dinsdag 24 mei 2011

De Flamingo in het land van de Grote Vogels (deel 1)


Plots was ze daar. Vreemd, hoe snel en onopgemerkt zo’n roze schreeuwlelijkerd aan kon komen waaien. Ze streek haar veren plat en schuifelde nog wat onwennig over het speelplein, zocht naar de beste poot om niet om te vallen door de wind, die een stuk steviger blies dan in haar land van herkomst. Toen ze het evenwicht gevonden had en haar lange rechterpoot in de roze veren had geplooid, haalde ze diep adem. Ze kon de zee bijna ruiken en boven haar hoofd cirkelden een paar stevige reigers. Het was geruststellend dat er ook hier vogels waren die lekkere vis konden appreciëren. Want het was op zijn minst opmerkelijk, dat geschuifel in de kantine van die Grote Vogels. Geduldig wachtend op een halve liter melk die ze dan in één teug in hun snavel goten. Zich van geen rariteiten bewust, verdoofd op haar neerkijkend, alsof het koeien waren.

Ze had voor vertrek overwogen om haar naam te veranderen in Belgingo. Of om haar veren oranje te verven. Maar of dat iets veranderd zou hebben? Nee, ze was gewoon zichzelf en dus anders. Daar viel niks aan te doen. Toen de eerste kuikentjes zich aan haar voeten verzamelden, beantwoordde ze dan ook geduldig al hun vragen. Ja, ze voelde zich al een beetje thuis. Haar gekakel klonk misschien anders, ze vertelde dezelfde verhalen. Nee, niet alle vogels drinken daar bier op het middaguur. En de Vette Kalkoen die zo graag het land wou splitsen, viel niet bij iedereen in de smaak. Geef haar maar garnalen, bijvoorbeeld. Veel voedzamer dan vettig kippenvlees. Waarom ze haar knieën naar achteren boog? Kijk eens goed, dat zijn enkels, geen knieën. Wat je niet kan zien is soms verrassend buigzaam…

woensdag 11 mei 2011

Uitslag poll 11: "Vroeger was ik"

De vorige poll is al een eeuw afgesloten. Tijd om het stof eraf te kloppen en te bekijken wat we vroeger waren. Dertig mensen beantwoordden deze licht absurde vraag. En wat blijkt? Vroeger waren we even verschillend als we nu zijn. De uitslag:

"Licht en kiezelstenen" en "verder dan nu" kregen allebei 26 procent van de stemmen (elk 8 stemmen), op de voet gevolgd door "water en vuur" en "lucht" op de tweede plaats (elk 7 stemmen).

Eat this, wetenschap!

Mooie noten in Paradiso en Leendert

Ik schrijf niet graag over muziek. Mijn pen is daarvoor niet toonvast genoeg. Mijn octaven zijn beperkt en ik schrijf met een kopzin met klein bereik. Nee, voor schrijven over muziek heb ik bijna even weinig talent als voor piano spelen, wat ik in een ver verleden wel een viertal jaar geprobeerd heb. Grom. Hoe zacht de gordijnen aanvoelen, met welke steek de randen afgezoomd zijn? Ik weet het niet. Geef mij het uitzicht dat de ramen bieden als ze openstaan. Boots in mijn oor de wind na die waait door de lichte gordijnen, of vertel me wat zich verbolgen schuilhoudt achter winterse rolluiken.

Gisteren vond in Paradiso de halve finale van de wedstrijd “Mooie noten” plaats. Acht acts streden om vier finaleplaatsen. Voor aanvang klonk “Nothing really ends” van dEUS door de speakers. Ik glimlachte ietwat meewarig. Gekke Hollanders, nog steeds het muzikale oor op België gericht. Hun enige minderwaardigheidscomplex tegenover de zuiderburen. Is het terecht?

De drie dames van “Lauw” openden de avond. Ik kende ze al van in Pakhuis Wilhelmina. Ze hielpen mij toen niet van mijn nervositeit af die ik voelde bij mijn eigen optreden. De ‘verloren weesliedjes’ van Lauw klonken zoals beloofd. Verloren, en ik was niet bereid ze in mij op te nemen. Ook gisteren klonken ze best aardig, maar compleet ongevaarlijk. Na Lauw hoorden we een paar liedjes van Kashmere Hakim. Enkel het liedje waarin hij over de cassettebandjes zong die hij vroeger naar zijn Marokkaanse grootouders stuurde, liet licht door de gordijnen schijnen. Bij het derde optreden, van de zangeres Chagall, werd ik even wakker. Wat een stem. Spijtig dat de liedjes geen verhaal vertelden.

Toen kondigde de presentator Leendert aan. Een man met lef, die Leendert. Komt hard aan, durft diep te gaan. Bring it on. Een rijzige, mooie jongen betreedt het podium. Priemende ogen die me pijlsnel in het nu schieten. Een blonde vrouw volgt hem, plaatst een cello tussen haar benen. Leendert mompelt iets. Hij lijkt nerveus, maar tegelijkertijd straalt hij een oeverloze rust uit. Nog voor de eerste noot voel ik het water stijgen.

Waarover hij juist zong, weet ik niet. Ik onthield zinnen als “Ik ben het beest dat rondgaat om te verslinden. Ik ben het lam dat aan je voeten ligt”. Ik zat aan mijn stoel genageld. De stilte van het publiek sprak boekdelen en hij zong over eeuwenoude angsten die altijd actueel blijven. Over een man die tussen golven sliep en verdronk. Even dacht ik aan Jeff Buckley. Maar die vergelijking schiet tekort. Want de kracht van Leendert is van een andere kwetsbaarheid. Dus zo, dacht ik, is het ook gesteld met de Nederlandse muziek. Mijn vriend beaamde. Het publiek snoepte verschrikt en bleef tot de laatste noot muisstil.

Er volgden nog een paar optredens. Een stem als een klok uit een meisje (Rebecca Sier) en vrolijke, grappige atypische hip hop (Woezels). Even was ik blij dat ik geen jurylid was. Want ik wist maar twee dingen zeker: twee acts waren lauw en Leendert was bloedheet én ijskoud. Zowat al de rest was verrassend sterk. De jury heeft zijn tijd nodig, kondigde de presentator aan. In afwachting genoten we van een finalist van vorig jaar, Case Mayfield.

Er gingen uiteindelijk vier acts door. Drie van de vier keuzes begreep ik. Maar geen Leendert. En wel Lauw. Dus zo zit het met de Nederlandse muziek. Er is talent, maar dat wordt om onbegrijpelijke redenen de mond gesnoerd. Waarschijnlijk net te moeilijk om te plaatsen. Liever weeskindjes dan een wild dier. Spijtig hoor, van die juryleden met poep in hun oren. Misschien moeten we ze een nachtje in de golven te slapen leggen. Of ramen laten wassen.

O ja, en wat Leendert betreft. Wie leent die jongen goede opnameapparatuur en geeft hem het oor dat hij verdient? Vrijdag kunnen we weer gaan luisteren, kijk maar op zijn site.

zondag 24 april 2011

Trefzeker of hoe zeg je dat. Herman De Coninck in Amsterdamse handen.

Paaszondag. Het lief heeft Amsterdam verruild voor een dorp dat zuidelijker ligt. Ergens oostelijk in de stad, waar de wind naar zee ruikt, ligt een Belgische vriendin met haar nieuw lief in het gras. Hij is nog te vers om al te delen en ik was te druk met lente vieren. Daarom verliep slechts één ding volgens plan: vanmiddag met een andere vriendin in de Roode Bioscoop belanden, een schattig zaaltje in één van de uithoeken van de binnenstad. Theatergroep Flint bracht daar ‘Klaarlichte nacht’, een verzameling op muziek gezette gedichten van Herman De Coninck. We waren het jongste publiek. Op de achterste rij zat zijn weduwe Kristien Hemmerechts. Mijn Nederlandse vriendin herkende haar niet.

De zanger, een rijzige, grijze man, zong de gedichten met welgemeende tremolo. Hij knipte zinnen, herhaalde de voor hem belangrijkste zinnen, maakte kleine gedichten langer, brulde en hijgde. Zijn compagnon plukte driftig aan de snaren van een cello en de pianist rolde af en toe lieflijke ladders over de woorden uit. De Nederlandse vriendin luisterde muisstil. Op het einde veerden verschillende toeschouwers op om heel luid te klappen. Bij een glas wijn hoorde ik een enkeling de Vlaamse taal bezingen. Die, zeg maar, zoveel ‘trefzekerder’ was.

Mijn gedachten dwaalden tijdens de voorstelling vaak af. Opnieuw vijftien, opstandig en kieskeurig idolaat. Ik luisterde naar Nirvana en had via een andere dode junk, Jotie ’t Hooft, dé knuffeldichter van Vlaanderen ontdekt. Ik herschreef zijn gedichten, veranderde van sommige geen woord en plakte ze op de kasten van mijn zolderkamer. Toen ik op een meidag hoorde dat De Coninck gestorven was, klom ik tijdens de les Engels op mijn stoel en las een gedicht van hem voor. Welk gedicht dat was? Geen idee, ik weet enkel dat de klas stil werd en dat mijn stem trilde. Ik herinner me de krop in mijn keel, hoe die hielp om later eigen klanken te vinden. Mijn wereld beefde even toen hij stierf.

Vandaag voelde ik vooral schaamte. Het had iets te maken met de overbekende metaforen die steeds opzichtiger uit de gedichten springen en de soms veel te luide zanger, maar verder snapte ik de schaamte niet. Ik probeerde de schouders te lezen van zijn weduwe, die tijdens de voorstelling voor me zat. Haar kapsel zat hetzelfde als altijd. Ze was enkel wat grijzer geworden. En verder kon ik uit niets opmaken dat zij dezelfde rusteloosheid als ik ervoer.

Zijn dood ligt nu ongeveer in de middelste vouw van mijn leven. Misschien voelt de herinnering daarom zo besloten en intiem aan. Of ligt het anders en lijkt De Coninck in mijn opzichtige metafoor op Koen Wauters. Er is niets mis met op een eenzame avond in Amsterdam wat gedichten van Herman De Coninck te herlezen. En misschien leg ik straks ‘Hoezo Clouseau’ op. Maar breng dit naar een zaaltje in een vreemde stad en ik voel me vooral eenzaam. Misschien past bij het denken aan een dode dichter een vinger op de lippen beter. Uit schaamte of uit eerbied, dat maakt verder niets uit.

vrijdag 8 april 2011

Een droom. Een huis van glas.

Een droom. Een huis van glas. Een man. Een vrouw.
En nog een man. Als dat maar goed komt.
Doe de gordels aan en laat de remmen los.

Een droom. Een huis. Een boom die ontwortelt.
Onder de omgevallen stam loopt een beest leeg.
Vluchten kan niet. Zes voeten verbrijzelen glas.

Een huis. Een man. Een droom die ontwortelt.
Het dier leeft en draait zich in vuil ondergoed.
Een zompige grens. De splinters worden losgeweekt.

Populaire berichten