Ze kijkt voorzichtig om de hoek.
Aan de tegels kleven voeten.
De aders op haar armen blauw
als de televisie. Een stoel schoof op.
Hij houdt zijn ogen dicht. Check.
Hoewel hij weet dat zij er is. Check.
Ze wantrouwt dit en tikt hem op de schouder.
Legt het in zijn hand. Wijst het draadje aan.
Ze zegt: ‘Dit is kapot gegaan toen ik de trap afkwam.
Nu is het als verkleinwoorden: nutteloos.
In bad is er een vlinder gestorven.
Wil jij voor mij naar boven gaan?’
sterk
BeantwoordenVerwijderenoeoeoeoe.... *enthousiast*
BeantwoordenVerwijderenheel mooi!!
Mooi omarmd in de laatste strofe!
BeantwoordenVerwijderenBedankt, dame en heren. Het voelt nog niet af aan. Maar een beetje begrijpelijke poëzie lijkt nodig om beide schrijversbenen op de grond te krijgen...
BeantwoordenVerwijderen