?’ Het artikel van Bas Blokker reflecteert vluchtig op de Dodenherdenking in verschillende – uitsluitend Europese – landen, maar nergens worden echte alternatieven geopperd voor een herdenking zonder de ooggetuigen die in de 4 mei-viering zo centraal staan. Blokker geraakt niet veel verder dan de urgente vraag benoemen. Ik verander haar graag in een pleidooi voor een reflectieve, zelf- of zelfs schuldbewuste herdenking. Ook een herdenking zonder ooggetuigen kan immers ruimte scheppen voor maatschappelijke dialoog, als er voorbij het strikte onderscheid tussen ‘toen’ en ‘nu’ en ‘wij’ en ‘zij’ wordt herdacht.

Dat ik de noodzaak voel om over deze kwestie mijn pen te laten gaan, heeft te maken met het oorlogsverleden waarmee ik opgroeide. Mijn opa Albert de Coninck (1915-2006) vocht vrijwillig in de Spaanse Burgeroorlog en groeide, onder andere met de ervaring en kennis die hij daar opdeed, uit tot verzetsleider van Vlaanderen in de Tweede Wereldoorlog. Rachel Souritz (1918 – 1998), mijn oma, was een Russisch-Poolse Jodin. De vader van haar twee oudste kinderen werd gefusilleerd en zowel haar vader als broer en zus werden vergast in Auschwitz. Dit trauma, in mijn geval via het moederbloed doorgegeven, ontsteeg de particuliere pijn en werd door mijn grootouders steeds opnieuw getransformeerd in een verregaand maatschappelijk en politiek engagement dat internationaal werd ingezet. 24 november 1991, de Zwarte Zondag waarop extreemrechts voor het eerst sinds de oorlog beangstigend veel stemmen haalde in Vlaanderen, maakte meer indruk op mij dan de notoire septemberdag tien jaar later. Ik werd eraan herinnerd dat het kwaad (of in de kern: de angst) onder ons leeft. Als je grootschalige gruwel in de toekomst wil vermijden, moet je alert blijven op het banale kwaad dat je op straat herkent en als voortekens in kranten en de woordenschat van de gevestigde orde leest. Het onderscheid tussen verleden en heden bestond amper, van ‘Wir haben es nicht gewusst’ was nooit sprake. Geschiedenis is niet iets wat je leert, maar iets waar je van blijft leren.



De eerste geschiedenisleerkracht op mijn middelbare school stond in haar aanpak haaks op de visie die thuis leefde. Zij dicteerde met monotone stem feiten die we geacht werden gezagsgetrouw in schriften over te nemen, op de linkerpagina hoorden hoofdzaken thuis, rechts bijzaken. Elke uitdaging om zelf dit onderscheid te maken ontbrak, geschiedenis was voor haar een statisch feitenpakket uit het verleden dat na categorisatie uit het hoofd geleerd moest worden. Van de Dodenherdenkingen in Nederland, waar ik ondertussen zes jaar woon, word ik ieder jaar om vergelijkbare redenen ongemakkelijk. De wijze waarop deze herdenkingsrituelen worden uitgevoerd, doet verdacht veel denken aan een starre leerkracht die niet weet uit te nodigen tot een dynamische verhouding tot het gedeelde verleden. Elk jaar realiseer ik me bovendien dat de meeste Belgen niet weten wanneer de Tweede Wereldoorlog in hun land eindigde. Hoe ongemakkelijk deze kanttekening ook is, ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de bombarie waarmee de Nederlandse doden ieder jaar weer herdacht worden, verband houdt met de schaalgrootte van het verraad, in het gezagsgetrouwe Nederland beduidend groter dan in mijn vaderland.

Pas dit jaar vond in Amsterdam een Dodenherdenking plaats die ik bij wilde wonen. Pop-up dominee Rikko Voorberg organiseerde een alternatieve herdenking met en voor oorlogsvluchtelingen in de Hoftuin van de Protestantse Diaconie. Aan een lange tafel zaten acteurs met kubusvormige maskers, waarop de gezichten van bekende en invloedrijke Nederlanders afgebeeld stonden. Een televisie zond tijdens deze feestdis de traditionele herdenking op de Dam uit. De tafel werd afgeschermd door scheermesprikkeldraad. Daarrond stonden de alternatieve herdenkers: Nederlanders, een verdwaalde Joodse Belg, maar ook Somaliërs, Syriërs, Irakezen, mensen voor wie het trauma niet al twee generaties oud is. Om de met handen verbonden menselijke cirkel stonden tentjes opgesteld, net als in de vluchtelingenkampen aan de randen van het in zichzelf gekeerde continent. Op het einde legden we samen kleurrijke bloemen op de vlijmscherpe prikkeldraad.

De kritiek die Rikko op zijn plannen kreeg, is niet mild. Hij zou verdeeldheid willen zaaien op een ‘heilige’ dag die eenheid creëert. Maar is dat wel zo? Het omgekeerde lijkt meer steek te houden. Met zijn betoverend-realistische beeld van een Europa dat steeds meer op een reservaat lijkt en zijn keuze om de herdenking te houden met slachtoffers van oorlogen waaraan we, hoe onvermijdelijk ook, op allerlei schimmige wijzen medeplichtig zijn, roept hij naar mijn gevoel net op tot minder verdeeldheid. Welk kwaad vormt de wortels voor groter kwaad? Net als de pop-up dominee kijk ik bij deze vraag in de spiegel. Daar kan je voorbij uitgeholde concepten van eenheid op zoek naar échte verdeeldheid, de verdeeldheid in jezelf die je onder ogen kan komen, om vervolgens tot jezelf en elkaar te komen. Daarvoor is het nodig verder te kijken dan tegenstellingen als ‘toen’ en ‘nu’, maar ook ‘zij’ en ‘wij’. Rikko schrijft: ‘Herdenken is hard werken. Het is denken aan toen én jezelf nu spiegelen.’ Door op zoek te gaan naar de dader in onszelf, de medemens die het machteloze hoofd wegdraait, het slachtoffer dat zich gevangen voelt, kunnen we dynamische veranderprocessen in gang zetten. Als ooggetuigen dan wegvallen, tasten we niet langer met verlichte blik in het duister. Dan verandert het ‘nu’ van een krampachtige synthese van fouten uit het verleden waaruit we zogenaamd lessen getrokken hebben in een startpunt, in een reden tot echte verandering.

The times they are a-changin’ and so are we. Ook wij zijn geen statische eenheden, we vormen samen een constant evoluerend verhaal. Elk van ons is in staat naar onze wortels en blauwdruk te kijken en die vervolgens te ontgroeien. Elke identiteit bestaat net als geschiedenis uit meerstemmige verhalen, waartoe je je kritisch, maar ook actief kan verhouden. Wanneer we herdenkingen voorbij de hypocrisie inzetten als momenten voor gezamenlijke zelfreflectie, hebben ze de potentie de toekomst te veranderen, om naast schuldbewust bovenal hoopvol te zijn. Naar het heden kijken, is zeker een stuk abstracter en moeilijker dan bloemen bij standbeelden uit het verleden leggen. Maar samen kan het: voorbij narratieven van schaamte, schuld of slachtoffer, van dader, kwaad en machteloze stagnatie rest de vrijheid om het vervolg van het verhaal zelf vorm te geven. Anderen zijn hierbij onze spiegels, waarin duidelijk wordt wat we uitlichten of liever in duisternis hullen. In de ander ligt het ik, in onze handen ligt de mogelijkheid om van vicieuze cirkels spiralen te maken die het geweld ontstijgen. Jij bent het startpunt: meer dan synthese ben je mogelijkheid. Je bent sterrenstof dat fonkelt van zodra je in het donker je eigen licht ontdekt.

Kunnen we volgend jaar na 4 mei ook stilstaan bij 15 mei? Deze Nakba Day volgt voor Israeli weliswaar op een onafhankelijkheidsverklaring, voor Palestijnen is het het begin van een lijdensweg waarvan het einde in 2016 nog niet in zicht is. Als we er een gewoonte van maken om internationaal stil te staan bij Nakba Day en als we geweld vanaf nu in globale geweldspiralen in kaart brengen, nodigen we misschien ook andere Joden uit tot een blik in de spiegel. Hoe dan ook hoort een reflectieve, zelf- en schuldbewuste manier van doden herdenken op de linkerpagina van onze toekomst thuis.




Populaire berichten